Rechtspraak
Uitspraakdatum
12-01-2026
ECLI
ECLI:NL:TADRSGR:2026:8
Zaaknummer
25-269/DH/RO
Zaaknummer
25-271/DH/RO
Inhoudsindicatie
Raadsbeslissing. Klacht over het optreden van de eigen advocaat in een voorlopig getuigenverhoor. Niet blijkt dat verweerder onvoldoende partijdig is geweest. Klagers waren het eens met het verzoek zoals dat is ingediend en verweerder heeft onweersproken gesteld dat er geen redenen warden de uitgezette processtrategie te wijzigen. Er is regelmatig en uitvoerig contact geweest tussen klagers en verweerder. Klacht in alle onderdelen ongegrond.
Uitspraak
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 12 januari 2026 in de zaken 25-269/DH/RO en 25-271/DH/RO naar aanleiding van de klacht van:
1. [..] 2. [..] tezamen aangeduid als klagers
over
verweerder
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE 1.1 Op 26 november 2024 heeft klager sub 1. bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Rotterdam (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder (zaak 25-269/DH/RO). 1.2 Op 12 december 2024 heeft klager sub 1. namens klager sub 2. bij de deken een tweede – gelijkluidende – klacht ingediend over verweerder (zaak 25-271/DH/RO). 1.3 Op 23 april 2025 heeft de raad de klachtdossiers met kenmerk R 2025/044 (zaak 25-269/DH/RO) en R 2025/044 (zaak 25-271/DH/RO) van de deken ontvangen 1.4 Op verzoek van klagers is van een behandeling ter zitting afgezien. Desgevraagd heeft verweerder daarmee ingestemd. 1.5 De raad heeft kennisgenomen van de in 1.2 en 1.3 genoemde klachtdossiers en van de op de inventarislijsten genoemde bijlagen 1 tot en met 17 (R 2025/044) respectievelijk 1 tot en met 13 (R 2025/045). Ook heeft de raad kennisgenomen van de door klager op 11 mei 2025 nagezonden reactie op de dekenvisie in beide klachtzaken d.d. 26 maart 2025.
2 FEITEN 2.1 Voor de beoordeling van de klachten gaat de raad, gelet op de klachtdossiers, uit van de volgende feiten. 2.2 Klagers hebben geschillen met verschillende (jeugd)zorginstanties over de kwaliteit van de hulpverlening. In verband daarmee hebben zij zich medio 2023 tot een voormalig kantoorgenote van verweerder (mr. H.) gewend. 2.3 Op 18 december 2023 heeft mr. H. bij de rechtbank namens klagers een door klagers op 13 december 2023 goedgekeurd verzoekschrift tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor ingediend. 2.4 Per e-mail van 21 februari 2024 heeft mr. H. aan klager bericht per 1 maart 2024 het kantoor te verlaten en de zaak over te dragen aan verweerder. In dezelfde mail heeft zij klager sub 1 verzocht zijn verhinderdata aan verweerder door te geven in verband met het agenderen van de getuigenverhoren door de rechtbank. 2.5 Vanaf 21 februari 2024 heeft verweerder de behandeling van de zaak van klagers op zich genomen. 2.6 Op 3 en 10 mei 2024 hebben besprekingen (in persoon) tussen klagers en verweerder plaatsgevonden. 2.7 Op 6 en 15 juni 2024 heeft klager zelf rechtstreeks stukken aan de rechtbank gezonden. De rechtbank heeft deze stukken op 25 juni 2024 aan verweerder gezonden met de mededeling deze niet in behandeling te zullen nemen. 2.8 De voorlopige getuigenverhoren waren door de rechtbank aanvankelijk bepaald op 18 juni 2024. Op 17 juni 2024 te 14.36 uur heeft verweerder de rechtbank bericht wegens overmacht (zware griep) niet in staat te zijn de zitting op 18 juni 2024 bij te wonen en heeft hij verzocht om uitstel. De datum voor de zitting is door de rechtbank nader bepaald op 17 december 2024. Partijen zijn daarvan op 15 juli 2024 op de hoogte gebracht. 2.9 Bij e-mailberichten van 3 en 29 augustus 2024 hebben klagers verweerder geïnformeerd geen vertrouwen meer in hem te hebben. 2.10 Ondertussen had klager sub 1 zich tot mr. D. gewend en haar stukken gezonden. Bij die stukken bevonden zich ook de stukken van het voorlopig getuigenverhoor. Per e-mail van 29 augustus 2024 heeft mr. D. “na bestudering van een lijvig dossier” aan klager sub 1 bericht bereid te zijn de behandeling van de zaak van verweerder over te nemen. Daarbij vermeldt zij: ‘Ik kan u geen succes garanderen, maar wel toezeggen dat ik mijn uiterste best zal doen (…) om voor u en uw zoon (…) het beste resultaat te behalen.” Bij deze e-mail is door mr. D. een document met de naam “Tijdlijn [klager sub 2].” gevoegd. 2.11 Na telefonisch overleg met klager sub 1. heeft verweerder hem per e-mail van 2 september 2024 de opzegging van de dienstverlening bevestigd en geïnformeerd over de gevolgen daarvan in verband met de lopende procedure. 2.12 Per brief aan de rechtbank d.d. 6 september 2024 heeft verweerder zich in de procedure betreffende het voorlopig getuigenverhoor als advocaat van klagers onttrokken. 2.13 Per e-mail van 11 september 2024 heeft mr. D. verweerder bericht dat klager sub 1. haar heeft verzocht in de procedure betreffende het verzoek voorlopig getuigenverhoor op te treden als opvolgend advocaat. In reactie daarop heeft verweerder haar diezelfde dag zijn onttrekkingsbrief aan de rechtbank toegezonden en haar laten weten geen bezwaar te hebben tegen overname van de zaak. 2.14 Op 13 september 2024 heeft klager sub 1. bij verweerder een klacht over hem ingediend. 2.15 Op 16 september 2024 heeft mr. D. het verzoek om een voorlopig getuigenverhoor ingetrokken. 2.16 Verweerder heeft op 26 september 2024 op de tegen hem ingediende klacht gereageerd. In reactie daarop heeft klager sub 1. aangekondigd zeker een klacht bij de deken te zullen indienen. De klachtenfunctionaris van het kantoor van verweerder heeft hem vervolgens bericht de interne klachtenprocedure te sluiten. 2.17 Per e-mail van 7 oktober 2024 heeft klager sub 1. aan mr. D. verzocht het verzoek voorlopig getuigenverhoor ook namens klager sub 2. in te trekken. 2.18 Mr. D. heeft klager sub 1. per e-mail van 8 oktober 2024 het volgende bericht over de bijstand aan klager sub 2. (R.): “(…) de vraag is of ik namens R. überhaupt iets kan doen omdat ik jou al bijsta in de zaak mbt de zorgmachtiging voor R.. Ik twijfel of dat een goed idee is. Als ik dit namens R. doe, zou ik als advocaat van jouw zoon optreden en zou hij officieel mijn client zijn (geweest). Dit kan ertoe leiden dat ik op enig moment jullie beiden zal moeten zeggen dat ik jullie niet meer kan bijstaan wanneer er tegenstrijdige belangen zouden ontstaan (zoals in de zorgmachtigingsprocedure). R. zal waarschijnlijk een advocaat op basis van toevoeging kunnen krijgen die namens hem de procedure intrekt. (…)” 2.19 Op 8 oktober 2024 heeft klager verweerder en zijn kantoor aansprakelijk gesteld. 2.20 Op 26 november respectievelijk 12 december 2024 hebben klagers bij de deken een klacht ingediend over verweerder.
3 KLACHT 3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet doordat hij: a) onvoldoende partijdig is geweest in zijn bijstand aan klager en zijn zoon en de wederpartij te veel ruimte heeft geboden. Ook is geen sprake geweest van actief overleg over de getuigenverhoren, maar heeft verweerder slechts weerstand geboden aan de wensen van klagers. b) klager en zijn zoon heeft misleid door hen onvolledig te informeren inzake de risico’s van de aangegane procedures, nu klagers later is gebleken dat de procedure van een voorlopig getuigenverhoor niet nodig was nu de feiten voldoende duidelijk waren. c) klager en zijn zoon niet dan wel niet tijdig heeft geïnformeerd over de lopende procedure, zoals over (het uitstel van) de zitting en daarnaast onvoldoende schriftelijk heeft gecommuniceerd naar klagers. d) zich op onjuiste wijze als advocaat heeft onttrokken. 3.2 De raad zal hierna op de klachtonderdelen ingaan.
4 VERWEER 4.1 Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
5 BEOORDELING Toetsingskader 5.1 De raad neemt bij de beoordeling van de klacht als uitgangspunt dat, gezien het bepaalde in artikel 46 Advocatenwet, de tuchtrechter mede tot taak heeft de kwaliteit van de dienstverlening te beoordelen indien daarover wordt geklaagd. Bij deze beoordeling geldt dat de tuchtrechter rekening houdt met de vrijheid die de advocaat heeft met betrekking tot de wijze waarop hij een zaak behandelt en met de keuzes waar de advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. De vrijheid die de advocaat heeft met betrekking tot de wijze waarop hij een zaak behandelt en de keuzes waar hij voor kan komen te staan, zijn niet onbeperkt, maar worden begrensd door de eisen die aan de advocaat als opdrachtnemer in de uitvoering van die opdracht mogen worden gesteld en die met zich brengen dat zijn werk dient te voldoen aan datgene wat binnen de beroepsgroep als professionele standaard geldt. Die professionele standaard veronderstelt een handelen met de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht (zie Hof van Discipline 5 februari 2018 ECLI:NL:TAHVD:2018:32) en omvat onder meer het inschatten van de slagingskans van een aanhangig te maken procedure en het informeren van de cliënt daarover. De cliënt dient door de advocaat gewezen te worden op wat in zijn zaak de proceskansen zijn en wat het kostenrisico is. Voorts dienen processtukken te voldoen aan de redelijkerwijs daaraan te stellen eisen. 5.2 Verder geldt dat de tuchtrechter niet gebonden is aan de gedragsregels maar dat die regels gezien het open karakter van de wettelijke normen in artikel 46 Advocatenwet ter invulling van deze normen wel van belang zijn. Met betrekking tot de relatie met de cliënt is onder meer gedragsregel 16 lid 1 geformuleerd, waaruit volgt dat de advocaat zijn cliënt op de hoogte dient te brengen van belangrijke informatie, feiten en afspraken. Dit alles moet de advocaat ter voorkoming van misverstand, onzekerheid of geschil, schriftelijk aan de cliënt bevestigen. 5.3 De raad zal de verschillende klachtonderdelen aan de hand van bovenstaande uitgangspunten beoordelen. Klachtonderdeel a) 5.4 Naar het oordeel van de raad blijkt uit de zich in het dossier bevindende stukken niet dat verweerder onvoldoende partijdig is geweest bij de behartiging van de belangen van klagers. Dat verweerder tijdens een bespreking advocaat van de duivel speelde, is daartoe onvoldoende. Dat hij die rol aannam, is geen ongebruikelijk onderdeel van een bespreking van (de merites van) een zaak en/of de voorbereiding van getuigenverhoren en betekent niet dat verweerder niet partijdig zou zijn. Dit klachtonderdeel is derhalve ongegrond. Klachtonderdeel b) 5.5 Vast staat dat het verzoek voorlopig getuigenverhoor is ingediend door mr. H. voordat verweerder de behandeling van de zaak van haar overnam. Vast staat voorts dat klagers op 13 december 2023 met de inhoud van dit verzoekschrift hebben ingestemd. Sterker nog, zij hebben op diezelfde datum zelfs uitdrukkelijk aan mr. H. verzocht tot indiening ervan over te gaan. Verweerder heeft onweersproken gesteld dat er geen redenen waren de reeds door mr. H. uitgezette processtrategie te wijzigen en het dossier biedt daar ook geen aanknopingspunten voor. In zaken waarin op voorhand onvoldoende duidelijkheid bestaat over de concrete feiten en daarmee samenhangend de bewijspositie van de eisende partij, is een voorlopig getuigenverhoor in zijn algemeenheid ook geen ongebruikelijke of onjuiste keuze. Van misleiding of verstrekken van onjuiste informatie door verweerder is naar het oordeel van de raad geen sprake geweest. Dat de opvolgend advocaat een andere visie had over het nut van een voorlopig getuigenverhoor, maakt dat niet anders. Ook dit klachtonderdeel is derhalve ongegrond. Klachtonderdeel c) 5.6 Blijkens de zich in het dossier bevindende stukken is er sinds de overname van de zaak door verweerder op 21 februari 2024 in de aanloop naar de voorlopige getuigenverhoren op 18 juni 2024 regelmatig en uitvoerig contact geweest tussen klagers en verweerder. Er zijn diverse e-mails gewisseld en er hebben twee besprekingen plaatsgevonden (op 3 en 10 mei 2024). Daarmee staat naar het oordeel van de raad vast dat verweerder klagers in voldoende mate heeft geïnformeerd en met hen (ook schriftelijk) heeft gecommuniceerd. Dat klagers wellicht meer contact met verweerder hadden willen hebben, is onvoldoende om tot het oordeel te leiden dat door verweerder klachtwaardig is gehandeld, zeker nu niet blijkt dat klagers die wens destijds kenbaar hebben gemaakt aan verweerder. Dat verweerder door ziekte op het laatste moment om aanhouding van de zitting heeft moeten verzoeken kan hem niet worden verweten. De rechtbank heeft de door hem genoemde reden als overmacht aangemerkt en het uitstel verleend. Op de planning van de nieuwe zittingsdatum heeft verweerder geen invloed gehad. De klacht is ook in zoverre ongegrond. Klachtonderdeel d) 5.7 Ook dit klachtonderdeel is naar het oordeel van de raad ongegrond. Uit de stukken blijkt dat klager sub 1 in augustus 2024 het vertrouwen in verweerder heeft opgezegd en te kennen heeft gegeven de zaak onder te willen brengen bij een andere advocaat. De enige zaak die verweerder op dat moment voor klager sub 1 in behandeling had, was de procedure inzake het voorlopige getuigenverhoor waarin hij als advocaat voor klagers optrad, waarbij klagers eenzelfde belang hebben en gezamenlijk optreden in de procedure. Gelet daarop is niet onbegrijpelijk dat hij ervan uitging dat de opzegging van het vertrouwen niet alleen klager sub 1 maar beide klagers betrof. Dit geldt temeer nu klager sub 1 steeds mede namens klager sub 2 met verweerder communiceerde en uit de brief van klager sub 1 van 3 augustus 2024 volgt dat klager sub 1 mede namens klager sub 2 het vertrouwen in verweerder had opgezegd. Verweerder heeft zich vervolgens als advocaat van beiden onttrokken in de procedure en aan klager sub 1 een kopie van die brief gezonden. De inhoud van die brief is voor klager sub 1 geen aanleiding geweest verweerder erop te wijzen dat hij zich ten onrechte ook voor klager sub 2 had onttrokken. Dat kennelijk mr. D. op 8 oktober 2024 aan klager sub 1 heeft bericht dat zij niet klager sub 2 kon bijstaan wegens een mogelijk tegenstijdig belang, maakt dat niet anders. Conclusie 5.8 Het voorgaande leidt ertoe dat de raad de klachten in beide zaken ongegrond zal verklaren.
BESLISSING De raad van discipline verklaart de klachten ongegrond.
Aldus beslist door mr. A. van Luijck, voorzitter, mrs. A.B. Baumgarten, N. de Boer, E.A.L. van Emden en J.G. Colombijn-Broersma, leden, bijgestaan door mr. M.M.C. van der Sanden als griffier en uitgesproken ter openbare zitting van 12 januari 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 12 januari 2026
