Rechtspraak
Uitspraakdatum
21-01-2026
ECLI
ECLI:NL:TAHVD:2026:15
Zaaknummer
250450
Inhoudsindicatie
Beklag artikel 13 ongegrond. Het hof is van oordeel dat de deken haar stelling dat de procedure die klager wil voeren geen redelijke kans van slagen heeft, voldoende heeft onderbouwd. Terecht heeft de deken gewezen op de vele (kanton)procedures die al zijn gevoerd waarin klager in het ongelijk is gesteld. Het standpunt van de deken dat dit is meegewogen bij de conclusie dat er geen reële kans op succes aanwezig is in de hoger beroepsprocedure die klager wil voeren, is niet onbegrijpelijk of onjuist. Het door klager zelf opgestelde beroepschrift brengt daarin geen verandering. Terecht heeft de deken zich op het standpunt gesteld dat artikel 13 Advocatenwet niet is bedoeld om kansloze of onredelijke procedures te voeren. Ook heeft de deken terecht gewezen op de proceskostenveroordeling in de beschikking van de kantonrechter. Het hof is dan ook van oordeel dat de deken tot de conclusie heeft mogen komen dat, gelet op de inhoud van de beschikking van de kantonrechter een beroep daartegen geen redelijke kans van slagen heeft.
Uitspraak
Beslissing van 21 januari 2026 in de zaak 250450 naar aanleiding van het beklag op grond van artikel 13 Advocatenwet van:
klager tegen: de deken
1 DE PROCEDURE
Bij de deken
1.1 Klager heeft op 10 november 2025 bij de deken een verzoek ingediend tot aanwijzing van een advocaat als bedoeld in artikel 13 lid 1 Advocatenwet om hoger beroep in stellen van een vonnis van de kantonrechter.
1.2 De deken heeft dit verzoek afgewezen met de beslissing van 14 november 2025. De deken heeft aan de afwijzende beslissing ten grondslag gelegd dat het instellen van beroep tegen de beschikking van de kantonrechter van 28 oktober 2025 geen redelijke kans van slagen heeft.
Bij het hof 1.3 Klager heeft op 19 december 2025 een beklag tegen de beslissing van de deken ingediend bij het Hof van Discipline (hierna: het hof).
1.4 Verder bevat het dossier: - het verweer van de deken - de repliek - de dupliek
1.5 Het hof heeft het verzoek in raadkamer behandeld op basis van de stukken uit het dossier.
2 FEITEN
2.1 Het hof stelt de volgende feiten vast.
2.2 Klager heeft verzocht om aanwijzing van een advocaat omdat hij hoger beroep wil instellen tegen een beschikking van de kantonrechter van 28 oktober 2025 met nummer 11185012 \ RP VERZ 24-50395. De kantonrechter heeft in zijn beschikking bepaald dat de besluiten die tijdens de vergaderingen van de VVE van 31 mei 2024 en 14 juni 2024 zijn genomen, nietig zijn.
2.3 De kantonrechter heeft in zijn vonnis van 28 oktober 2025 onder meer overwogen dat: - klager en zijn wederpartij respectievelijk onder- en bovenbuurman van elkaar en de enige eigenaren in het pand (…) te Den Haag zijn; - klager in 2021, 2022, 2023 en 2024 VVE vergaderingen heeft belegd, waarbij de wijze van vergaderen in rechte als onredelijk is beoordeeld; - er door klager allerlei onderwerpen werden geagendeerd waarvan ook al in meerdere procedures is geoordeeld dat deze onredelijk zijn. Het gaat daarbij veelal om dezelfde onderwerpen; - in meerdere procedures is bepaald dat klager niet bevoegd is om de VVE te vertegenwoordigen.
2.4 De kantonrechter heeft vastgesteld dat het in de onderhavig procedure gaat het om de besluiten die zijn genomen tijdens de vergaderingen van 31 mei 2024 en 14 juli 2024. De heer B., de wederpartij en bovenbuurman van klager, stelt dat de VVE vergadering niet op de juiste wijze is uitgeroepen. De kantonrechter heeft in r.o 4.4. overwogen dat: ‘de heer B. zich terecht op het standpunt stelt dat de besluiten die genomen zijn tijdens de vergaderingen van de VVE van 31 mei 2024 en 14 juni 2024 nietig zijn. Daarbij kan, zoals ook het Gerechtshof Den Haag in de beschikking van 23 april 2024 heeft vermeld in het midden worden gelaten of de vergadering op zichzelf al dan niet terecht is uitgeroepen. Daarvoor is van belang dat [klager] de vergaderingen door heeft laten gaan ondanks het feit dat [de heer B.] (die op zich wel wilde meewerken aan het houden van een VVE vergadering) uitdrukkelijk had aangegeven dat hij niet aanwezig zou zijn op de vergaderingen en dat hij tegen de geagendeerde besluiten zou stemmen. (…) Toen duidelijk was dat [klager] de VVE vergaderingen toch door zou laten gaan, heeft mr. X [namens de heer B.] een volmacht aan [klager] verstrekt om tegen de geagendeerde besluiten te stemmen. Dat heeft [klager] niet gedaan. [Klager] heeft namens [de heer B.] niet alleen voor de geagendeerde besluiten gestemd, maar ook voor voorstellen die niet waren geagendeerd. (…) Door aldus te handelen heeft [klager] de belangen van [de heer B.] zodanig veronachtzaamd dat er sprake is van strijd met de redelijkheid van billijkheid. Gelet daarop is de kantonrechter van oordeel dat de op de vergadering van 31 mei 2024 en 14 juni 2024 genomen besluiten nietig zijn’.
Naar het oordeel van de kantonrechter ‘is de situatie binnen de VVE met name door [klagers] handelen ernstig verstoord. Door [klager] zijn vele procedures gestart die bedoeld zijn om verwarring te zaaien en ervoor te zorgen dat [de heer B.] binnen de VVE buiten spel wordt gezet zodat [klager] alle beslissingen binnen de VVE kan nemen’.
In verband met de vele, hiervoor genoemde procedures, heeft de kantonrechter in r.o 4.7. overwogen ‘dat het gerechtvaardigd is om [klager] in de kosten van de procedure te veroordelen, aangezien [klager] deze en voorgaande procedures namens de VVE heeft geïnitieerd’.
2.5 Klager heeft in 2023 en 2024 acht aanwijzingsverzoeken ingediend. Nagenoeg al deze verzoeken hadden betrekking op geschillen binnen de VVE en/of de heer B. in zijn hoedanigheid als bestuurder. De deken stelt vast dat een terugkerend punt van aandacht bij alle verzoeken is dat de advocaten van de heer B., die in één procedure ook hebben opgetreden voor de VVE, naar klagers mening onbetamelijk hebben gehandeld.
2.6 Volgens de deken is de kantonrechter in haar beschikking van 28 oktober 2025 helder dat de besluiten, die tijdens de vergaderingen van de VVE van 31 mei 2024 en 14 juni 2024 zijn genomen, nietig zijn. De deken wijst erop dat klager inmiddels vele procedures heeft gevoerd, die in feite zijn bedoeld om de heer B. als bestuurder buiten spel te zetten. Verder heeft de deken opgemerkt dat de kantonrechter het gerechtvaardigd heeft geacht om klager privé in de kosten van de procedure te veroordelen. De deken is van mening dat de kantonrechter hiermee een signaal geeft dat de vele procedures die er inmiddels zijn gevoerd, in strijd zijn met de redelijkheid en billijkheid. De deken heeft vanwege deze omstandigheden geconcludeerd dat het instellen van beroep tegen de beschikking van 28 oktober 2025 geen redelijke kans van slagen heeft.
3 BEKLAG EN VERWEER
Gronden van het beklag
3.1 Klager stelt dat de deken het verzoek ten onrechte heeft afgewezen. Klager heeft aan zijn beklag elf klachtonderdelen ten grondslag gelegd.
3.2 Klacht 1. De Deken Den Haag is nalatig ten aanzien van een ambtshalve aanvulling ten aanzien van ECLI:NL:TAHVD:2022:16, en is dan ook nalatig ten aanzien van een weging daarop.
3.3 Klacht 2. De Deken Den Haag verdraait steeds klagers verzoek tot het geven van informatie aan de Deken Amsterdam, en moet het nu correct behandelen.
3.4 Klacht 3. De Deken is nalatig ten aanzien van het verschaffen van de correcte informatie aan het hof ten aanzien van haar eerdere dwaling door de nalatigheid van de Deken.
3.5 Klacht 4. De deken wijst het aanwijzingsverzoek met zwakke argumenten af, maar formeel niet geheel ongemotiveerd, en hoeft niet verzocht te worden om een sterkere onderbouwing te geven.
3.6 Klacht 5. De Deken noemt eerdere acht zaaknummers, zonder nadere toelichting, met kennelijk alleen een suggestie alsof klager misbruik zou plegen.
3.7 Klacht 6. De Deken stelt ten onrechte dat klager zijn belang niet zou hebben aangegeven.
3.8 Klacht 7. De Deken refereert alleen aan de beschikking van de kantonrechter en niet zijn herstelverzoek, en doet alsof de kantonrechter perfect is zonder noodzaak van gerechtshof en Hoge Raad.
3.9 Klacht 8. Waar klacht 7 generiek is onderbouwd, met vervolgens één voorbeeld om de onjuiste instelling van de Deken te tonen, zou het niet nodig hoeven zijn om de andere verwijzingen te weerleggen via verwijzing naar het herstelverzoek, terwijl er nu ook het concept-beroepschrift is.
3.10 Klacht 9. De Deken Den Haag negeert de eigen publiekrechtelijke rol ten aanzien van de advocatuur, door bij deze beschikking geheel de kantonrechter te volgen, en daarbij niet te letten op de rol van de advocaat, en hoe de kantonrechter een onbetamelijke advocaat laat aantreden.
3.11 Klacht 10. De Deken lijkt zich te baseren op evidente kansloosheid wegens kracht van gewijsde, zoals in ECLI:NL:TAHVD:2025:131 rechtsoverweging 4.2, maar doet veel meer dan een marginale toets over de beroepskans, en gaat daarin veel dieper dan geëigend, terwijl dit dan juist de taak van de aan te wijzen advocaat is.
3.12 Klacht 11. Volledigheidshalve is rekening te houden met de context van Hoofdstuk 9 Awb.
Verweer
3.13 De deken heeft erop gewezen dat een deken een aanwijzingsverzoek wegens gegronde redenen kan afwijzen. Een gegronde reden kan zijn dat de gewenste procedure geen kans van slagen heeft. De beklagprocedure beperkt zich derhalve tot deze vraag. Op de hiervoor genoemde beklaggronden 1 t/m 11 heeft de deken als volgt gereageerd.
3.14 Hetgeen klager in de onderdelen 1 t/m 3 aanvoert acht de deken onbegrijpelijk en/of kan zij in het kader van het onderhavige beklag niet plaatsen. De deken gaat niet in op deze argumenten omdat deze het bestek van de beklagprocedure te buiten gaan.
3.15 In reactie op klachtonderdeel 4 heeft de deken opgemerkt dat het zo mag zijn dat klager het argument, dat zij de door hem beoogde procedure kansloos acht, zwak vindt, echter vormt die omstandigheid een gegronde reden op grond waarvan de deken een aanwijzingsverzoek kan afwijzen.
3.16 In reactie op klachtonderdeel 5 heeft de deken gewezen op haar brief van 14 november 2025 waarin staat dat klager in 2023 en 2024 acht aanwijzingsverzoeken heeft ingediend die nagenoeg allemaal betrekking hadden op geschillen binnen de VvE en/of dhr. B. in zijn hoedanigheid van bestuurder. Er zijn al vele (kanton)procedures gevoerd waarin klager in het ongelijk is gesteld. Een en ander heeft uiteraard meegewogen bij de conclusie dat er geen reële kans op succes aanwezig is in een tegen dhr. B. te voeren hoger beroepsprocedure.
3.17 In reactie op klachtonderdeel 6 heeft de deken erop gewezen dat klager in het webformulier van 10 november 2025 heeft volstaan met de opmerking dat ‘hij een belang heeft ‘als een van de twee eigenaars in de VvE’. Welk belang dat is, heeft klager niet aangegeven. Gelet hierop acht de deken de opmerking dat klager niet heeft aangegeven welk belang hij meent te hebben bij een hoger beroepsprocedure, correct is. Voor het geval het belang (mede) zou zijn gelegen in het feit dat klager in de proceskosten is veroordeeld, heeft de deken opgemerkt dat dat in haar beslissing van 14 november jl. tevens ligt besloten dat zij het kansloos acht daartegen te ageren. Immers staat vast dat klager namens de VvE talloze procedures heeft geïnitieerd en dat hij telkens in het ongelijk is gesteld, danwel dat de procedures voortkomen uit het feit dat klager in strijd met het VvE-reglement handelt. In dit verband heeft de deken verwezen naar r.o 4.6 waarin de kantonrechter, naar aanleiding van het verzoek van klager om dhr. Van B. als voorzitter van de VvE te ontslaan, heeft overwogen:‘(..) De kantonrechter ziet geen enkele aanleiding een machtiging te verstrekken om [Van B] te ontslaan en [klager]in zijn plaats te benoemen, zoals door [klager] is verzocht. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de situatie binnen de VvE naar het oordeel van de kantonrechter met name door het handelen van [klager] ernstig is verstoord. Door [klager] zijn vele procedures gestart die vooral bedoeld zijn om verwarring te zaaien en ervoor te zorgen dat [Van B] binnen de VvE buiten spel wordt gezet zodat [klager] alle beslissingen binnen de VvE kan nemen’.
De kantonrechter heeft de VvE in de kosten veroordeeld, echter, ‘nu het [klager] is die namens de VvE deze en voorgaande procedures heeft geïnitieerd, is het gerechtvaardigd [klager] in de kosten van de procedure te veroordelen (…)’. (Ook) de proceskostenveroordeling vormt volgens de deken een indicatie dat klager op onredelijke gronden procedures heeft aangespannen. Artikel 13 Advocatenwet is niet bedoeld om in de gegeven situatie een advocaat aan te wijzen, noch daargelaten dat een advocaat een eigen verantwoordelijkheid heeft om slechts procedures te voeren met een zijns inziens verdedigbaar standpunt. Gelet op het vorenstaande is de deken van mening dat zij in redelijkheid tot haar conclusie is gekomen dat de door klager gewenste procedure als kansloos moet worden aangemerkt.
3.18 In reactie op klachtonderdelen 7 en 9 heeft de deken aangevoerd dat het haar niet duidelijk is waarop klager doelt met zijn ‘herstelverzoek’. Wat hier van zij, een deken kan een verzoek om aanwijzing van een advocaat afwijzen wegens gegronde redenen. Zo’n reden is dat de gewenste procedure geen kans van slagen heeft, op welke grond het onderhavige verzoek is afgewezen.
3.19 In reactie op klachtonderdelen 8 en 10 heeft de deken opgemerkt dat deze onderdelen dermate warrig en/of onbegrijpelijk zijn geformuleerd, dat daarop geen verweer kan worden gevoerd.
3.20 In reactie op klachtonderdeel 11 heeft de deken erop gewezen dat tegen de afwijzende beslissing van de deken beklag openstaat bij het hof. Klager heeft van deze mogelijkheid gebruik gemaakt. Het ontgaat de deken wat klager bedoelt met zijn opmerking dat rekening dient te worden gehouden met de context van hoofdstuk 9 Algemene wet bestuursrecht. Dit hoofdstuk bevat regels over het indienen van een klacht tegen een bestuursorgaan. Hoofstuk 9 Awb speelt noch bij een verzoek om aanwijzing noch in het kader van een beklagprocedure een rol, zodat dat daarop verder niet wordt ingegaan.
4 BEOORDELING
Toetsingskader 4.1 Op grond van artikel 13 Advocatenwet kan een rechtzoekende die niet (tijdig) een advocaat bereid vindt hem bij te staan in een zaak waarin vertegenwoordiging door een advocaat is voorgeschreven of bijstand uitsluitend door een advocaat kan geschieden, zich wenden tot de deken met het verzoek een advocaat aan te wijzen. De deken kan een verzoek op grond van dit artikel alleen wegens gegronde redenen afwijzen. Een dergelijke reden kan onder meer bestaan indien de door klager gewenste procedure geen verplichte procesvertegenwoordiging kent, of indien de procedure geen redelijke kans van slagen heeft.
4.2 In de -zeer uitgebreide- repliek heeft klager, voor zover voor de beoordeling van het beklag tegen de beslissing van 14 november 2025 van belang en onder verwijzing naar een door hemzelf opgesteld conceptberoepschrift tegen de beschikking van de kantonrechter van 28 oktober 2025, betoogd dat voor de aanwijzing voldoende twijfel dat de slagingskans niet nul is volstaat. Volgens hem is de voormelde beschikking van de kantonrechter zeker beroepswaardig. Klager heeft het hof verzocht te onderkennen dat de deken niet te goeder trouw is. De afwijzing van het verzoek om een advocaat aan te wijzen, en zeker ook het verweer, toont volgens klager een vijandige houding, alsof een eenmaal genomen beslissing “op tegenspraak” met advocatentrucs verdedigd moet worden, in plaats van de publiekrechtelijke benadering met afweging van voors en tegens.
4.3 Gelet op de reactie van de deken op klachtonderdelen 5 en 6 (overweging 3.16 en 3.17) is het hof van oordeel dat de deken haar stelling dat de procedure die klager wil voeren geen redelijke kans van slagen heeft, voldoende heeft onderbouwd. Terecht heeft de deken gewezen op de vele (kanton)procedures die al zijn gevoerd waarin klager in het ongelijk is gesteld. Het standpunt van de deken dat dit is meegewogen bij de conclusie dat er geen reële kans op succes aanwezig is in een tegen dhr. B. te voeren hoger beroepsprocedure, is niet onbegrijpelijk of onjuist. Het door klager zelf opgestelde beroepschrift brengt daarin geen verandering. Terecht heeft de deken zich op het standpunt gesteld dat artikel 13 Advocatenwet niet is bedoeld om kansloze of onredelijke procedures te voeren. Ook heeft de deken terecht gewezen op de proceskostenveroordeling in de beschikking van de kantonrechter van 28 oktober 2025.
4.4 Het hof is dan ook van oordeel dat de deken tot de conclusie heeft mogen komen dat, gelet op de inhoud van de beschikking van de kantonrechter een beroep daartegen geen redelijke kans van slagen heeft.
4.5 Het beklag is op grond van het voorgaande ongegrond. Hetgeen klager verder heeft aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel.
5 BESLISSING
Het Hof van Discipline:
- verklaart het beklag van klager tegen de beslissing van 14 november 2025 van de Deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag ongegrond.
Deze beslissing is genomen door mr. J. Blokland, voorzitter, mrs. V. Wolting en G.C. Endedijk, leden, in tegenwoordigheid van M.H.A. Uri, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 21 januari 2026.
griffier voorzitter
De beslissing is verzonden op 21 januari 2026.
