Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

09-03-2026

ECLI

ECLI:NL:TADRAMS:2026:55

Zaaknummer

25-788/A/NH

Inhoudsindicatie

Raadsbeslissing; ongegronde klacht van één van drie verdachten in een strafzaak over de dienstverlening van verweerder in de piketfase. Gelet op de beperkte kennis waarover verweerder in de piketfase beschikte en de grote tijdsdruk waaronder hij moest handelen, kon verweerder in redelijkheid tot het oordeel komen dat geen sprake was van een tegenstrijdig belang, noch van een voorzienbaar risico daarop (geen schending gedragsregel 15). In de omstandigheden van dit geval, waarbij verweerder kortstondig in het weekend piketbijstand heeft verleend, niet over contactgegevens van klaagster beschikte en waarbij hij zijn bijstand na het weekend meteen overdroeg aan een andere advocaat, valt het in tuchtrechtelijke zin evenmin aan te rekenen dat verweerder niet schriftelijk heeft bevestigd dat hij zijn bijstand aan de medeverdachten met klaagster heeft besproken (geen schending gedragsregel 16 lid 1).

Uitspraak

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam van 9 maart 2026 in de zaak 25-788/A/NH naar aanleiding van de klacht van:

klaagster  gemachtigde: J.L. L’Homme

over

verweerder 

1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE 1.1    Op 10 maart 2025 heeft klaagster bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Noord-Holland (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder. 1.2    Op 13 november 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk re/ss/25-135/2477741 van de deken ontvangen. 1.3    De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 26 januari 2026. Daarbij was namens klaagster haar gemachtigde aanwezig. Ook was verweerder aanwezig. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt. 1.4    De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 6.   1.5    Eerder, op 3 januari 2025, heeft klaagster bij de deken een klacht ingediend over mr. V, de kantoorgenoot van verweerder. Op 6 augustus 2025 heeft de raad het klachtdossier in de klacht over mr. V van de deken ontvangen en geregistreerd onder kenmerk (25-526/A/NH). 

2    FEITEN 2.1    Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten. 2.2    Op 2 maart 2024 is in de woning van klaagster een aantal personen bijeengekomen. Er is een conflict ontstaan tussen het latere slachtoffer de heer O (hierna: het slachtoffer) en de heer S (hierna: S). Het slachtoffer heeft meerdere steekwonden opgelopen en zegt dat deze steekwonden zijn ontstaan doordat hij is gestoken door klaagster en S. Hierop is klaagster (met twee andere verdachten, Van S en B, van wie de zaken na verhoor zijn geseponeerd) op 2 maart 2024 aangehouden op verdenking van poging tot doodslag in verband met de steekpartij in of rondom de woning van klaagster waarbij O ernstig letsel heeft opgelopen.  2.3    Op 2 maart 2024 stond verweerder ingeroosterd voor de piketdienst in de regio Zaanstreek-Waterland. Verweerder ontving die dag drie meldingen met het verzoek om consultatiebijstand te verlenen aan klaagster, Van S en B. 2.4    Verweerder heeft klaagster voorafgaand aan het eerste verhoor (op 3 maart 2024) consultatiebijstand verleend en haar gedurende het verhoor van bijstand voorzien. Tijdens dit verhoor heeft klaagster een ontkennende verklaring afgelegd. Diezelfde dag heeft verweerder piketbijstand verleend aan medeverdachten Van S en B.  2.5    Verweerder is blijkens het proces-verbaal van verhoor van klaagster in kennis gesteld van het voorgenomen verhoor van klaagster op 2 maart om 13.22 uur. Diezelfde dag om 17.00 uur vond er - blijkens hetzelfde proces-verbaal - consultatiebijstand plaats. Het politieverhoor vond plaats op 3 maart 2024 van 13.14 uur tot 14.02 uur  2.6    Verweerder is blijkens het proces-verbaal van verhoor van Van S in kennis gesteld van het voorgenomen verhoor van Van S op 2 maart om 13.17 uur. Diezelfde dag om 17.00 uur vond er - blijkens hetzelfde proces-verbaal - consultatiebijstand plaats. Het politieverhoor vond plaats op 3 maart van 12.30 tot 13.00 uur.  2.7    Verweerder is blijkens het proces-verbaal van verhoor van B in kennis gesteld van het voorgenomen verhoor van B op 2 maart 2024. Diezelfde dag om 17.00 uur vond er - blijkens hetzelfde proces-verbaal - consultatiebijstand plaats. Het politieverhoor vond plaats op 3 maart van 10.05 tot 11.28 uur.  2.8    Na de verhoren zijn Van S en B heengezonden. Voor klaagster heeft zich na het verhoor een andere advocaat gemeld. Na het weekend heeft verweerder de zaak van klaagster aan deze advocaat overgedragen.  2.9    S is op 10 april 2024 aangehouden. S heeft aangegeven gebruik te willen maken van consultatie- en verhoorbijstand van een toegewezen (piket)advocaat. Deze advocaat was mr. V, de kantoorgenoot van verweerder. Rond januari 2025 trad mr. V nog op voor S, maar de deken berichtte klaagster op 9 januari 2025 dat mr. V zich na zijn interventie had teruggetrokken in de strafzaak. Klaagster had toen al op 3 januari 2025 een klacht ingediend over mr. V.    2.10    Klaagster en S hebben gedurende langere tijd in voorlopige hechtenis doorgebracht. Zij zijn uiteindelijk gedagvaard voor de meervoudige kamer van de Rechtbank Noord-Holland, die op 17 januari 2025 beide strafzaken behandelde. Klaagster is hierbij in persoon verschenen en S was afwezig. Daarop heeft de rechtbank besloten de twee zaken af te splitsen, waardoor de zaken uiteindelijk apart zijn behandeld. De rechtbank heeft klaagster op 31 januari 2025 vrijgesproken van het tenlastegelegde. 2.11    Op 10 maart heeft klaagster bij de deken een klacht over verweerder ingediend.  

3    KLACHT 3.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt verweerder dat hij niet heeft gehandeld zoals een behoorlijk advocaat betaamt door niet aan klaagster mee te delen dat hij tijdens zijn piketbijstand aan haar ook twee medeverdachten in dezelfde zaak bijstond. Klaagster heeft haar klacht als volgt toegelicht. 3.2    Klaagster heeft op de dag van haar aanhouding, 2 maart 2024, te kennen gegeven een toegewezen piketadvocaat te willen consulteren. Verweerder heeft vervolgens, voorafgaand aan het eerste verhoor van klaagster, consultatiebijstand verleend en haar gedurende het verhoor van bijstand voorzien. Tijdens dit verhoor heeft klaagster een uitgebreide ontkennende verklaring afgelegd. Op dezelfde dag heeft verweerder eveneens piketbijstand verleend aan twee medeverdachten, Van S en B. In dat kader heeft verweerder voorafgaand aan deze verhoren afzonderlijk met deze medeverdachten gesproken. Verweerder heeft volgens klaagster op geen enkele manier kenbaar gemaakt dat hij ook bijstand verleende aan de twee medeverdachten. Bovendien was er vrij snel na de aanhouding een bevel beperkingen uitgevaardigd, waardoor klaagster geen enkel contact met anderen dan haar eigen advocaat mocht hebben. Indien klaagster had geweten dat verweerder ook aan de medeverdachten bijstand verleende, had zij direct gekozen voor een andere advocaat. Pas een behoorlijke tijd later, bij het bestuderen van het strafdossier, ontdekte klaagster voor het eerst dat verweerder ook haar medeverdachten had bijgestaan. Klaagster is van mening dat dit handelen een ernstige inbreuk maakt op de kernwaarden integriteit, onafhankelijkheid, partijdigheid en vertrouwelijkheid. Klaagster heeft in vertrouwen, terwijl zij zich in een zeer precaire situatie bevond, informatie gedeeld over de situatie waarin zij was beland. Er was sprake van een zeer ernstige verdenking van poging doodslag, waarbij zij in de veronderstelling verkeerde dat de aan haar toegewezen (piket)advocaat uitsluitend voor háár belangen opkwam, en dus niet ook voor medeverdachten die van hetzelfde strafbare feit werden verdacht. Er was daarbij evident sprake van een tegenstrijdig belang, aldus steeds klaagster.

4    VERWEER  4.1    Verweerder heeft aangevoerd dat hij klaagster (en Van S en B), anders dan klaagster stelt, wel heeft geïnformeerd over zijn bijstand aan hen. Hiertegen hebben klaagster, Van S en B geen bezwaar gemaakt. Er waren geen indicaties van tegenstrijdige belangen. Verweerder heeft zijn beoordeling niet alleen gebaseerd op informatie van de politie, maar met name op hetgeen de verdachten zelf aan hem hadden meegedeeld. Klaagster stelt zelf ook niet dat er sprake is van een tegenstrijdig belang. De stelling dat uit jurisprudentie zou blijken dat verweerder het gelijktijdig bijstaan van medeverdachten in de piketfase schriftelijk aan klaagster had moeten bevestigen, is volgens verweerder onjuist. Een dergelijke verplichting kan niet van een advocaat worden verwacht, temeer niet nu de bijstand op locatie en - in dit geval - in het weekend plaatsvond. De piketmelding van 2 maart 2024 ontving verweerder op een zaterdag. Op zondag 3 maart 2024 vond de verhoorbijstand plaats. De andere verdachten zijn diezelfde dag heengezonden. Verweerders werkzaamheden voor klaagster waren na het weekend beëindigd, omdat de zaak van klaagster door een andere advocaat is overgenomen. Voor verweerder was het daarna ook onbekend waar klaagster naartoe overgebracht zou worden. Verweerder beschikte niet over een dossier waaruit adresgegevens konden worden afgeleid. In ieder geval zou een schriftelijke bevestiging achteraf geen verschil hebben gemaakt. 

5    BEOORDELING Toetsingskader  5.1    De raad neemt bij de beoordeling van de klacht als uitgangspunt dat (naar vaste jurisprudentie van het hof) de tuchtrechter bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten toetst aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen. Bij deze toets betrekt de tuchtrechter de kernwaarden zoals omschreven in artikel 10a Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen, gezien ook het open karakter van de wettelijke norm, daarbij wel van belang zijn (direct of analoog). Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld. 5.2    Het onderhavig geschil betreft de kernwaarden onafhankelijkheid, partijdigheid en geheimhouding. De kernwaarde onafhankelijkheid houdt in dat een advocaat bij de uitoefening van zijn beroep onafhankelijk is ten opzichte van zijn cliënt, derden en de zaken waarin hij als zodanig optreedt. De kernwaarde partijdigheid is erop gericht dat de advocaat zich bij zijn beroepsuitoefening primair laat leiden door het belang van zijn cliënt. De kernwaarde geheimhouding bepaalt dat de informatie die een advocaat in die hoedanigheid van of in relatie tot een cliënt heeft verkregen, niet mag delen met een andere cliënt (ook niet indirect), tenzij met toestemming van de cliënt op wie de informatie betrekking heeft. 5.3    Gedragsregel 15 lid 1 bepaalt, voor zover relevant in dit geschil, dat het de advocaat niet is toegestaan, behoudens in de gevallen genoemd in het derde en vierde lid, om (a) tegelijkertijd voor meer dan één partij op te treden in een zaak waarin deze partijen een tegengesteld belang hebben. De advocaat streeft er op grond van lid 2 naar te voorkomen dat de in het eerste lid bedoelde situatie ontstaat. Wanneer die omstandigheid zich niettemin voordoet of als een daarop uitlopende ontwikkeling aannemelijk is, zal de advocaat alert moeten zijn op die ontwikkeling en zich geheel, en uit eigen beweging, uit de zaak terugtrekken.  5.4    Op grond van gedragsregel 16 lid 1 is een advocaat gehouden om zijn cliënt op de hoogte te brengen van belangrijke informatie en dient hij belangrijke informatie en afspraken schriftelijk aan zijn cliënt te bevestigen. Beoordeling klacht 5.5    De raad stelt op grond van het, hiervoor weergegeven toetsingskader, voorop dat het een advocaat in het algemeen niet verboden is om meerdere verdachten in dezelfde strafzaak bij te staan, zolang er geen sprake is van een tegenstrijdig belang of van een situatie waarin voorzienbaar is dat een tegenstrijdig belang kan ontstaan. De beantwoording van de vraag of, bij bijstand van meerdere cliënten in eenzelfde strafzaak, sprake is van een tegenstrijdig belang dan wel van een situatie waarin voorzienbaar is dat het op een tegenstrijdig belang kan uitlopen, is aan de betreffende advocaat. Die beantwoording moet wel verenigbaar zijn met door de advocaat in acht te nemen (gedrags)regels, waaronder de kernwaarden onafhankelijkheid, partijdigheid en vertrouwelijkheid, zoals hiervoor weergegeven (Hof van Discipline, 17 januari 2025, ECLI:NL:TAHVD:2025:14). 5.6    Verweerder heeft onderbouwd toegelicht dat hij op de dag van de melding, zaterdag 2 maart 2024, naar het politiebureau is gegaan om consultatiebijstand te verlenen aan de drie verdachten. Gedurende de consultaties kwam er volgens verweerder geen indicatie van enig tegenstrijdig belang naar voren. Dit werd volgens verweerder ook bevestigd door de verklaringen die de verdachten bij de politie hebben afgelegd. Slechts vanwege hun aanwezigheid in de woning waarin het misdrijf plaatsvond, waren zij allen aangehouden. De politie had ondanks de opgelegde beperkingen bovendien geen bezwaar tegen zijn bijstand aan alle verdachten.  5.7    De raad overweegt als volgt. Op grond van de informatie van de politie en aan de hand van hetgeen de verdachten hem hadden meegedeeld, had verweerder in deze piketfase - die vraagt om snel handelen, op basis van beperkte informatie - geen aanleiding te veronderstellen dat in die fase sprake was van een tegenstrijdig belang. Het enkele feit dat klaagster, Van S en B allen waren aangehouden voor hetzelfde strafbare feit, is daarvoor onvoldoende. Niet is gebleken dat in die fase verdachten elkaar beschuldigden of anderszins tegenstrijdige verklaringen aflegden op voor de strafzaak relevante punten. Mede gelet op de beperkte kennis waarover verweerder in de piketfase beschikte en de grote tijdsdruk waaronder hij op grond van de piketregeling aan meerdere verdachten rechtsbijstand moest verlenen, kon verweerder derhalve in redelijkheid tot het oordeel komen dat geen sprake was van een tegenstrijdig belang, noch een voorzienbaar risico daarop. Waarom er wel sprake zou zijn geweest van een tegenstrijdig belang heeft klaagster ook niet voldoende onderbouwd. Van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen door verweerder is de raad dan ook in zoverre niet gebleken.  5.8    Verweerder heeft verder aangevoerd dat hij klaagster destijds wel degelijk heeft geïnformeerd over zijn bijstand aan de andere verdachten en dat klaagster hiertegen geen bezwaar heeft gemaakt. Klaagster betwist dat verweerder aan haar kenbaar heeft gemaakt dat hij eveneens bijstand verleende aan de twee medeverdachten. Nu hierover niets op papier staat, kan de raad niet vaststellen wat er wel en niet mondeling is medegedeeld. Een dergelijke onduidelijkheid over hetgeen tussen partijen is besproken, komt normaal gesproken bij gebreke van een schriftelijke vastlegging voor rekening van de advocaat. Een advocaat is immers op grond van gedragsregel 16 lid 1 gehouden om ter voorkoming van misverstanden en onduidelijkheden belangrijke zaken schriftelijk te bevestigen. De raad is echter van oordeel dat het, gelet op de omstandigheden van dit geval, waarbij verweerder kortstondig, en in zeer korte tijd in het weekend piketbijstand heeft verleend, naar hij stelt nog niet over contactgegevens van klaagster beschikte en waarbij hij zijn bijstand na het weekend meteen overdroeg aan een andere advocaat, in tuchtrechtelijke zin niet valt aan te rekenen dat hij niet schriftelijk heeft bevestigd dat hij het voorgaande met klaagster heeft besproken.  5.9    De raad komt op grond van het voorgaande dan ook tot de slotsom dat de klacht in zijn geheel geen doel treft. 

BESLISSING De raad van discipline: -    verklaart de klacht ongegrond. 

Aldus beslist door mr. K.M. van Hassel, voorzitter, mrs. M. Kemmers en T. Felix, leden, bijgestaan door mr. N. Borgers-Abu Ghazaleh als griffier en uitgesproken in het openbaar op 9 maart 2026.

Griffier    Voorzitter

Verzonden op: 9 maart 2026