Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

12-01-2026

ECLI

ECLI:NL:TADRSGR:2026:7

Zaaknummer

25-305/DH/DH

Inhoudsindicatie

Raadsbeslissing. Klacht in een letselschadekwestie over de eigen advocaat c.q. de medewerker die onder verantwoordelijkheid van die advocaat valt. Niet blijkt dat er onvoldoende met klaagster is gecommuniceerd of dat afspraken zijn geschonden. Geen sprake van excessief declareren. Op verzoek is een gespecificeerde declaratie aan klaagster gestuurd. Klacht on alle onderdelen ongegrond.

Uitspraak

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 12 januari 2026 in de zaak 25-305/DH/DH naar aanleiding van de klacht van:

klaagster  gemachtigde: [A]

over

verweerder 

1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE 1.1    Op 14 april 2024 heeft klaagster bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder. Zij heeft deze klacht op 15 april 2025 aangevuld. 1.2    Op 7 mei 2024 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk K089 2024 ia/fd van de deken ontvangen.  1.3    De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 17 november 2025. Daarbij waren de gemachtigde van klaagster en verweerder aanwezig. 1.4    De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 03 tot en met 08 (inhoudelijk) en 1. tot en met 10. (procedureel.

2    FEITEN 2.1    Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten. 2.2    In juni 2023 is klaagster een ongeval overkomen waardoor zij letsel heeft opgelopen. De WAM-verzekeraar van de andere bij dit ongeval betrokken verkeersdeelnemer en klaagster waren het niet eens over de schadevergoedingsplicht.   2.3    Klaagster werd in deze kwestie aanvankelijk bijgestaan door mr. B. en heeft in oktober 2023 het kantoor van verweerder benaderd voor verdere rechtsbijstand. Aan het begin van het intakegesprek op 20 oktober 2023 - dat is gevoerd door de kantoorgenote van verweerder die de zaak zou gaan behandelen (mr. G.) - is aan de orde gekomen dat een door de WAM-verzekeraar toegezegd voorschotbedrag van € 2.500,- nog niet aan klaagster was betaald. Verweerder is aan het begin van dit gesprek ook kort aanwezig geweest. 2.4    De zaak van klaagster is tot en met 20 december 2023 behandeld door mr. G. Vanaf 21 december 2023 is de zaak behandeld door mr. A.-K. Mr. A.-K. is geen advocaat en werkt onder de (tuchtrechtelijke) verantwoordelijkheid van verweerder.  2.5    Op 24 januari 2024 heeft de behandelend fysiotherapeut van klaagster medische stukken verzonden naar een algemeen e-mailadres van het kantoor van verweerder.   2.6    Op 26 februari 2024 heeft in het kader van de schadeafwikkeling een huisbezoek bij klaagster plaatsgevonden waarbij mr. A.-K. aanwezig was.  2.7    Op 18 maart 2024 heeft mr. A.-K. haar werkzaamheden voor klaagster beëindigd en heeft het kantoor van verweerder de overeenkomst van opdracht opgezegd. 2.8    Op 19 maart 2024 heeft klaagster bij het kantoor van verweerder een klacht ingediend op grond van de interne klachtenregeling. Deze klacht heeft zij op 20 maart 2024 aangevuld.  2.9    Op 5 april 2024 heeft mr. A.-K. het volledige dossier met klaagster gedeeld en aan haar de urenspecificatie vanaf 20 oktober 2023 toegezonden. 2.10    Per e-mail van 10 april 2024 heeft de gemachtigde van klaagster – die tevens haar levenspartner is – om toezending van het dossier verzocht. Omdat dat vijf dagen ervoor al aan klaagster was toegezonden, is niet op dit verzoek ingegaan. 2.11    De klachtenfunctionaris van het kantoor van verweerder, mr. E., heeft per e-mail van 11 april 2024 op de klacht beslist en deze ongegrond bevonden. 2.12    Op 14 april 2024 is onderhavige klacht over verweerder ingediend bij de deken. Ook over de klachtenfunctionaris en mr. G. heeft klaagster een klacht ingediend bij de deken.

3    KLACHT 3.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet doordat:  a)    Afspraken niet zijn nagekomen en klaagster niet naar behoren op de hoogte is gehouden van de voortgang van de zaak of van zaken die de voortgang belemmeren. b)    De opgevraagde en ontvangen medische gegevens niet tijdig naar de wederpartij zijn gestuurd. c)    De medische informatie die zou zijn verstuurd per e-mail van 24 januari 2024 aan het e-mailadres van het kantoor van verweerder zou zijn kwijtgeraakt en de reparatiebon van een verlovingsring en de kassabon van een scooterhelm tijdelijk kwijt zijn geweest. d)    Mr. A.-K. onprofessioneel heeft gehandeld tijdens de behandeling van de letselschadezaak van klaagster door erg emotioneel en overspannen te reageren en zich onnodig grievend uit te laten. e)    Hij geweigerd heeft een klacht tegen de verzekeraar in te dienen bij het Kifid althans een interne klacht tegen de verzekeraar in te dienen, een kort geding te starten wegens het niet betalen van het toegezegde voorschot van € 2.500,- en afspraken over de spoedige afwikkeling van de letselschadezaak niet is nagekomen. f)    Er tot op heden geen inzicht is gegeven in de declaraties in het dossier van klaagster en excessief is gedeclareerd. g)    Mr. A.-K. klaagster op diverse momenten onder druk heeft gezet door aan te geven dat de buitengerechtelijke kosten bij zouden komen door onder meer de vele telefonische contactmomenten. h)    Hij op 18 maart 2024 heeft bericht dat mr. A.-K. en hij niet langer wensten op te treden voor klaagster, waardoor klaagster in haar belangen is geschaad. i)    Hij gedragsregel 2 en de AVG heeft overtreden door zonder toestemming van klaagster vertrouwelijke informatie van klaagster te delen met mr. G. en de privacy van klaagster en vertrouwelijkheid van de communicatie met klaagster heeft geschonden door het volledige dossier van klaagster met de deken te delen. 3.2    De raad zal hierna op de klachtonderdelen ingaan. 

4    VERWEER  4.1    Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan. 

5    BEOORDELING Toetsingskader klachtonderdelen a) tot en met h) 5.1    De raad begrijpt de stellingen van klaagster ten aanzien van de klachtonderdelen a) tot en met h) aldus, dat zij klaagt over verweerder omdat met zijn kantoor de opdrachtovereenkomst voor de dienstverlening is gesloten en hij derhalve verantwoordelijk is voor de werkzaamheden die zijn juridisch medewerkster mr. A.-K. voor klaagster heeft verricht. In die zin wordt onderhavig klacht derhalve opgevat als een klacht tegen de eigen advocaat. 5.2    De raad neemt bij de beoordeling van deze klachtonderdelen als uitgangspunt dat, gezien het bepaalde in artikel 46 Advocatenwet, de tuchtrechter mede tot taak heeft de kwaliteit van de dienstverlening te beoordelen indien daarover wordt geklaagd. Bij deze beoordeling geldt dat de tuchtrechter rekening houdt met de vrijheid die de advocaat heeft met betrekking tot de wijze waarop hij een zaak behandelt en met de keuzes waar de advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. De vrijheid die de advocaat heeft met betrekking tot de wijze waarop hij een zaak behandelt en de keuzes waar hij voor kan komen te staan, zijn niet onbeperkt, maar worden begrensd door de eisen die aan de advocaat als opdrachtnemer in de uitvoering van die opdracht mogen worden gesteld en die met zich brengen dat zijn werk dient te voldoen aan datgene wat binnen de beroepsgroep als professionele standaard geldt. Die professionele standaard veronderstelt een handelen met de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht (zie Hof van Discipline 5 februari 2018 ECLI:NL:TAHVD:2018:32) en omvat onder meer het inschatten van de slagingskans van een aanhangig te maken procedure en het informeren van de cliënt daarover. De cliënt dient door de advocaat gewezen te worden op wat in zijn zaak de proceskansen zijn en wat het kostenrisico is.  5.3    Verder geldt dat de tuchtrechter niet gebonden is aan de gedragsregels maar dat die regels gezien het open karakter van de wettelijke normen in artikel 46 Advocatenwet ter invulling van deze normen wel van belang zijn. Met betrekking tot de relatie met de cliënt is onder meer gedragsregel 16 lid 1 geformuleerd, waaruit volgt dat de advocaat zijn cliënt op de hoogte dient te brengen van belangrijke informatie, feiten en afspraken. Dit alles moet de advocaat ter voorkoming van misverstand, onzekerheid of geschil, schriftelijk aan de cliënt bevestigen. 5.4    De raad zal de klachtonderdelen a) tot en met h) aan de hand van bovenstaande uitgangspunten beoordelen.  Toetsingskader klachtonderdeel i) 5.5    Klachtonderdeel i) betreft de handelwijze van verweerder in de klachtprocedure bij de deken. Op dat moment was hij niet (meer) de advocaat van klaagster zodat voor de beoordeling van dit klachtonderdeel een ander toetsingskader dan de hiervoor weergegeven maatstaf geldt. Verweerder heeft ten aanzien van dit klachtonderdeel jegens klaagster de positie van ‘advocaat wederpartij’. 5.6    De maatstaf die de raad bij de beoordeling daarvan hanteert, is mede ingegeven door de voor advocaten geldende kernwaarde partijdigheid. Een advocaat geniet een grote mate van vrijheid om de belangen van zijn cliënt te behartigen op de wijze die hem passend voorkomt. Deze vrijheid mag niet ten gunste van een wederpartij worden beperkt, tenzij haar belangen nodeloos en op ontoelaatbare wijze worden geschaad. Zo mag de advocaat (a) zich niet onnodig grievend uitlaten over de wederpartij, (b) geen feiten poneren waarvan hij de onwaarheid kent of redelijkerwijs kan kennen, (c) bij de behartiging van de belangen van zijn cliënt de belangen van de wederpartij niet onnodig of onevenredig schaden zonder redelijk doel. De advocaat hoeft in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat hij voor zijn cliënt wil bereiken met de middelen waarvan hij zich bedient, opweegt tegen het nadeel dat hij daarmee aan de wederpartij toebrengt. Wel moet de advocaat zich onthouden van middelen die op zichzelf beschouwd ongeoorloofd zijn of die, zonder dat zij tot enig noemenswaardig voordeel van zijn cliënt strekken, onevenredig nadeel aan de wederpartij toebrengen. 5.7    De raad zal klachtonderdeel i) aan de hand van deze uitgangspunten beoordelen. Klachtonderdeel a) 5.8    Vast staat dat het nog niet betaald zijn van een toegezegd voorschotbedrag tijdens het intakegesprek aan de orde is geweest. De behandeling van de zaak van klaagster is vervolgens door de advocate mr. G. ter hand genomen en haar bijstand is erop gericht geweest om door contact met de wederpartij te bewerkstelligen dat het voorschotbedrag zou worden betaald. Dat is uiteindelijk ook gelukt. Het is dan ook niet nodig geweest om additioneel druk te zetten door jegens de WAM-verzekeraar te dreigen met een kort geding of door middel van een klacht bij het Kifid. Van schending van een afspraak om een kort geding te entameren of een Kifid-klacht in te dienen is naar het oordeel van de raad dan ook geen sprake. Het doel van de behandeling van de zaak was (onder meer) dat het voorschot zou worden betaald en dat doel is bereikt. Dat de WAM-verzekeraar dit voorschot eerder had kunnen betalen, maakt dat niet anders. Over het verloop van de communicatie met de WAM-verzekeraar is steeds gecommuniceerd naar klaagster en het zicht op betaling van het voorschotbedrag bleef voldoende in beeld. Dat er nog andere afspraken zouden zijn gemaakt die niet zouden zijn nagekomen, kan de raad niet vaststellen.  5.9    Evenmin blijkt uit de zich in het dossier bevindende stukken dat er in de periode dat mr. A.-K. de zaak in behandeling had onvoldoende met klaagster zou zijn gecommuniceerd over de voortgang van de zaak. Integendeel. Hieruit blijkt dat vanaf 22 december 2023 diverse berichten, waaronder statusupdates, aan klaagster zijn verzonden. Dit klachtonderdeel is derhalve ongegrond. Klachtonderdeel b) 5.10    In letselschadezaken is het niet ongebruikelijk dat medische gegevens pas worden doorgestuurd naar de wederpartij wanneer deze compleet zijn. Uit het dossier blijkt dat bij de completering van de medische gegevens aan de kant van verweerder weliswaar enige vertraging is ontstaan, maar niet gebleken is dat die vertraging onaanvaardbaar lang is geweest of dat klaagster door die vertraging in haar belangen is geschaad. Meer in het bijzonder blijkt daaruit niet dat de ontstane vertraging invloed heeft gehad op (het moment van) de betaling van het voorschot aan klaagster. Ook dit klachtonderdeel is derhalve ongegrond. Klachtonderdeel c) 5.11    Het e-mailbericht van de fysiotherapeut van 24 januari 2024 is volgens mr. A.-K. onbedoeld in de spambox van het kantoor van verweerder terecht gekomen, waardoor het later is opgemerkt. Hoewel het zorgvuldiger zou zijn geweest wanneer verweerder deze spambox regelmatig(er) zou (hebben laten) controleren, levert het nalaten daarvan onder de gegeven omstandigheden naar het oordeel van de raad geen tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen op. Klaagster is door de latere ontdekking van de desbetreffende e-mail immers niet, althans niet aantoonbaar, in haar belang geschaad.  5.12    Datzelfde geldt ten aanzien van de reparatiebon van de verlovingsring en een kassabon van een scooterhelm die door mr. A.-K. nadat zij klaagster had verzocht haar deze toe te sturen, alsnog zijn aangetroffen in het dossier. Het is vervelend dat klaagster  bewijsstukken moest aanleveren die zij eerder ook al had aangeleverd, maar een tuchtrechtelijk verwijt levert het aanvankelijk over het hoofd zien daarvan door mr. A.-K. niet op.  5.13    De raad zal derhalve ook dit klachtonderdeel ongegrond verklaren.  Klachtonderdeel d) 5.14    Uit de stukken in het dossier blijkt dat mr. A.-K. (de gemachtigde van klaagster) als ‘ondankbaar’ en ‘veeleisend’ heeft bestempeld. Mr. A.-K. heeft de reden voor deze kwalificatie aan de hand van diverse voorbeelden toegelicht. Hoewel de door haar gebruikte woorden wellicht scherp te noemen zijn, zijn deze naar het oordeel van de raad niet onnodig grievend. Datzelfde geldt voor de stelling van verweerder in zijn verweer bij de deken dat klaagster misbruik zou hebben gemaakt van het klachtrecht. Voor de overige aan dit klachtonderdeel ten grondslag gelegde stellingen geldt dat deze ondanks betwisting door verweer niet feitelijk zijn onderbouwd. De raad kan de juistheid en gegrondheid daarvan derhalve niet vaststellen. 5.15    Het voorgaande leidt ertoe dat ook dit klachtonderdeel ongegrond zal worden verklaard.  Klachtonderdeel e) 5.16    Een advocaat is dominus litis en is niet verplicht gevolg te geven aan verzoeken van zijn client die hij kansloos acht of waarvan hij meent dat deze de zaak niet ten goede komen. Verweerder heeft zijn handelwijze op de genoemde punten voldoende gemotiveerd toegelicht en de raad acht deze niet onbegrijpelijk of onzorgvuldig. Een advocaat doet er bovendien in voorkomende gevallen juist goed aan om eerst te onderzoeken of het door de cliënt gewenste resultaat – hier betaling van een voorschot – via minnelijk overleg gereikt kan worden voordat (kort geding- of Kifid)procedures worden geëntameerd. Verweerder heeft daarbij terecht opgemerkt dat de afwikkeling van een letselschadeclaim een langlopend proces kan zijn, waarbij een goede verstandhouding met de WAM-verzekeraar dit proces doorgaans ten goede komt.  Dit klachtonderdeel is derhalve ook ongegrond. Klachtonderdeel f) 5.17    Uit het dossier blijkt dat op 5 april 2024 – en derhalve enkele weken na indiening van onderhavige klacht - een gespecificeerde declaratie aan klaagster is gezonden. Dat klaagster daar op een eerder moment reeds om heeft verzocht, blijkt niet uit de stukken. Dit klachtonderdeel is in zoverre derhalve ongegrond. 5.18    Van excessief declareren is naar het oordeel van de raad geen sprake. Het gehanteerde tarief – dat in de overeenkomst van opdracht is vermeld – en aantal gedeclareerde uren staan in redelijke verhouding tot de werkzaamheden die blijkens de overgelegde urenspecificaties zijn verricht. Dat die werkzaamheden onnodig waren, blijkt daar niet uit. Dat betekent dat dit klachtonderdeel ook op dit punt ongegrond is. Klachtonderdeel g) 5.19    Uit het dossier blijkt dat mr. A.-K. klaagster heeft gewaarschuwd voor het risico dat door de vele bestede uren in de letselschadezaak de buitengerechtelijk kosten ‘in het geding zouden komen’. Daarmee is gedoeld op het risico dat de WAM-verzekeraar de volledige vergoeding van deze kosten zou weigeren omdat deze niet aan de dubbele redelijkheidstoets uit art. 6:96 BW zouden voldoen Met die waarschuwing heeft mr. A-K geenszins beoogd om klaagster onder druk te zetten, maar naar het oordeel van de raad juist zorgvuldig jegens klaagster gehandeld. Ook dit klachtonderdeel is derhalve ongegrond. Klachtonderdeel h) 5.20    Naar het oordeel van de raad stond het verweerder en mr. A.-K. onder de gegeven omstandigheden vrij om zich aan de zaak te onttrekken. Zij waren daartoe zelfs gehouden omdat er een onoverbrugbaar verschil van mening was ontstaan over hoe de zaak moest worden aangepakt en de verhouding tussen hen en de gemachtigde van klaagster verslechterd was. Mr. A.-K. en verweerder mochten op basis daarvan tot de conclusie komen dat sprake was een vertrouwensbreuk en de werkzaamheden voor klaagster beëindigen. Die beëindiging is naar het oordeel van de raad ook op zorgvuldige wijze gebeurd. Er liepen geen (fatale) termijnen en ook anderszins is niet gebleken dat dat klaagster door het moment van het neerleggen van de werkzaamheden in haar redelijke belangen is geschaad. Dat klaagster als gevolg van de beëindiging van de opdracht door het kantoor van verweerder (wederom) een andere advocaat moest zoeken, doet daar niet aan af.. De klacht is ook in zoverre ongegrond. Klachtonderdeel i) 5.21    Naar het oordeel van de raad heeft verweerder de belangen van klaagster niet geschaad en zich ook niet onnodig grievend over haar uitgelaten. Hij heeft in het kader van de tegen hem ingediende tuchtklacht slechts beperkte mededelingen gedaan aan mr. G., de advocate die klaagster vanuit zijn kantoor eerder had bijgestaan en die tevens een voormalig kantoorgenote van hem is. Met het delen van het feit dat een klacht tegen hem is ingediend  is verweerder naar het oordeel van de raad niet over de schreef gegaan. Bovendien heeft klaagster ook tegen mr. G. een klacht ingediend over de behandeling van haar dossier. Verweerder mocht het voor het voeren van verweer in deze tuchtzaak over de behandeling van het dossier overleggen met mr. G. en vice versa. Dit klachtonderdeel is in zoverre dan ook ongegrond. 5.22    Datzelfde geldt aanzien van het feit dat verweerder het volledige dossier van klaagster met de deken heeft gedeeld. Wellicht had hij – achteraf bezien – kunnen volstaan met het delen van een selectie van de stukken, maar dat maakt zijn handelen nog niet tuchtrechtelijk verwijtbaar. Dat verweerder zich tot verstrekking van het volledige dossier genoodzaakt zag, is in het licht van de beperkte omvang van de bij de klacht en repliek gevoegde stukken ook niet onbegrijpelijk. Bovendien verzocht klaagster de deken in het kader van klachtonderdeel c) een volledig onderzoek te doen naar het handelen van de advocaten en juridisch medewerkers van het kantoor van verweerder die zich met de behandeling van haar zaak hebben beziggehouden. Tot slot was/is de vertrouwelijkheid van de door verweerder aan de deken verstrekte informatie gewaarborgd doordat op de deken (en diens medewerkers) een afgeleide geheimhoudingsplicht rust. Ook in zoverre is de klacht derhalve ongegrond. Conclusie 5.23    Het voorgaande leidt ertoe dat de raad de klacht ongegrond zal verklaren.

BESLISSING De raad van discipline    verklaart de klacht ongegrond.

Aldus beslist door mr. A. van Luijck, voorzitter, mrs. A.B. Baumgarten, N. de Boer, E.A.L. van Emden en J.G. Colombijn-Broersma, leden, bijgestaan door mr. M.M.C. van der Sanden als griffier en uitgesproken ter openbare zitting van 12 januari 2026.

Griffier    Voorzitter

Verzonden op: 12 januari 2026