Rechtspraak
Uitspraakdatum
26-01-2026
ECLI
ECLI:NL:TADRSHE:2026:17
Zaaknummer
25-704/DB/OB
Inhoudsindicatie
Raadsbeslissing. Klacht over de advocaat van de wederpartij in een incassozaak. De verwijten dat in de door verweerster verzonden sommatiebrief buitensporige extra kosten worden gevorderd, die bij een andere partij thuishoren, dat verweerster geen afstand heeft genomen van het pestgedrag van haar cliënte door met opzet een e-mail te sturen op het algemene e-mailadres van klaagsters onderneming, zodat klaagsters collega’s de e-mail hebben kunnen lezen, terwijl klaagster de e-mail wegens een technische storing niet heeft ontvangen, dat zij, ondanks betaling van de volledige vordering niet het bericht heeft gestuurd dat de zaak was afgewikkeld en dat zij niet op klaagsters e-mail van 18 december 2024 heeft gereageerd zijn ongegrond.
Uitspraak
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort ‘s-Hertogenbosch van 26 januari 2026
in de zaak 25-704/DB/OB
naar aanleiding van de klacht van:
klaagster
over:
verweerster
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 18 december 2024 heeft klaagster tegen verweerster een klacht ingediend bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Oost-Brabant (hierna: “de deken”).
1.2 Op 16 oktober 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 48|24|165K van de deken ontvangen.
1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 15 december 2025. Verschenen is verweerster, bijgestaan door mr. Van H, advocaat. Klaagster is niet verschenen.
1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de volgende nagekomen stukken: - de e-mail van klaagster van 15 december 2025.
2 FEITEN
2.1 Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.2 Klaagster exploiteert een eenmanszaak, genaamd “H”. H verzorgt (onder meer) taalonderwijs. Klaagster heeft een geschil (gehad) met mevrouw A, hierna: “A”, die op grond van een overeenkomst van opdracht als docent werkzaamheden heeft verricht voor klaagster.
2.3 Op 1 oktober 2024 heeft A zich voor rechtsbijstand gewend tot verweersters kantoorgenoot mr. L met de opdracht een openstaande vordering op klaagster te incasseren. De vordering bestond uit een drietal openstaande facturen van A aan klaagster ter zake door A voor klaagster verrichte werkzaamheden.
2.4 Mr. L heeft op 4 oktober 2024 een eerste sommatiebrief gestuurd. In deze brief werd betaling gevorderd van een hoofdsom ten bedrage van € 10.365,25, vermeerderd met rente (tot en met 4 oktober 2024) ten bedrage van € 198,15 en de buitengerechtelijke kosten van € 878,65. Deze sommatiebrief is verzonden per post en per e-mail aan het e-mailadres taal@ [h….].nu, zijnde het algemene e-mailadres van H zoals vermeld in het handelsregister van de Kamer van Koophandel.
2.5 Bij per e-mail verzonden brief van 10 oktober 2024 heeft mr. L klaagster wegens het uitblijven van betaling nogmaals gesommeerd tot betaling van de vordering, die inmiddels was opgelopen tot een totaalbedrag van € 11.459,39, en, voor het geval betaling nog steeds zou uitblijven, een faillissementsaanvraag aangekondigd.
2.6 Op 14 oktober 2024 heeft A betaling van een bedrag van € 4.318,18 van klaagster ontvangen.
2.7 Bij per e-mail verzonden brief van 16 oktober 2024 heeft mr. L klaagster gesommeerd om het restant van de vordering van € 7.162,18 binnen drie dagen te voldoen. In de brief heeft mr. L de samenstelling van de restantvordering gespecificeerd toegelicht.
2.8 Bij afwezigheid wegens vakantie heeft verweerster de behandeling van de incassozaak van mr. L overgenomen. Bij per e-mail (wederom naar het e-mailadres taal@ [h….].nu) verzonden brief van 1 november 2024 heeft verweerster klaagster wegens het uitblijven van betaling gesommeerd tot betaling van de restantvordering, die was opgelopen tot € 7.199,97.
2.9 Op 16 december 2024 heeft verweerster nogmaals per e-mail een sommatiebrief aan klaagster gestuurd. In deze brief heeft verweerster klaagster als volgt bericht:
“In bovengenoemde zaak werd door mijn cliënte op 14-10-2024, 21-11-2024 en 05-12-2024 betalingen van in totaal € 10.365,25 ontvangen. Op grond van art. 6:44 Burgerlijk Wetboek (BW) strekken deze ontvangen betalingen eerst in mindering op de buitengerechtelijke kosten en vervolgens op de rente. Het restant wordt in mindering gebracht op de hoofdsom. Doordat de betalingstermijn ruimschoots was verstreken, was u ex art. 6:119 e.v. juncto 6:81 en 83 BW rente verschuldigd. Ten aanzien van de buitengerechtelijke kosten is maatgevend, dat het verschuldigde bedrag niet door cliënte was ontvangen op het moment dat zij de zaak ter incassering aan mij uit handen gaf. Overzicht vordering Op dit moment dient u zodoende nog een bedrag te voldoen van € 1.219,22, volgens onderstaande specificatie: (…) Betaling Tenzij ik uiterlijk 19 december 2024 betaling zal hebben ontvangen van het door u nog verschuldigde bedrag, zal ik onverwijld en zonder nadere aankondiging overgaan tot het nemen van reeds eerder aangekondigde rechtsmaatregelen. (…)”
2.10 Klaagster heeft het bedrag van € 1.219,22 op 18 december 2024 voldaan. Bij brief van 18 december 2024 heeft klaagster zich bij verweerster beklaagd over gedragingen van A en over de gevorderde buitengerechtelijke kosten en rente. Klaagster heeft voorts aan verweerster medegedeeld dat zij een klacht tegen haar indient bij de deken.
2.11 Op 18 december 2024 heeft klaagster tegen verweerster een klacht ingediend bij de deken.
3 KLACHT
3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt verweerster het volgende:
1. In de door verweerster verzonden sommatiebrief worden buitensporige extra kosten gevorderd, die bij een andere partij thuishoren.
2. Verweerster heeft geen afstand genomen van het pestgedrag van haar cliënte door met opzet een e-mail te sturen naar het algemene e-mailadres van klaagsters onderneming, zodat klaagsters collega’s de e-mail hebben kunnen lezen, terwijl klaagster de e-mail wegens een technische storing niet heeft ontvangen.
3. Ondanks betaling van de volledige vordering heeft verweerster niet het bericht gestuurd dat de zaak was afgewikkeld.
4. Verweerster heeft niet op klaagsters e-mail van 18 december 2024 gereageerd.
4 VERWEER
4.1 Verweerster heeft verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
5 BEOORDELING
5.1 Toetsingskader
Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is. Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie te controleren. Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij aan de wederpartij toebrengen.
5.2 Beoordeling
Klachtonderdeel 1
Klaagster verwijt verweerster dat in de door verweerster verzonden sommatiebrief buitensporige extra kosten worden gevorderd, die bij een andere partij thuishoren. De raad acht goed voorstelbaar dat klaagster de ontvangst van sommatiebrieven en de verhoging van de openstaande vordering met incassokosten en rente als onprettig heeft ervaren. Dat betekent echter niet dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Het was de taak van verweerster om de belangen van haar cliënte te behartigen en om in dat verband klaagster te sommeren tot betaling. Omdat klaagster de facturen van A niet binnen de gestelde termijn had voldaan en A werd genoodzaakt tot inschakeling van rechtsbijstand, werd de hoofdsom vermeerderd met buitengerechtelijke kosten en rente. Verweerster heeft niet tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld door betaling van een vergoeding voor buitengerechtelijke kosten en rente te vorderen en de gevorderde bedragen zijn ook niet buitensporig. Voor de juistheid van klaagsters stelling dat de gevorderde buitengerechtelijke kosten en rente “bij een andere partij thuishoren” heeft de raad in de overgelegde stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht geen enkel aanknopingspunt gevonden, terwijl verweerster genoegzaam gemotiveerd heeft toegelicht dat klaagster geen kosten heeft voldaan die geen verband houden met de openstaande vordering van A op klaagster. Klachtonderdeel 1 is op grond van het voorgaande ongegrond.
5.3 Klachtonderdeel 2
Klaagster verwijt verweerster dat zij geen afstand heeft genomen van het pestgedrag van haar cliënte door met opzet een e-mail te sturen naar het algemene e-mailadres van klaagsters onderneming, zodat klaagsters collega’s de e-mail hebben kunnen lezen, terwijl klaagster de e-mail wegens een technische storing niet heeft ontvangen. Verweerster heeft ook dit klachtonderdeel uitdrukkelijk weersproken. De raad heeft niet kunnen vaststellen dat verweerster met opzet e-mails naar klaagsters algemene e-mailadres heeft gestuurd met het doel om klaagster te pesten of anderszins te schaden. Vast staat dat verweerster de sommatiebrieven heeft gestuurd naar het e-mailadres dat is vermeld in het handelsregister van de Kamer van Koophandel en dat stond haar vrij, nu zij erop mocht vertrouwen dat klaagsters onderneming op dat e-mailadres bereikbaar was en kon worden aangeschreven. De door klaagster gestelde technische storing maakt dit niet anders. Indien en voor zover het e-mailadres (tijdelijk) niet in gebruik was wegens een technische storing kan verweerster dit niet tuchtrechtelijk worden verweten. Ook klachtonderdeel 2 is op grond van het voorgaande ongegrond.
5.4 Klachtonderdelen 3 en 4
De klachtonderdelen 3 en 4 hangen met elkaar samen en lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Klaagster verwijt verweerster dat zij ondanks betaling van de volledige vordering niet het bericht heeft gestuurd dat de zaak was afgewikkeld en dat zij niet heeft gereageerd op klaagsters e-mail van 18 december 2024. Ook deze verwijten heeft verweerster gemotiveerd weersproken. De raad overweegt als volgt. Nu niet is gebleken dat klaagsters belangen onnodig of op een ontoelaatbare manier zijn geschaad doordat zij van verweerster geen afsluitend bericht of een reactie op de e-mail van 18 december 2024 heeft ontvangen, kan verweerster geen tuchtrechtelijk verwijt worden gemakt van het feit dat zij niet heeft gereageerd en geen afsluitend bericht heeft gestuurd. Ook deze klachtonderdelen zijn naar het oordeel van de raad ongegrond.
5.5 De raad komt op grond van het voorgaande tot de slotsom dat niet is gebleken dat verweerster de grenzen van de aan haar, in haar hoedanigheid van advocaat van de wederpartij, toekomende vrijheid heeft overschreden. De raad zal de klacht in alle onderdelen ongegrond verklaren.
BESLISSING
De raad van discipline: - verklaart de klacht in alle onderdelen ongegrond.
Aldus beslist door mr. P.A.M. Wijffels, voorzitter, mrs. M.J. Hoekstra, M.M.C. van de Ven, leden, bijgestaan door mr. T.H.G. Huber-van de Langenberg als griffier, en uitgesproken op 26 januari 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 26 januari 2026
