Rechtspraak
Uitspraakdatum
19-01-2026
ECLI
ECLI:NL:TAHVD:2026:14
Zaaknummer
240344
Inhoudsindicatie
Klacht over advocaat in hoedanigheid van executeur. Toepasselijke maatstaf. Uit het onderzoek in hoger beroep volgt volgens het hof dat verweerder zich consequent, zowel telefonisch als schriftelijk, als executeur heeft gepresenteerd, niet alleen in zijn communicatie met klaagster, maar ook in zijn brief aan de Geschillencommissie. Klacht ook in hoger beroep ongegrond. Bekrachtiging beslissing van de raad.
Uitspraak
Beslissing van 19 januari 2026
in de zaak 240344
naar aanleiding van het hoger beroep van:
klaagster
gemachtigde:
tegen:
verweerder
1 INLEIDING
1.1 De klacht gaat over het handelen van verweerder in zijn hoedanigheid van executeur. Het hof bekrachtigt de beslissing van de raad dat verweerder in die hoedanigheid heeft gehandeld in overeenstemming met de toepasselijke maatstaf en het vertrouwen in de advocatuur niet heeft geschaad.
1.2 Het hof zet eerst het verloop van de procedure bij de raad en het hof uiteen. Vervolgens zet het hof het volgende op een rij: de feiten, de klacht en de beoordeling van de raad. Daarna volgen de redenen waarom klaagster in beroep is gekomen en hoe het hof daarover oordeelt.
2 DE PROCEDURE
Bij de raad van discipline
2.1 De Raad van Discipline in het ressort ‘s-Hertogenbosch (hierna: de raad) heeft in de zaak tussen klaagster en verweerder (zaaknummer: 24-340/DB/LI) een beslissing gewezen op 4 november 2024. In deze beslissing is de klacht van klaagster ongegrond verklaard.
2.2 Deze beslissing is onder ECLI:TADRSHE:2024:150 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.
Bij het hof van discipline
2.3 Het beroepschrift van klaagster tegen de beslissing is op 28 november 2024 ontvangen door de griffie van het hof.
2.4 Verder bevat het dossier van het hof:
de stukken van de raad; het verweerschrift van verweerder.2.5 Het hof heeft de zaak mondeling behandeld tijdens de openbare zitting van 21 november 2025. Daar zijn klaagster en verweerder verschenen.
3 FEITEN
3.1 Het hof stelt de volgende feiten vast.
3.2 Het advocatenkantoor van klaagster heeft gedurende drieënhalf jaar rechtsbijstand verleend aan mevrouw S in een erfrechtelijk geschil dat betrekking had op de verdeling van de nalatenschap van de grootmoeder van mevrouw S.
3.3 Verweerder is benoemd tot executeur van de nalatenschap.
3.4 Op 20 augustus 2023 heeft verweerder aan klaagster geschreven:
‘Ik weet dat mr. [G] niet meer optreedt. De reden waarom is dat ik tegen [S] heb gezegd te bellen met uw kantoor, is dat u zo uit eerste hand de status kon vernemen. Ik treed niet op als advocaat van [S] maar wil ook voorkomen dat er weer extra kosten gemaakt moeten worden .’
3.5 Klaagster schrijft op 21 augustus 2023 aan verweerder:
‘U geeft bovendien zelf aan dat u niet als advocaat van [S] optreedt in deze kwestie, weshalve ik mij afvraag op basis van welke rechtsverhouding u zich met deze kwestie meent te moeten bemoeien.’
3.6 Mevrouw S heeft een declaratie van klaagsters kantoor onbetaald gelaten. Klaagsters kantoor heeft jegens mevrouw S een incassoprocedure bij de Geschillencommissie Advocatuur (hierna: Geschillencommissie) aanhangig gemaakt.
3.7 Mevrouw S heeft in de procedure bij de Geschillencommissie verweer gevoerd en heeft in dat verband een brief van verweerder van 11 januari 2024 overgelegd, waarin onder meer het volgende staat:
‘Van mevrouw [S] nam ik kennis van het geschil ingediend door [klaagster] van [advocatenkantoor] en haar reactie daarop. Als executeur bevestig ik hierbij de juistheid van hetgeen zij schrijft over de problematiek in de nalatenschap van wijlen mevrouw [K], de oma van [mevrouw S] over het ontslag uit de hoofdelijkheid. Wat zij zegt over de declaratie kan ik verder niet beoordelen. Daar sta ik buiten.
(…)
[verweerder]
executeur’
Verweerder heeft ten behoeve en op verzoek van mevrouw S deze brief opgesteld voor de Geschillencommissie. Deze brief heeft verweerder aan mevrouw S gestuurd en is door mevrouw S in de incassoprocedure ingebracht.
3.8 De Geschillencommissie heeft de vordering van klaagsters kantoor toegewezen.
3.9 Op 30 januari 2024 heeft klaagster over verweerder een klacht ingediend bij de deken.
4 KLACHT
4.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. De klachtomschrijving luidt:
verweerder heeft zich onterecht en ongeoorloofd, in zijn hoedanigheid van executeur gemengd in een bij de Geschillencommissie aanhangig declaratiegeschil tussen klaagsters kantoor en een voormalige cliënte van klaagster.
4.2 De voorzitter heeft aan partijen de klachtomschrijving voorgehouden zoals deze door de raad is geformuleerd. Partijen hebben daarop aangegeven dat de klachtomschrijving klopt.
5 OMVANG HOGER BEROEP
5.1 Verweerder stelt in zijn verweerschrift in hoger beroep dat het verwijt van klaagster dat hij gedragsregel 20 heeft geschonden een nieuw verwijt lijkt en er om die reden geen ruimte is voor behandeling daarvan in hoger beroep.
5.2 Het hof volgt verweerder hierin niet. In het klaagschrift dat klaagster bij de deken heeft ingediend is reeds aangevoerd dat verweerder ook in strijd met gedragsregel 20 heeft gehandeld. Van een voor het eerst in hoger beroep aangevoerde grond is daarom geen sprake.
6 BEOORDELING RAAD
6.1 De klacht van klaagster, inhoudende dat verweerder zich in zijn hoedanigheid van executeur heeft gemengd in een bij de Geschillencommissie aanhangige procedure, heeft betrekking op de brief van verweerder van 11 januari 2024. De raad is van oordeel dat verweerder zich met die brief niet heeft gemengd in de procedure bij de Geschillencommissie. In de brief heeft verweerder enkel de juistheid bevestigd van de stellingen van mevrouw S over de status van de nalatenschap, meer in het bijzonder over de problematiek rondom het ontslag uit de hoofdelijkheid.
6.2 Verweerder heeft zich niet uitgelaten over de gegrondheid van de vordering van klaagsters kantoor. Verweerder heeft juist expliciet in de brief gesteld ’Wat zij zegt over de declaratie kan ik verder niet beoordelen. Daar sta ik buiten’. Dat klaagster dan wel haar kantoor door de inhoud van verweerders brief is benadeeld, is niet gebleken. De Geschillencommissie heeft de vordering van klaagsters kantoor immers toegewezen. Niet is gebleken dat verweerder het vertrouwen in de advocatuur heeft geschaad en daarom heeft de raad de klacht ongegrond verklaard.
7 BEROEPSGRONDEN EN VERWEER
Beroepsgronden klaagster
7.1 Volgens klaagster dient de beslissing van de raad te worden vernietigd en de klacht alsnog gegrond te worden verklaard met oplegging van een passende maatregel.
7.2 Klaagster voert daartoe allereerst aan dat de raad een onjuiste maatstaf heeft toegepast doordat de raad alleen heeft getoetst of verweerder met zijn handelen het vertrouwen in de advocatuur heeft ondermijnd. De raad had de handelwijze van verweerder ook moeten toetsen aan de betamelijkheidsnorm van artikel 46 Advocatenwet.
7.3 Voorts voert klaagster – samengevat – aan dat verweerder:
* er niet voor heeft gezorgd dat er geen misverstand kon bestaan over de hoedanigheid waarin hij optrad wat een schending is van gedragsregel 9;
* in strijd heeft gehandeld met de kernwaarden onafhankelijkheid en integriteit, de gedragsregels 20 en 21, alsook artikel 6 EVRM door een verklaring op te stellen ten behoeve van de voormalige cliënte van klaagster waarvan verweerder wist dat die verklaring gebruikt zou worden in de procedure die klaagster bij de Geschillencommissie jegens deze voormalige cliënte aanhangig had gemaakt en zonder deze verklaring (ook) zelf aan klaagster te sturen.
Verweer verweerder
7.4 Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd in beroep. Waar dat relevant is, bespreekt het hof dit bij de beoordeling van het beroep.
8 BEOORDELING HOF
Maatstaf
8.1 Het in de artikelen 46 en volgende van de Advocatenwet geregelde tuchtrecht heeft betrekking op het handelen en nalaten van advocaten en beoogt een behoorlijke beroepsuitoefening te waarborgen. Ook wanneer een advocaat optreedt in een andere hoedanigheid dan die van advocaat, zoals die van executeur, blijft voor hem het advocatentuchtrecht gelden. Indien hij zich bij de vervulling van die andere functie zodanig gedraagt dat daardoor het aanzien van en/of het vertrouwen in de advocatuur wordt geschaad, zal in het algemeen sprake zijn van handelen of nalaten in strijd met wat een behoorlijk advocaat betaamt en waarvan hem een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. De tuchtrechter toetst dat optreden in een andere hoedanigheid niet slechts marginaal; er volgt een volle toets naar de vraag of het vertrouwen in de advocatuur is geschaad en, bij positieve beantwoording, of is gehandeld in strijd met de norm van artikel 46 Advocatenwet. (HvD 1 december 2023, ECLI:NL:TAHVD:2023:219.)
Overwegingen hof
8.2 Verweerder heeft in zijn hoedanigheid van executeur ten behoeve en op verzoek van mevrouw S (één van de erfgenamen) op 11 januari 2024 een brief opgesteld voor de Geschillencommissie vanwege een incassoprocedure die klaagster tegen mevrouw S aanhangig had gemaakt. Deze brief, die verweerder aan mevrouw S heeft gestuurd en door mevrouw S in de incassoprocedure is ingebracht, is door verweerder ondertekend met de vermelding ‘executeur’ onder zijn naam. Verweerder heeft in deze brief uitsluitend de juistheid bevestigd van hetgeen mevrouw S schreef over de problematiek in de nalatenschap van haar oma over het ontslag uit de hoofdelijkheid. Op het incassogeschil is verweerder inhoudelijk niet ingegaan.
8.3 Uit de brief van klaagster aan verweerder van 20 augustus 2023 blijkt dat ook voor klaagster de hoedanigheid van verweerder duidelijk was. Klaagster stond bovendien mevrouw S bij in het erfrechtelijk geschil waarin verweerder tot executeur was benoemd. Klaagster was derhalve bekend met de hoedanigheid waarin verweerder optrad. Dat verweerder in zijn hoedanigheid van executeur contact zocht met klaagster was verder uitsluitend bedoeld om aan te geven dat mevrouw S geen middelen had om de declaratie van klaagster te betalen. Ook in deze contacten heeft verweerder zich niet inhoudelijk over het declaratiegeschil uitgelaten.
8.4 Uit het onderzoek in hoger beroep volgt volgens het hof dat verweerder zich consequent, zowel telefonisch als schriftelijk, als executeur heeft gepresenteerd, niet alleen in zijn communicatie met klaagster, maar ook in zijn brief van 11 januari 2024 aan de Geschillencommissie.
8.5 Klaagster heeft in hoger beroep geen nieuwe argumenten aangedragen die tot een ander oordeel dan dat van de raad kunnen leiden. Verweerder heeft gehandeld in overeenstemming met de maatstaf die van toepassing is als een advocaat in een andere hoedanigheid handelt. Het hof sluit zich dan ook aan bij de beslissing van de raad en neemt die over.
Slotsom
8.6 Het hoger beroep van klaagster faalt. Het hof zal de beslissing van de raad bekrachtigen.
9 BESLISSING
Het Hof van Discipline:
bekrachtigt de beslissing van 4 november 2024 van de Raad van Discipline in het ressort ’s-Hertogenbosch, gewezen onder nummer 24-340/DB/LI.
Deze beslissing is genomen door mr. drs. P. Fortuin, plaatsvervangend voorzitter, mrs. K. van Dijk en Chr. Van Dijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.P.D. van Grondelle, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 19 januari 2026.
griffier voorzitter
De beslissing is verzonden op 19 januari 2026 .
