Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

16-02-2026

ECLI

ECLI:NL:TAHVD:2026:59

Zaaknummer

250070

Inhoudsindicatie

Klacht over de advocaat van de wederpartij in een huurkwestie. Verweerder heeft zijn cliënten geadviseerd de kamer die klaagster bij hen huurde te ontruimen, terwijl daarvoor geen civielrechtelijke titel was. Met de raad acht het hof de klacht van klaagster over dit advies gegrond. Gelet op de bijzondere  omstandigheden van dit geval is het hof echter van oordeel dat het passend en geboden is om geen maatregel op te leggen. Het hof vernietigt de beslissing van de raad uitsluitend op het onderdeel van de opgelegde maatregel (waarschuwing).   

Uitspraak

Beslissing van 16 februari 2026 in de zaak 250070

naar aanleiding van het hoger beroep van:

 

verweerder

gemachtigde: mr. A.A.M. Knol, advocaat te Den Haag

 

tegen:

 

klaagster 

gemachtigde: mr. S. van der Eijk, advocaat te Delft 

 

1 INLEIDING

1.1 Klacht over de advocaat van de wederpartij in een huurkwestie. Verweerder heeft zijn cliënten geadviseerd de kamer die klaagster bij hen huurde te ontruimen, terwijl daarvoor geen civielrechtelijke titel was. Met de Raad van Discipline in het ressort Den Haag (hierna: de raad)  acht het hof de klacht van klaagster over dit advies gegrond. Gelet op de bijzondere  omstandigheden van dit geval is het hof echter van oordeel dat het passend en geboden is om geen maatregel op te leggen. Het hof vernietigt de beslissing van de raad daarom op het onderdeel van de opgelegde maatregel (waarschuwing).   

1.2 Het hof zet eerst het verloop van de procedure bij de raad en het hof uiteen. Vervolgens zet het hof het volgende op een rij: de feiten, de klacht en de beoordeling van de raad. Daarna volgen de redenen waarom verweerder in beroep is gekomen en hoe het hof daarover oordeelt.  

2 DE PROCEDURE 

Bij de raad van discipline

2.1 De raad heeft in de zaak tussen klaagster en verweerder (zaaknummer: 24-492/DH/DH]) een beslissing genomen op 27 januari 2025. In deze beslissing is de klacht van klaagster gegrond verklaard en is aan verweerder de maatregel van een waarschuwing opgelegd. Verder is verweerder veroordeeld tot betaling van het griffierecht en de proceskosten. 

2.2 Deze beslissing is onder ECLI:NL:TADRSGR:2025:18 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.

Bij het hof van discipline

2.3 Het beroepschrift van verweerder tegen de beslissing is op 18 februari 2025 ontvangen door de griffie van het hof. 

2.4 Verder bevat het dossier van het hof: -    de stukken van de raad.     2.5 Het hof heeft de zaak mondeling behandeld tijdens de openbare zitting van 21 november 2025. Daar zijn verweerder en zijn gemachtigde verschenen. Klaagster en haar gemachtigde zijn, ondanks daartoe deugdelijk te zijn opgeroepen, niet ter zitting verschenen. De gemachtigde van verweerder heeft diens standpunt toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen die onderdeel uitmaken van het dossier van het hof. 

3 FEITEN

3.1 Het hof stelt op basis van het klachtdossier en het onderzoek ter zitting de volgende feiten vast. 

3.2 Klaagster heeft met ingang van 16 april 2022 voor onbepaalde tijd een kamer gehuurd in de woning van de cliënten van verweerder, de heer van L. en mevrouw D., hierna gezamenlijk ook te noemen ‘het echtpaar’. 

3.3 Op 19 juni 2022 heeft een incident tussen klaagster en het echtpaar plaatsgevonden in de gemeenschappelijke keuken van de woning. Daarbij is schade ontstaan aan een ruit nadat klaagster de keukendeur had dichtgedaan. Klaagster is aangehouden en heeft een nacht vastgezeten op het politiebureau. Mevrouw D. is tijdens dit incident licht gewond geraakt. Van dit incident is bij de politie aangifte gedaan.

3.4 Op 2 juli 2022 heeft zich opnieuw een incident voorgedaan in de woning van het echtpaar waarbij ook de vriend van klaagster aanwezig was. 

3.5 Het echtpaar heeft op 6 juli 2022 verweerder verzocht hen bij te staan in de met klaagster ontstane situatie. Zij vertelden verweerder onder meer dat de vriend van klaagster bedreigingen had geuit. 

3.6 Na ontvangst van stukken van het echtpaar heeft verweerder in een e-mailbericht op 11 juli 2022 om 14.44 uur aan het Openbaar Ministerie zich gesteld als advocaat voor de benadeelde partij, (mevrouw D.) en daarbij het strafdossier opgevraagd. 

3.7 Op diezelfde dag stuurt verweerder om 15.10 uur aan het echtpaar een e-mailbericht waarin verweerder laat weten het strafdossier te hebben opgevraagd. Verder schrijft verweerder: 

“Ik adviseer U de huurkamer te legen, in het bijzijn van getuigen, bij voorbeeld die Zeeuwse meisjes, en [klaagsters] spullen in een kartonnen doos te stoppen met een inventaris die de getuigen mede ondertekenen. De doos beneden zetten die [klaagster] kan afhalen. Mogelijk dat [klaagster] de politie belt die langskomt. Zegt U tegen de politie dat de huur buitengerechtelijk is ontbonden wegens onrechtmatige daad, dat het een civiele zaak betreft en [klaagsters] advocaat maar met mij contact moet opnemen. [Klaagster] niet toelaten in Uw appartement, ook niet als de politie dat zegt. Let op, strikt genomen kan ontruiming pas na een rechtelijk vonnis, maar dat kan nog een tijd duren. Intussen graag een nieuwe afspraak maken opdat ik de feiten van 19 juni precies kan noteren voor het ontbindingsverzoek wegens onrechtmatig handelen en het kort geding tot ontruiming in afwachting van de ontbindingsprocedure.”

3.8 Op 14 juli 2022 heeft het echtpaar via WhatsApp aan klaagster laten weten dat haar huisraad in de gemeenschappelijke hal van het gehuurde staat en kan worden opgehaald.

3.9 Op 14 juli 2022 is namens verweerder aan klaagster bericht dat een kort geding tegen haar wordt gestart tot ontruiming van het gehuurde, met het verzoek om toezending van klaagsters verhinderdata.

3.10 Op 19 juli 2022 is verweerder, namens het echtpaar, een bodemprocedure tegen klaagster gestart.

3.11 Verweerder heeft het op 11 juli 2022 opgevraagde strafdossier ontvangen op 20 juli 2022. Uit het strafdossier is verweerder gebleken dat klaagster na haar aanhouding op 19 juni 2022 op het politiebureau een politiefunctionaris met een achterwaartse trap heeft geraakt. 

3.12 Op 21 juli 2022 heeft verweerder, namens het echtpaar, klaagster in kort geding gedagvaard.

3.13 Op 11 augustus 2022 is het kort geding mondeling behandeld. Klaagster was daarbij niet aanwezig en tegen haar is verstek verleend.   3.14 Bij (verstek)vonnis van 18 augustus 2022 heeft de kantonrechter bij wege van voorlopige voorziening klaagster verboden het gehuurde te betreden en haar bevolen de ontruiming te gedogen. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

3.15     Op 15 maart 2023 heeft de kantonrechter vonnis gewezen in de bodemprocedure.  De kantonrechter heeft geoordeeld dat geen sprake is geweest van een rechtmatige ontruiming en de vordering tot ontbinding afgewezen. De kantonrechter heeft daarover onder meer overwogen:

“Op 14 juli 2022 was er nog sprake van een huurovereenkomst tussen partijen. Zoals [echtpaar] erkennen is voorts ontruiming zonder vonnis niet toegestaan. Dit betekent dat [echtpaar] in strijd met de huurovereenkomst en zonder rechtelijke titel het gehuurde hebben ontruimd. [Echtpaar] hebben niet toegelicht waarom zij toch gerechtigd waren het gehuurde te ontruimen. De blote stelling “nood de wet breekt” is daarvoor onvoldoende en vindt als zodanig ook geen steun in het recht. Van [echtpaar] had kunnen worden verlangd dat ze de procedure in kortgeding afwachtten.” 

4 KLACHT

4.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet doordat verweerder aan zijn cliënten heeft  geadviseerd om klaagster uit haar woning te laten ontruimen zonder geldige titel en zonder een rechterlijk vonnis.

4.2  De klachtomschrijving is tijdens het onderzoek ter zitting bij de raad in samenspraak met klaagster en haar gemachtigde geformuleerd. 

 

5 BEOORDELING RAAD

5.1 Verweerder heeft in zijn e-mail van 11 juli 2022 zijn cliënten geadviseerd klaagsters kamer te ontruimen, terwijl daartoe nog geen titel was (zoals verweerder in zijn e-mail aan zijn cliënten ook opmerkt). Verweerder heeft zijn cliënten feitelijk geadviseerd iets te doen dat onrechtmatig is en waardoor klaagsters belangen ernstig zouden worden geschonden. Zijn cliënten hebben dat advies ook opgevolgd. De kantonrechter heeft bij vonnis van 15 maart 2023 vastgesteld dat de ontruiming onrechtmatig was.

5.2 De raad heeft geoordeeld dat een dergelijk advies tot onrechtmatig handelen in dit geval tuchtrechtelijk laakbaar is. Het is evident dat het advies van verweerder in het belang van zijn cliënten was, gelet op wat verweerder over de situatie en zijn cliënten heeft geschetst, maar hij had naar het oordeel van de raad niet mogen adviseren tot onrechtmatig handelen. Dat verweerder op of rond  11 juli 2022 andere (rechtmatige) opties heeft overwogen of geadviseerd, is niet gebleken. Een optie had kunnen zijn het zo snel mogelijk starten van een kort geding tot ontruiming, zodat er een titel was voor de ontruiming. 

5.3 Verweerder heeft met dit advies klaagsters belangen onnodig en/of onevenredig geschaad.  Door verweerders advies kwam klaagster, een volgens de raad kwetsbare jonge vrouw, plotseling op straat te staan. De raad acht de maatregel van waarschuwing passend.

 

6 BEROEPSGRONDEN EN VERWEER

Beroepsgronden verweerder

Met betrekking tot de motivering door de raad 

6.1 Verweerder voert aan dat de gegrondbevinding van de klacht door de raad summier is gemotiveerd. Volgens verweerder is evident dat een kort geding vanwege de onveiligheid die zijn cliënten ervoeren geen reële optie was. Als verweerder zijn cliënten had geadviseerd eerst een kort geding procedure af te wachten, zou hij de kernwaarden partijdigheid en integriteit hebben geschonden. 

6.2 Klaagsters belang bij haar klacht is volgens verweerder alleen dat zij niet de tijd heeft gehad om naar een andere kamer om te zien. Volgens verweerder was er geen voorzienbaarheid van ernstig nadeel voor klaagster die, aldus verweerder, bij een vriendin is ingetrokken. Volgens verweerder is klaagster niet op straat beland en twee jaar dakloos gebleven. Het belang van zijn cliënten had volgens verweerder voorrang boven het belang van klaagster en het algemeen belang (naleving van de wet). Verweerder wijst hierbij ook op het agressieve gedrag van klaagster waarvoor zij strafrechtelijk is veroordeeld. 

6.3 Gelet op de ruime tuchtrechtelijke beoordelingsruimte en verweerder met zijn advies in wezen moest kiezen tussen twee kwaden, hoort verweerder in tuchtrechtelijke zin het voordeel van de twijfel te krijgen. 

Met betrekking tot de maatregel 

6.4  De opmerking van de raad dat klaagster een kwetsbare jonge vrouw is, lijkt eerder betrekking te hebben op het oordeel van de raad dat de handelwijze van verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar is en niet zozeer op in welke mate. Als deze opmerking wel meeweegt in de opgelegde maatregel, stelt verweerder dat ook de kwetsbaarheid van zijn cliënten daarin betrokken had moeten worden. 

Verweer klaagster

6.5 Door klaagster is geen verweerschrift ingediend. 

 

7 BEOORDELING HOF

Maatstaf

7.1 Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. De maatstaf die het hof bij de beoordeling daarvan aanlegt is mede ingegeven door de voor advocaten geldende kernwaarde partijdigheid en houdt het volgende in. Een advocaat geniet een grote mate van vrijheid om de belangen van zijn cliënt te behartigen op de wijze die hem passend voorkomt. Deze vrijheid mag niet ten gunste van een wederpartij worden beperkt, tenzij haar belangen nodeloos en op ontoelaatbare wijze worden geschaad. Zo mag de advocaat (a) zich niet onnodig grievend uitlaten over de wederpartij, (b) geen feiten poneren waarvan hij de onwaarheid kent of redelijkerwijs kan kennen, (c) bij de behartiging van de belangen van zijn cliënt de belangen van de wederpartij niet onnodig of onevenredig schaden zonder redelijk doel. Daarbij geldt verder dat de advocaat de belangen van zijn cliënt dient te behartigen aan de hand van het feitenmateriaal dat zijn cliënt hem verschaft, en dat hij in het algemeen mag afgaan op de juistheid daarvan en slechts in uitzonderingsgevallen gehouden is de juistheid daarvan te verifiëren. De advocaat hoeft in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat hij voor zijn cliënt wil bereiken met de middelen waarvan hij zich bedient, opweegt tegen het nadeel dat hij daarmee aan de wederpartij toebrengt. Wel moet de advocaat zich onthouden van middelen die op zichzelf beschouwd ongeoorloofd zijn of die, zonder dat zij tot enig noemenswaardig voordeel van zijn cliënt strekken, onevenredig nadeel aan de wederpartij toebrengen.

7.2 De tuchtrechter dient bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in artikel 10a Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen wel van belang zijn, gezien ook het open karakter van de behoorlijkheidsnorm in artikel 46 Advocatenwet. Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld.

Overwegingen hof

Ten aanzien van het advies van verweerder

7.3 Het advies van verweerder aan zijn cliënten om de kamer van klaagster te ontruimen terwijl daarvoor een rechtsgeldige titel ontbrak, is civielrechtelijk een evident onjuist advies en daarmee tuchtrechtelijk verwijtbaar. Dit advies diende weliswaar het belang van de cliënten van verweerder doch op het moment dat verweerder zijn advies gaf, had verweerder geen informatie hoe (on)evenredig dit advies voor klaagster kon uitpakken. De klacht van klaagster over dit advies acht het hof gegrond. 

Ten aanzien van de door de raad opgelegde maatregel

7.4 Het uitgangspunt is dat een maatregel wordt opgelegd in het geval een klacht gegrond is. In de bijzondere omstandigheden van de kwestie tussen klaagster en de cliënten van verweerder ziet het hof echter aanleiding om aan verweerder geen maatregel op te leggen. Het hof licht dit als volgt toe.

7.5 Uit het klachtdossier blijkt dat op 19 juni 2022 en op 2 juli 2022 incidenten zijn geweest tussen klaagster en het echtpaar in de woning van het echtpaar. Daarop heeft het echtpaar op 6 juli 2022 verweerder gevraagd hen bij te staan. In hoger beroep heeft verweerder verklaard dat het echtpaar tijdens het gesprek op 6 juli 2022 onder meer heeft verteld dat de politie van het incident op 2 juli 2022 geen aangifte wilde opnemen omdat het echtpaar toen niet met de dood is bedreigd. 

7.6 Die mededeling, de leeftijd van het echtpaar (toen 72 en 64 jaar), de omstandigheid dat beide incidenten in de woning van het echtpaar hadden plaatsgevonden waardoor het echtpaar zich onveilig voelde, mevrouw D. bij het incident op 19 juni 2022 gewond was geraakt en het echtpaar aan verweerder vertelde dat de vriend van klaagster op 2 juli 2022 mevrouw D. had bedreigd, waren voor verweerder redengevend om op 11 juli 2022 aan het echtpaar het advies te geven tot ontruiming van de kamer van klaagster. 

7.7 De klacht ziet op het handelen van verweerder als advocaat van de tegenpartij van klaagster. Het is de primaire taak van verweerder de belangen van zijn cliënten te behartigen en daarbij geniet verweerder een grote mate van vrijheid. Het hof is tijdens het onderzoek ter zitting gebleken dat verweerder niet lichtvaardig tot zijn advies is gekomen maar dat het samenstel van de door verweerder genoemde, in overweging 7.6 opgenomen, omstandigheden hem tot de conclusie bracht dat van het echtpaar niet kon worden verlangd dat zij de procedure in kort geding zouden afwachten. 

7.8 Daarbij heeft verweerder in zoverre oog gehouden voor de belangen van klaagster dat hij 1) erop heeft toegezien dat het echtpaar ervoor heeft gezorgd dat klaagster haar persoonlijke eigendommen kon ophalen en 2) klaagster kort na 11 juli 2022 in kort geding heeft gedagvaard  teneinde een titel te verkrijgen voor de ontruiming. 

Slotsom

7.9  Uit het voorgaande volgt dat de klacht gegrond is. Gelet op de hiervoor uiteengezette bijzondere omstandigheden acht het hof het passend en geboden om geen maatregel aan verweerder op te leggen. 

8 BESLISSING

Het Hof van Discipline:

 

vernietigt de beslissing van 27 januari 2025 van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag, genomen onder nummer 24-492/DH/DH, voor zover aan verweerder de maatregel van een waarschuwing is opgelegd en bekrachtigt de beslissing voor het overige.

 

Deze beslissing is genomen door mr. drs. P. Fortuin, plaatsvervangend voorzitter, mrs. K. van Dijk en Chr. van Dijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.P.D. van Grondelle, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 16 februari 2026.

 

griffier    voorzitter             

 

De beslissing is verzonden op 16 februari 2026