Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

21-01-2026

ECLI

ECLI:NL:TADRSGR:2026:21

Zaaknummer

25-820/DH/DH

Inhoudsindicatie

Voorzittersbeslissing. Klacht over advocaat van de wederpartij. Niet gebleken dat verweerder bewust onjuiste informatie heeft verstrekt. De rechtbank heeft al over het geschil tussen partijen geoordeeld en de klachtprocedure is niet bedoeld om de discussie tussen partijen te heropenen. Niet gebleken dat verweerder op enigerlei wijze misbruik heeft gemaakt van de positie van de zaakvoerder van klaagster. Klacht in beide onderdelen kennelijk ongegrond. 

Uitspraak

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 21 januari 2026 in de zaak 25-820/DH/DH

naar aanleiding van de klacht van:

klaagster

over:

verweerder

De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag (hierna: de deken) van 24 november 2025 met kenmerk K142 2025 ia/lb, door de raad digitaal ontvangen op dezelfde datum, van de op de inventarislijst inhoudelijk genoemde bijlagen 03 tot en met 08 en van de op de inventarislijst procedureel genoemde bijlagen 1 tot en met 9. 

1    FEITEN Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten. 1.1    Klaagster heeft een geschil met de heer X over facturen van 2024. Verweerder staat de heer X hierin bij.  1.2    Op 17 juli 2024 heeft verweerder namens zijn cliënt ten aanzien van de vordering op klaagster bij de rechtbank Den Haag een verzoek om conservatoir (derden) beslag te leggen ingediend. De rechtbank heeft beslagverlof verleend. 1.3    Op 29 juli 2024 heeft verweerder klaagster namens zijn cliënt gedagvaard om vertegenwoordigd door een advocaat voor de rechtbank Den Haag te verschijnen ten aanzien van een aantal onbetaalde facturen. 1.4    Op 29 juli 2024 om 13:27 uur heeft de gemachtigde van klaagster verweerder per e-mail gevraagd om de processtukken met producties. Ook heeft de gemachtigde in zijn e-mail vermeld dat klaagster de vorderingen van de heer X voor een deel betwist. 1.5    Op 29 juli 2024 om 14:20 uur heeft verweerder de gemachtigde van klaagster het beslagverlof gemaild. Daarbij heeft verweerder opgemerkt dat hij nog niet over de betekende dagvaarding beschikt. 1.6    Op 21 oktober 2024 heeft de advocaat van klaagster verweerder een sommatie gemaild ten aanzien van een nog openstaand bedrag dat de heer X aan klaagster dient te betalen. In deze sommatie heeft de advocaat van klaagster ook vermeld dat klaagster een aantal facturen van de heer X tweemaal heeft betaald en dat klaagster een andere factuur al heeft betaald. 1.7    Op 22 oktober 2024 heeft verweerder de sommatie van de advocaat van klaagster doorgestuurd aan zijn cliënt met de vraag ‘Klopt dit?’.  1.8    Op 22 oktober 2024 heeft verweerder de advocaat van klaagster gemaild: ‘Cliënt heeft het door u gestelde nagekeken en is ook ingegaan op uw verzoek om de documentatie aan te leveren. Bijgaand treft bewijsstukken voor de vorderingen. (…) Uw stelling dat € 7.562,49 tweemaal is betaald, blijkt correct te zijn. Dit bedrag wordt verrekend met de openstaande vordering. (…) Daarnaast is gebleken dat factuur 2024-0077 tevens reeds is betaald. Ook dit bedrag zal worden verminderd van de vordering. Daarbij opgemerkt dat in het petitum per ongeluk de wettelijke rente i.p.v. handelsrente is vermeld. Dit zal bij akte worden rechtgetrokken.’ 1.9    Op 22 oktober 2024 heeft verweerder namens zijn cliënt een akte wijziging eis, bewijsaanbod en overleggen producties bij de rechtbank ingediend. In deze akte heeft verweerder vermeld dat zijn cliënt de vordering wil verminderen vanwege een door klaagster dubbel betaald bedrag en een andere al door klaagster betaalde factuur. 1.10    Op 21 november 2024 heeft de advocaat van klaagster verweerder gemaild met het verzoek om het derdenbeslag per omgaande door te halen, omdat de continuïteit van de onderneming door het beslag in het geding is. Ook heeft de advocaat hierbij vermeld dat (de zaakvoerder van) klaagster in een zeer penibele situatie zit en in broodnood verkeert, omdat zij door het beslag geen boodschappen meer voor haar minderjarige kind kan doen. 1.11    Op 5 februari 2025 heeft de rechtbank de zaak op zitting behandeld en mondeling uitspraak gedaan waarbij klaagster is veroordeeld tot betaling aan de heer X van een bedrag aan onbetaalde facturen, vermeerderd met handelsrente en kosten. In deze uitspraak is onder het procesverloop de akte wijziging eis met producties vermeld. Verder heeft de rechtbank in de beoordeling vermeld: ‘2.2.    Tussen partijen staat dat dat [klaagster] in totaal een bedrag van € 7.562,49 te veel heeft betaald naar aanleiding van eerdere facturen van [de heer X] die inmiddels zijn gecorrigeerd. (…)’ en ‘2.7.    De rechtbank volgt [klaagster] niet in haar standpunt dat [de heer X] niet-ontvankelijk is in zijn vordering. De omstandigheid dat [de heer X] aanvankelijk ook betaling vorderde van een factuur die reeds was voldaan, kan die conclusie niet dragen. Toen dit onder de aandacht werd gebracht van [de heer X] door de advocaat van [klaagster], heeft [de heer X] – nog voordat [klaagster] haar conclusie van antwoord had ingediend – zijn eis verminderd.’ Tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag is geen hoger beroep ingesteld. 1.12    Op 10 juni 2025 is namens klaagster een klacht bij de deken ingediend over verweerder.

2    KLACHT 2.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet (Advw). Klaagster verwijt verweerder het volgende: a)     verweerder heeft betaling van facturen gevorderd die gedeeltelijk berusten op gefingeerde uren en die gedeeltelijk al betaald zijn. Er is sprake van facturen waarin structureel te veel is berekend. Artikel 46 Advw en gedragsregel 8 brengen met zich mee dat verweerder deze facturen eerst moeten controleren voordat hij conservatoir (derden)beslag liet leggen en betaling van de facturen vorderde. Verweerder heeft de onderliggende stukken van de facturen slechts gedeeltelijk en ook te laat aan klaagster verstrekt en in het geheel niet aan de rechtbank; b)     verweerder heeft misbruik gemaakt van de benarde positie waarin de zaakvoerder van klaagster persoonlijk verkeerde. Het leggen van conservatoir (derden)beslag had tot doel om klaagster te benadelen en de continuïteit het bedrijf in gevaar te brengen. 2.2    De voorzitter zal hierna bij de beoordeling op de klachtonderdelen ingaan.

3    VERWEER 3.1    Verweerder voert verweer tegen de klacht en betwist dat hij tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. In dat verband voert verweerder aan dat de eis is verminderd nadat namens klaagster was aangevoerd dat enkele facturen dubbel waren betaald. Verder wijst verweerder op het bij de dagvaarding geleverde bewijs van de in rekening gebrachte uren. Volgens verweerder bestond daardoor bij hem geen twijfel over de juistheid van de facturen en mocht hij daar ook van uitgaan. Daarbij wijst verweerder erop dat de stukken ruim voor de zitting aan de advocaat van klaagster zijn overgelegd.  Daarnaast merkt verweerder op dat klaagster de inhoudelijke opmerkingen op de diverse facturen in de rechtszaak had kunnen maken, dat de rechtbank de door klaagster wel gemaakte opmerkingen niet heeft gevolgd en dat klaagster geen hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank heeft ingesteld. Volgens verweerder gebruikt klaagster de klacht om na te pleiten en als verkapt hoger beroep en daar is het klachtrecht niet voor bedoeld.  Verder voert verweerder aan dat het op de weg van klaagster had gelegen om een opheffings-kort geding te starten tegen het gelegde conservatoir beslag als dat beslag de onderneming in moeilijkheden bracht. Verweerder betwist dat hij met het leggen van het beslag heeft geprobeerd de onderneming ‘kapot te maken’.  Tot slot merkt verweerder op dat klaagster en haar advocaat in de rechtszaak voldoende tijd en rechtsmiddelen hadden om op de overgelegde stukken te reageren.  3.2    De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

4    BEOORDELING Toetsingskader 4.1    Bij de beoordeling van een over een advocaat ingediende klacht toetst de tuchtrechter het handelen van de advocaat waarover wordt geklaagd aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen. Daarbij is de tuchtrechter niet gebonden aan de gedragsregels. De gedragsregels kunnen, vanwege het open karakter van de wettelijke normen, wel van belang zijn voor de invulling van de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen. Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen, hangt echter steeds af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter van geval tot geval beoordeeld. 4.2    Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is. Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie te controleren. Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij aan de wederpartij toebrengen. Klachtonderdeel a) is kennelijk ongegrond 4.3    De voorzitter stelt voorop dat de rechtbank Den Haag op 5 februari 2025 uitspraak heeft gedaan in het facturengeschil tussen klaagster en de heer X en dat tegen deze uitspraak geen hoger beroep is ingesteld. Dat betekent dat de veroordeling van klaagster tot betaling van onbetaalde facturen aan de heer X in rechte vaststaat. De klachtprocedure is niet bedoeld voor het heropenen van de discussie over de facturen. Voor zover klaagster in de verwijten die zij verweerder maakt inhoudelijk ingaat op de bewuste facturen en of die wel of niet berusten op gefingeerde uren of gedeeltelijk al betaald zijn, laat de voorzitter dat dan ook buiten beschouwing. 4.4    De voorzitter stelt op grond van de overgelegde stukken vast dat verweerder de onderliggende stukken behorend bij de facturen op 21 oktober 2024 aan de advocaat van klaagster heeft gemaild en dat hij deze stukken bij de akte van 22 oktober 2024 bij de rechtbank heeft ingediend. Daarbij is niet gebleken dat verweerder de stukken slechts gedeeltelijk aan de advocaat van klaagster heeft verstrekt. De rechtbank heeft het geschil op 5 februari 2025 inhoudelijk op zitting behandeld, dus klaagster en haar advocaat hebben redelijkerwijs voldoende tijd gehad om de door verweerder ingediende stukken te bekijken en daarop in de procedure bij de rechtbank te reageren. Verder had klaagster de betreffende stukken via haar advocaat bij de rechtbank kunnen indienen als zij in de veronderstelling was dat verweerder de stukken niet ook bij de rechtbank had ingediend.  4.5    Het is de voorzitter niet gebleken dat verweerder bewust onjuiste informatie heeft verstrekt. Na ontvangst van de sommatie van de advocaat van klaagster heeft verweerder de juistheid van deze sommatie bij zijn cliënt gecheckt en een akte vermindering van eis ingediend nadat was gebleken dat klaagster inderdaad al meer aan de heer X had betaald dan waarvan in de dagvaarding was uitgegaan. Van bijzondere omstandigheden op grond waarvan verweerder niet van de juistheid van de informatie van zijn cliënt heeft mogen uitgaan is niet gebleken. Klachtonderdeel a) is dan ook kennelijk ongegrond. Klachtonderdeel b) is kennelijk ongegrond 4.6    Het is de voorzitter uit de overgelegde stukken niet gebleken dat verweerder op enigerlei wijze misbruik heeft gemaakt van de positie van de zaakvoerder van klaagster. Verweerder behartigt de belangen van zijn cliënt en in dat kader stond het hem vrij om namens zijn cliënt conservatoir derdenbeslag te laten leggen en klaagster te dagvaarden vanwege de onbetaalde facturen van zijn cliënt. Klaagster had, met behulp van haar advocaat, actie kunnen ondernemen tegen het gelegde beslag om de financiële situatie van haar zaakvoerder te verbeteren, maar zij heeft dat niet gedaan. Klaagster heeft het standpunt dat verweerder met de beslaglegging tot doel had haar te benadelen in het geheel niet feitelijk onderbouwd. Klachtonderdeel b) is dan ook kennelijk ongegrond. Conclusie 4.7    Uit het bovenstaande volgt dat de voorzitter de klacht, met toepassing van artikel 46j lid 1 Advocatenwet, in beide onderdelen kennelijk ongegrond zal verklaren. 

BESLISSING De voorzitter verklaart de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, in beide onderdelen kennelijk ongegrond.

Aldus beslist door mr. A.E.A.M. van Waesberghe, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. A.E. van Oost als griffier en uitgesproken in het openbaar op  21 januari 2026.

Griffier                     Voorzitter

Verzonden op: 21 januari 2026