Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

21-01-2026

ECLI

ECLI:NL:TADRSGR:2026:22

Zaaknummer

25-822/DH/DH

Inhoudsindicatie

Voorzittersbeslissing. Klacht over de advocaat wederpartij in een familiezaak. Niet gebleken dat sprake is van onjuiste of onnodig grievende uitlatingen. Evenmin gebleken van een agressieve of escalerende strategie. Verweerster is voldoende duidelijk geweest over de bij haar dagvaarding overgelegde producties. Van traineren of niet reageren op redelijke verzoeken door verweerster is niet gebleken. Klacht in alle onderdelen kennelijk ongegrond.

Uitspraak

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 21 januari 2026 in de zaak 25-822/DH/DH

naar aanleiding van de klacht van:

klager

over:

verweerster gemachtigde: mr. S.H. van Santen

De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag (hierna: de deken) van 24 november 2025 met kenmerk K173 2025 en van de op de bijbehorende inventarislijsten genoemde bijlagen.

1    FEITEN Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten. 1.1    Klager en zijn ex-partner (hierna: de vrouw) hebben een affectieve relatie gehad. Zij hebben samen een minderjarige dochter. Na het verbreken van de relatie zijn geschillen ontstaan over onder meer de zorgregeling met de dochter en de gezamenlijke woning.  1.2    Op 19 juli 2024 heeft verweerster zich als advocaat van de vrouw aan klager bekend gemaakt. In haar e-mail schrijft zij onder meer:  “U kunt niet eenzijdig bepalen wat wel of niet goed voor [dochter] is. (…) Zoals bekend, is het voor een kind van groot belang dat er zolang als mogelijk borstvoeding wordt gegeven en de primaire hechtingsfiguur van een moeder en in de tweede plaats van een vader, betrokken zijn in het leven. (…)  Ten slotte moet mij ten aanzien van dit onderwerp van het hart dat het geen pas geeft om Veilig Thuismeldingen te doen vanwege het feit dat [de vrouw] u de zorg zou onthouden over [dochter]. Dat is geenszins het geval. Het doen van Veilig Thuismeldingen leidt enkel tot communicatieproblemen en loyaliteitsproblemen tussen u beiden als ouders en drijft u verder en verder uit elkaar. (…) Vanwege de hoog oplopende spanningen en het feit dat de situatie thuis onhoudbaar is, gezien de dreigementen die u continue uit, is het van het grootste belang dat deze situatie zo snel als mogelijk wordt beëindigd. (…) Bovendien heeft u meer woonalternatieven dan [de vrouw]. Uw familie woont in de buurt en ook kunt u bij vrienden, al dan niet tijdelijk, verblijven. Vanzelfsprekend is dit geen ideale situatie maar de hoog oplopende spanningen zijn destructief voor niet alleen [de vrouw] maar ook voor [dochter].” 1.3    Op 23 juli 2024 heeft verweerster een e-mail aan klagers advocaat gestuurd. Zij heeft daarbij een bericht voor klager gevoegd waarin onder meer staat: “Gezien de hoog oplopende spanningen van van het weekend en een aantal gebeurtenissen afgelopen zaterdag, zal ik aan de rechter gaan vragen om aan [de vrouw] het uitsluitend gebruik van de woning toe te kennen op de korst mogelijke termijn.” In de e-mail aan klagers advocaat schrijft verweerster onder meer: “De hoog oplopende spanningen eisen hun tol.” 1.4    Na reactie van klagers advocaat heeft verweerster op 24 juli 2024 aan klagers advocaat bericht dat zij nog deze week een kortgedingdagvaarding zal uitbrengen met het verzoek om het uitsluitend gebruik van de woning door de vrouw en een voorlopige zorgregeling.  Verweerster schrijft onder meer:  “Het is helaas niet anders maar de huidige situatie gaan in ieder geval cliënte en daarmee ook [dochter] ten onder.” 1.5    Op 26 juli 2024 heeft verweerster aan klagers advocaat meer geschreven: “Zoals bekend en meermaals aangekondigd, is de situatie thuis voor cliënte onveilig, zijn er zoveel spanningen waar [dochter] ook last van heeft en is recentelijk geprobeerd om [dochter] zelfs uit cliënte haar armen te rukken door uw cliënt met de opmerking “en nu opkankeren mama”. Dit gebeurde om 6.00 uur terwijl cliënte [dochter] aan het voeden was. Dit kan zo niet langer doorgaan. Dat betekent dat cliënte met [dochter] elders onderdak heeft gevonden totdat de rechtbank in kortgeding heeft beslist.” 1.6    Op 28 juli 2024 heeft klagers advocaat gereageerd en onder meer geschreven: “Onze cliënt is bepaald ontdaan van door het in uw e-mail beschreven ‘incident’, omdat dit door uw cliënte geheel uit haar duim gezogen is.”  1.7    Op 30 of 31 juli 2024 heeft verweerster klager in kort geding gedagvaard. In de dagvaarding is onder meer opgenomen: “5. Sinds de geboorte van [dochter] zijn er veel spanningen in de relatie tussen partijen. (…) Dit is al gestart in de kraamweek. De zorgen zijn ook opgemerkt door de kraamverzorgster op dat moment en door de verloskundige. Bijgaand wordt als productie 4 het verslag overgelegd van de kraamweek (…) 6. Het verslag van de verloskundige is kenmerkend voor de relatie tussen partijen en de spanningen die dat opleveren. Ook de kraamverzorgster heeft hierover het nodige genoteerd. Dat verslag is bij de kraamzorginstantie opgevraagd. Na ontvangst zal dit nog als productie worden overgelegd. (…) 11. De vrouw hoopt dat het partijen uiteindelijk lukt al dan niet door middel van inzet en gesprekken via de advocaten dan wel via Tom in de Buurt die inmiddels is ingeschakeld omdat er Veilig Thuis meldingen zijn gedaan door zowel de man als de vrouw (zie bijgaande als productie 8 overgelegde brief)” Als productie 8 is een foto/screenshot van de eerste pagina van een brief van Veilig thuis een klager en de vrouw (d.d. 22 juli 2024) gevoegd. 1.8    Op 5 september 2024 is het kort geding ter zitting behandeld door de rechtbank.  1.9    Op 19 september 2024 heeft de rechtbank vonnis in kort geding gewezen, waarbij het voorlopig uitsluitend gebruik van de woning aan de vrouw is toegewezen en waarbij een voorlopige zorgregeling tussen klager en de dochter is vastgesteld. In het vonnis is onder meer opgenomen: “4.9 De voorzieningenrechter begrijpt dat deze uitkomst voor de man een bittere pil zal zijn. (…) Deze beslissing moet echter – ook door de vrouw – geenszins worden opgevat als een indicatie dat in de spoedig te volgen procedure gezamenlijke toegang ouders, die is gericht op het vinden van een structurele oplossing, een vergelijkbare uitkomst – mede gelet op het belang van de dochter – voor de hand ligt. In die procedure ligt alles nog open.” 1.10    Op 24 september 2024 heeft verweerster aan klagers advocaat onder meer geschreven: “Bijgaand stuur ik u de bevestiging toe dat cliënte mee zal werken aan de procedure gezamenlijke toegang ouders. Echter, de afgelopen dagen zijn er zeer verontrustende zaken aan het licht gekomen die nog nader in de te voeren procedure zullen worden  betrokken en waar ik u nog over informeer. In ieder geval wil ik namens cliënte, uw cliënt op het hart drukken om zich te onthouden van elke negatieve actie, in de breedste zin des woords.” 1.11    Op 25 sept 2024 heeft klagers advocaat daarop gereageerd en onder meer geschreven: “U stelt, dat verontrustende zaken aan het licht zijn gekomen die later nog in de procedure zullen worden betrokken. Ik ben niet bekend met deze zaken, maar kreeg van cliënt de opdracht aan u te laten weten, dat hij beseft dat zijn acties niet chique waren. Hij biedt hiervoor zijn excuses aan. Hij is verschrikkelijk onzeker en bang voor het feit, dat hij [dochter] mogelijk niet meer kan zien. (…) 1.12    In oktober 2024 hebben klagers advocaat en verweerster gecorrespondeerd over de te starten Procedure Gezamenlijke Toegang Ouders (hierna: PGTO) en het daarvoor bij de rechtbank in te dienen formulier. In het PGTO-formulier wordt verzocht om acht data op maandag- en vrijdagochtend door te geven waarop beide ouders en beide advocaten naar de mondelinge behandeling kunnen komen. Verweerster heeft acht data opgegeven, steeds op maandag, in de periode van 21 oktober 2024 tot en met 20 januari 2025. 1.13    Op 22 oktober 2024 heeft de rechtbank aan klagers advocaat en verweerster bericht dat de zaak niet wordt toegelaten tot de PGTO, omdat het deelnameformulier niet op de juiste manier is ondertekend en omdat bijlagen ontbreken. 1.14    Op 25 november 2024 heeft verweerster laten weten dat zij op korte termijn bij de rechtbank een verzoek zal indienen ten aanzien van de kinderalimentatie voor de dochter, de vaststelling van de hoofdverblijfplaats van de dochter en de vastlegging van een zorgregeling. Verweerster heeft verder aangekondigd dat daarnaast een procedure zal worden gestart strekkende tot toedeling van de gezamenlijke woning aan de vrouw.  1.15    Op 5 december 2024 heeft verweerster per e-mail aan klagers advocaat bericht dat de vrouw nog immer openstaat voor het PGTO-traject en dat zij de formulieren, zoals klagers advocaat die bij de rechtbank wil indienen, graag tegemoet ziet.  1.16    In december 2024 en januari en februari 2025 hebben klagers advocaat en verweerster gecorrespondeerd over het opnieuw en aangepast indienen van het PGTO-formulier. Op 19 februari 2025 heeft klagers advocaat het PGTO-formulier bij de rechtbank ingediend. 1.17    Diezelfde dag heeft de rechtbank aan klagers advocaat en verweerster laten weten dat de zaak niet wordt toegelaten tot de PGTO, omdat het ingediende formulier niet voldoet aan de eisen voor deelname en aanvullende bijlagen nodig zijn. 1.18    Op 28 februari 2025 heeft verweerster aan klagers advocaat onder meer geschreven: “In bovengenoemde zaak bericht ik u dat maandag de aanvullende stukken aan de rechtbank zullen worden toegestuurd met bijlagen. (…) Hierbij bericht ik u ook (…) dat ik deze week afwezig ben in verband met vakantie. Reden waarom ik de stukken niet heb kunnen aanleveren bij de rechtbank. Het duurde ook even omdat cliënte nog niet de loonstrook over januari had ontvangen van haar werkgever.” 1.19    Op 5 maart 2025 heeft de rechtbank aan klagers advocaat en verweerster bericht dat de zaak wordt toegelaten tot de PGTO.  1.20    Op 27 maart 2025 heeft klagers advocaat bij de rechtbank aan de orde gesteld dat verweerster op 3 maart 2025 eenzijdig nadere juridische vorderingen en standpunten van de vrouw naar voren heeft gebracht, die niet vooraf tussen partijen zijn besproken of overeengekomen.  1.21    Op 11 april 2025 heeft de rechtbank laten weten dat het in de PGTO aan partijen gezamenlijk is om de te behandelen geschilpunten voor te leggen en dat de rechtbank er daarom vanuit gaat dat de advocaten hierover onderlig overleg voeren.  1.22    Op 30 april 2025 heeft klagers advocaat hierover een voorstel aan verweerster gedaan.  1.23    Op 2 mei 2025 heeft verweerster aan klagers advocaat onder meer geschreven: “In de basis snap ik het bezwaar niet. Van meet af aan is in het PGTO-formulier aangegeven dat partijen het geschil ten aanzien van de financiële afwikkeling aan de rechtbank in het PGTO-traject wensen voor te leggen. Reden waarom ook de rechtbank nog om aanvullende stukken heeft verzocht. Deze hadden dus mogen worden overgelegd. Verder kan ik instemmen met het verweer dat uw cliënt dienaangaande wil voeren aangaande de financiële vordering. Ik lees in uw concept schrijven aan de rechtbank ook dat u nog nadere stukken wilt toesturen die niet zien op deze financiële kwestie. Namens cliënte bericht ik u dat zij daarmee kan instemmen onder de voorwaarde dat uw cliënt instemt met het overleggen van: -    De e-mailberichten die hij naar de werkgever van cliënte heeft toegestuurd en waarbij hij de geluidsopnames overlegt van de gesprekken die bij Tom in de buurt zijn gevoerd alsook de kort geding zitting, de brief van de rechtbank waarin uw cliënt wordt gemaand om te stoppen met het opnemen van zittingen alsook het verspreiden daarvan; -    Post van uw cliënt op social media waarin hij berichten post over het feit dat hij zich achtergesteld voelt als vader in het rechtssysteem van Nederland, dat het rechtssysteem faalt alsook benoemt hij de zorginstanties; -    Andere berichtgeving gericht aan familieleden en kennissen van cliënte waarin hij hen geluidsopnames toestuurt of deelgenoot wil maken van de problematiek die uw cliënt ervaart. Indien u hiermee instemt dan kunnen we de gezamenlijke brief aan de rechtbank maken en indienen.” 1.24    Op 26 juni 2025 heeft klager bij de deken een klacht ingediend over verweerster. 

2    KLACHT 2.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerster het volgende.  a)    Het hanteren van een agressieve strategie en toonzetting: In diverse e-mails en procestukken hanteert verweerster een zeer directe, verwijtende en op de persoon gerichte toon, die niet bijdraagt aan de-escalatie of constructieve oplossing van het geschil. De advocaat dient zich te onthouden van onnodig grievende of kwetsende bewoordingen. Klager wijst met name op citaten uit e-mails van 19, 24 en 26 juli 2024 en 2 mei 2025.  b)    Het niet volledig en transparant overleggen van relevante stukken aan de rechtbank:  Bij de dagvaarding van 30 juli 2024 is als productie 8 slechts de eerste pagina van de Veilig Thuis-brief overgelegd, terwijl op pagina 2 en 3 relevante informatie staat over de visie van de vrouw en de context van het geschil. Door het achterhouden van deze informatie is de rechtbank niet volledig geïnformeerd, wat in strijd is met gedragsregel 8.  In de dagvaarding wordt verwezen naar een verslag van de verloskundige, waarbij wordt gesteld dat de kraamverzorgster haar zorgen zou hebben opgemerkt. Uit navraag bij de verloskundigenpraktijk blijkt echter dat deze rapportage alleen medische gegevens bevatte en dat de kraamverzorgster apart rapporteerde. Dit betekent dat de feitelijke onderbouwing van de stelling in de dagvaarding ontbreekt, wat misleidend kan zijn voor de rechtbank.  c)    Het traineren van het proces en het niet reageren op redelijke verzoeken tot overleg: Klagers advocaat heeft meerdere malen voorstellen gedaan voor overleg of mediation om een kort geding te voorkomen, waarop door verweerster niet of pas na herhaald aandringen is gereageerd. Klager wijst op e-mails van onder meer 30 augustus 2024 en 20 september 2024. In de PGTO-procedure zijn door verweerster alleen beperkte data opgegeven voor overleg, wat het proces heeft vertraagd en bemoeilijkt.  d)    Het veroorzaken van onnodig hoge advocaatkosten aan de zijde van klager: Door de agressieve proceshouding, het niet reageren op voorstellen en het traineren van het overleg, zijn aan klagers zijde aanzienlijke hogere advocaatkosten gemaakt dan redelijkerwijs noodzakelijk zou zijn geweest bij een meer oplossingsgerichte aanpak.  2.2    Klager stelt dat sprake is van een zeer confronterende, weinig oplossingsgerichte en soms misleidende proceshouding, met als gevolg extra stress, vertraging en hoge kosten. 

3    VERWEER 3.1    Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd.  3.2    Klachtonderdeel a) Het stond verweerster vrij zich namens de vrouw klager te berichten zoals zij heeft gedaan. Zij is gebleven binnen de vrijheid die haar toekomst als advocaat om de belangen van haar cliënte te behartigen. In de e-mail van 19 juli 2024 is een opening geboden om in der minne tot een afspraak te komen. Pas als dat niet zou lukken, zou de gang naar de rechter worden gemaakt. 3.3    Klachtonderdeel b) Als productie 8 is inderdaad alleen de eerste pagina van de Veilig Thuis-brief overgelegd. Pagina 2 van de brief betrof alleen een samenvatting van het standpunt van de vrouw (want al was verwoord in de dagvaarding) en pagina 3 betrof alleen de ondertekening. Er is geen sprake van niet of onvolledig informeren van de rechter. Het is verweerster onduidelijk op welke wijze de rechter verkeerd zou zijn geïnformeerd op het punt van het verslag van de verloskundige. Het als productie overgelegde verslag bevat wel degelijk bevindingen van de verloskundige. Van schending van gedragsregel 8 is geen sprake.  3.4    Klachtonderdeel c) Verweerster stelt dat de vrouw niet is ingegaan op het mediationvoorstel van klager, omdat klager meerdere onacceptabele voorwaarden stelde aan het aangaan van mediation. Dit vond de vrouw niet in het belang van de dochter en zichzelf. Zij heeft wel getracht om via de advocaten tot afspraken te komen, wat helaas niet is gelukt. Ook hier treft verweerster geen verwijt. 3.5    Klachtonderdeel d) Verweerster stelt dat het aan klager is om afspraken te maken over de (hoogte van de) vergoeding van de door hem in te schakelen advocaat. Verder geldt dat klager minnelijk overleg of mediation niet kan afdwingen. Het is aan klagers advocaat om klager voor te lichten over (de omvang van) de kosten van de rechtsbijstand. Van enig tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen van verweerster is geen sprake.  3.6    De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

4    BEOORDELING Toetsingskader 4.1    Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is. Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie te controleren.  Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij aan de wederpartij toebrengen. 4.2    Verder geldt dat in familierechtkwesties de advocaat ervoor moet waken dat de verhoudingen tussen partijen niet escaleren. Van de advocaat mag een zekere terughoudendheid worden verwacht in het doen van uitlatingen over de wederpartij die deze naar verwachting als kwetsend zal ervaren, en in het starten van procedures. De advocaat moet daarbij in iedere zaak afwegen: -    het belang van zijn cliënt bij het voeren van de procedure, -    het belang van de wederpartij én dat van de kinderen bij het voorkomen daarvan, -    het verloop van het geschil tot dan toe en -    de kans op succes van de procedure. 4.3    De gedragsregels beogen invulling te geven aan de eisen die mogen worden gesteld aan een goede taakuitoefening door een behoorlijk advocaat. De tuchtrechter toetst aan de norm van artikel 46 Advocatenwet en niet aan de gedragsregels, waarbij de gedragsregels zo nodig wel van betekenis kunnen zijn bij die toets. In deze zaak zijn met name de gedragsregels 5, 7 en 8 relevant:  Gedragsregel 5: De advocaat dient voor ogen te houden dat een regeling in der minne veelal de voorkeur verdient boven een proces. Gedragsregel 7: De advocaat dient zich niet onnodig grievend uit te laten. Gedragsregel 8: De advocaat dient zich zowel in als buiten rechte te onthouden van het verstrekken van feitelijke informatie waarvan hij weet, althans behoort te weten, dat die onjuist is.  Klachtonderdeel a)  4.4    Klager verwijt verweerster in de kern dat zij zich in haar e-mails en processtukken agressief en/of onnodig grievend uitlaat. Klager heeft daarbij gewezen op een aantal concrete voorbeelden. 4.5    De voorzitter is uit de door klager overlegde e-mails en processtukken niet gebleken dat verweerster zich agressief en/of onnodig grievend heeft uitgelaten tegen of over klager. Verweerster heeft als partijdig belangenbehartiger het relaas en het standpunt van haar cliënte verwoord, binnen de ruimte mate van vrijheid die zij daarvoor heeft. Het is voorstelbaar dat klager de inhoud van bepaalde uitlatingen als vervelend en kwetsend heeft ervaren, maar dat maakt ze niet onjuist noch onnodig grievend. Het is de voorzitter niet gebleken dat sprake is van apert onjuiste of onnodig grievende uitlatingen. Evenmin is de voorzitter gebleken van een agressieve of escalerende strategie. Dit verwijt is daarom kennelijk ongegrond.  Klachtonderdeel b)  4.6    Klager verwijt verweerster dat zij niet volledig en transparant is geweest in het overleggen van stukken aan de rechtbank. Hij wijst daarbij allereerst op het niet volledig overleggen van de brief van Veilig Thuis (productie 8). Vaststaat dat verweerster alleen de eerste pagina van de brief heeft overgelegd. Dat blijkt ook duidelijk uit het als productie 8 overgelegde stuk. Ook voor de rechter moet duidelijk zijn geweest dat niet de volledige brief is overgelegd. Verweerster heeft toegelicht dat zij alleen de eerste pagina relevant acht en die daarom heeft overgelegd. Dat mocht zij zo doen. Als klager ook de overige pagina’s van de brief relevant achtte, had hij die zelf kunnen inbrengen bij de rechtbank. Er is op dit punt geen sprake van strijd met gedragsregel 8 of anderszins tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen.  4.7    Klager heeft verder gewezen op het verslag van de verloskundige (productie 4), waarbij door verweerster wordt gesteld dat de kraamverzorgster de zorgen ook zou hebben opgemerkt. Klager stelt dat de als productie gevoegde rapportage alleen medische gegevens bevatte en dat de kraamverzorgster apart registreerde, waardoor de feitelijke onderbouwing van de stelling in de dagvaarding ontbreekt.  4.8    Anders dan klager is de voorzitter van oordeel dat geen sprake is van misleiding. In punt 5 van de dagvaarding is door verweerster verwezen naar het (als productie 4) overgelegde verslag van de kraamweek. Dit is een verslag van de verloskundige. In punt 6 van de dagvaarding heeft verweerster vervolgens geschreven dat ook de kraamverzorgster hierover het nodige heeft genoteerd, dat dit verslag is opgevraagd en na ontvangst nog zal worden overgelegd. Verweerster is daarmee transparant geweest over het door haar overgelegde stuk. Dat het verslag van de kraamverzorgster nog niet was ontvangen, maakt niet dat verweerster daarover nog geen uitlatingen mocht doen. Ook op dit punt is geen sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen. Dit klachtonderdeel is kennelijk ongegrond.  Klachtonderdeel c)  4.9    Klager verwijt verweerster dat zij het proces heeft getraineerd en niet heeft gereageerd op redelijke verzoeken tot overleg. Hoewel een minnelijke regeling veelal de voorkeur verdient boven procederen, betekent gedragsregel 5 geen absolute verplichting daartoe. Een wederpartij kan niet verlangen dat een advocaat in elke situatie tracht een regeling in der minne te treffen. Dit is ter vrije beoordeling van de advocaat en zijn cliënt. 4.10    De voorzitter constateert dat verweerster in haar eerste e-mail (van 19 juli 2024) voorstellen heeft gedaan. Klager is daar niet mee akkoord gegaan en heeft een advocaat ingeschakeld. Vervolgens is verweerster, naar aanleiding van door onder meer een door haar cliënt gerapporteerd incident, een kort geding gestart om toewijzing van de woning te krijgen. Dat mocht zij in het belang van haar cliënte doen. Partijen zijn vervolgens het traject voor de PGTO ingegaan. Dat verweerster daarin getraineerd heeft, is de voorzitter niet gebleken. Het heeft lang geduurd voordat die procedure daadwerkelijk is opgestart, maar dat komt ook doordat het (gezamenlijk) ingediende formulier de eerste keer door de rechtbank niet werd geaccepteerd en klager kennelijk ook van advocaat wisselde. De voorzitter kan klager niet volgen in zijn verwijt dat verweerster beperkte verhinderdata heeft opgegeven. Zij heeft acht dagen opgegeven waarop zij beschikbaar was, zoals vereist. De agenda van een advocaat laat nu eenmaal niet altijd toe dat er op korte termijn nog veel data beschikbaar zijn. Van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen is niet gebleken. 4.11    Dat verweerster niet heeft gereageerd op redelijke verzoeken tot overleg kan de voorzitter niet vaststellen. Klager wijst op e-mails van zijn advocaat, maar heeft de betreffende e-mails niet overgelegd voor in het klachtdossier. Ook anderszins is niet gebleken dat verweerster niet (voldoende) heeft gereageerd op redelijke verzoeken of berichten van klagers advocaat. Ook deze klacht is kennelijk ongegrond.  Klachtonderdeel d)  4.12    Klager verwijt verweerster dat hij door haar toedoen onnodige hoge advocaatkosten moet maken. De voorzitter heeft hiervoor al geoordeeld dat geen sprake is van een agressieve proceshouding, het niet reageren op voorstellen en het traineren van overleg. Alleen al daarom is dit klachtonderdeel kennelijk ongegrond. Klager lijkt uit het oog te verliezen dat verweerster de belangenbehartiger van de vrouw is en dat zij opkomt voor de belangen van de vrouw, ook als dat voor klager vervelend is of tot kosten leidt. Het is de voorzitter niet gebleken dat verweerster op dit punt tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld heeft. Dit klachtonderdeel is kennelijk ongegrond. 

BESLISSING De voorzitter verklaart:  de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond

Aldus beslist door mr. S. Wierink, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. C.M. van de Kamp als griffier en uitgesproken in het openbaar op 21 januari 2026.

Griffier         Voorzitter

Verzonden op: 21 januari 2026