Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

23-01-2026

ECLI

ECLI:NL:TAHVD:2026:20

Zaaknummer

250061

Inhoudsindicatie

Klagers zijn jarenlang bijgestaan door hun advocaat. Anderhalf jaar nadat de opdracht was beëindigd hebben zij tegen hem diverse klachten ingediend. De raad van discipline heeft klagers niet-ontvankelijk verklaard in twee klachtonderdelen, verschillende klachtonderdelen ongegrond verklaard en drie klachtonderdelen gegrond verklaard en aan verweerder een berisping opgelegd voor het onvoldoende informeren van klagers, het op een onduidelijke wijze declareren en het in een procedure tegen klagers inbrengen van informatie over schikkingsonderhandelingen. Klagers komen in beroep tegen de beslissing aangaande de niet gegrond verklaarde onderdelen. Het Hof van Discipline verklaart alsnog twee klachtonderdelen gegrond, te weten het niet hanteren van een redelijk honorarium en het schenden van de geheimhoudingsplicht, maar ziet geen aanleiding om de maatregel van een berisping te verzwaren.

Uitspraak

Beslissing van 23 januari 2026 in de zaak 250061

naar aanleiding van het hoger beroep van:

klagers

gemachtigde: mr. A. de Groot, advocaat te Alkmaar

tegen:

verweerder

 

1    INLEIDING

1.1    Klagers zijn jarenlang bijgestaan door hun advocaat. Anderhalf jaar nadat de opdracht was beëindigd hebben zij tegen hem diverse klachten ingediend. De raad van discipline (hierna: de raad) heeft klagers niet-ontvankelijk verklaard in twee klachtonderdelen, verschillende klachtonderdelen ongegrond verklaard en drie klachtonderdelen gegrond verklaard en aan verweerder een berisping opgelegd voor het onvoldoende informeren van klagers, het op een onduidelijke wijze declareren en het in een procedure tegen klagers inbrengen van informatie over schikkingsonderhandelingen. Klagers komen in beroep tegen de beslissing aangaande de niet gegrond verklaarde onderdelen. Het Hof van Discipline (hierna: het hof) verklaart alsnog twee klachtonderdelen gegrond, te weten het niet hanteren van een redelijk honorarium en het schenden van de geheimhoudingsplicht, maar ziet geen aanleiding om de maatregel van een berisping te verzwaren.

1.2    Het hof zet eerst het verloop van de procedure bij de raad en het hof uiteen. Vervolgens zet het hof het volgende op een rij: de feiten, de klacht en de beoordeling van de raad. Daarna volgen de redenen waarom klagers in beroep zijn gekomen en hoe het hof daarover oordeelt.  

2    DE PROCEDURE 

Bij de raad van discipline

2.1    De raad in het ressort Arnhem-Leeuwarden heeft in de zaak tussen klagers en verweerder (zaaknummer: 24-321/AL/NN) een beslissing genomen op 20 januari 2025. In deze beslissing is de klacht van klagers deels niet-ontvankelijk, deels ongegrond en deels gegrond verklaard. Aan verweerder is de maatregel van berisping opgelegd. Verder is verweerder veroordeeld tot betaling van het griffierecht, reiskosten en proceskosten. 

2.2    Deze beslissing is onder ECLI:NL:TADRARL:2025:15 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.

Bij het hof van discipline

2.3    Het beroepschrift van klagers tegen de beslissing is op 13 februari 2025 ontvangen door de griffie van het hof. 

2.4    Verder bevat het dossier van het hof: -    de stukken van de raad;  -    het verweerschrift van verweerder; -    het e-mailbericht van 6 november 2025 met bijlagen van klagers, en -    het e-mailbericht van 13 november 2025 met bijlagen van verweerder.    2.5    Het hof heeft de zaak mondeling behandeld tijdens de openbare zitting van 24 november 2025. Daar zijn klagers, bijgestaan door hun advocaat, en verweerder verschenen. Partijen hebben hun standpunt toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen, die onderdeel uitmaken van het dossier van het hof. 

3    FEITEN

Het hof neemt feiten van de raad over omdat hiertegen geen beroepsgrond is aangevoerd. Het hof stelt in aanvulling hierop de volgende feiten vast.

3.1    In de periode vanaf ongeveer 2017 tot januari 2022 zijn klagers in diverse procedures bijgestaan door X Advocaten B.V. Deze werkzaamheden werden in het bijzonder door verweerder verricht.

3.2    Volgens verweerder stond op het moment waarop de opdracht werd beëindigd  nog een bedrag open van € 105.441,26 voor verrichte werkzaamheden in de periode van februari 2020 tot 6 januari 2022. Verweerder heeft namens X Advocaten B.V. diverse maatregelen genomen om klagers te bewegen om tot betaling over te gaan, waaronder het onder zich houden van dossiers, het indienen van een faillissementsaanvraag en (uiteindelijk) het aanhangig maken van een dagvaardingsprocedure. 

3.3    Verweerder heeft over het beroep op het retentierecht, het doen van een faillissementsaanvraag, het leggen van beslag en het aanhangig maken van de dagvaardingsprocedure overleg met de deken gevoerd.

3.4    In voornoemde dagvaardingsprocedure heeft de rechtbank op 15 november 2023 eindvonnis gewezen. Klagers zijn veroordeeld tot betaling van € 71.824,28 als hoofdsom. Klagers en verweerder hebben tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld. Bij tussenarrest van 23 september 2025 heeft het gerechtshof een deskundige benoemd ter begroting van het redelijk loon voor X Advocaten B.V. voor de dienstverlening waarop de tien in geschil zijnde declaraties betrekking hebben (indien nodig afgezet tegen de overige 78 declaraties die gedurende de opdracht aan klagers zijn gestuurd). De zaak is vervolgens aangehouden tot 24 maart 2026.

 

4    KLACHT

De klacht houdt, zakelijk weergegeven in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door:

a)    1. geen opdrachtbevestiging te sturen en         2. belangrijke informatie niet vast te leggen;

b)    ondoelmatige belangenbehartiging en geen redelijk honorarium te hanteren c.q. excessief te declareren;

c)    zich nodeloos grievend over klager uit te laten;

d)    onoverzichtelijk en onzorgvuldig te declareren;

e) 1. faillissement aan te vragen     2. beslag te leggen en beroep op retentierecht te doen;

f) zijn geheimhoudingsverplichting te schenden;

g) in rechte informatie over schikkingsonderhandelingen over te leggen;

h) de belangen van de wederpartij onevenredig te schaden;

i) het afdwingen van het intrekken van hoger beroep en van de klacht.

5    ONTVANKELIJKHEID      5.1    Voor zover klagers in hun beroepschrift beroep hebben ingesteld tegen het oordeel van de raad over de klachtonderdelen a.2), d) en g) kunnen zij daarin niet worden ontvangen. Deze klachtonderdelen zijn door de raad gegrond bevonden. Op grond van artikel 56, eerste lid, Advocatenwet staat tegen gegrond verklaarde klachtonderdelen geen beroep open. Dit geldt ook als geen maatregel is opgelegd voor het gegrond verklaarde klachtonderdeel. Of een maatregel moet worden opgelegd voor het gegrond verklaarde klachtonderdeel staat ter vrije beoordeling van de tuchtrechter. Klagers zullen dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard in hun hoger beroep voor zover het de klachtonderdelen a.2), d) en g) betreft.

5.2    Voorts geldt ingevolge het bepaalde in artikel 46g lid 1 onder a Advocatenwet voor het indienen van een klacht een vervaltermijn van drie jaar vanaf het moment dat de klager heeft kennisgenomen of redelijkerwijs kennis heeft kunnen nemen van het handelen of nalaten van de advocaat waarop de klacht betrekking heeft. Op grond van het bepaalde in artikel 46g lid 2 Advocatenwet blijft na afloop van die vervaltermijn een niet-ontvankelijkverklaring achterwege indien de gevolgen van het handelen of nalaten van de betreffende advocaat redelijkerwijs pas nadien bekend zijn geworden.  Artikel 46g lid 1 sub a Advocatenwet is – in tegenstelling tot hetgeen klagers aanvoeren – geen verjaringstermijn, maar een vervaltermijn, die ambtshalve door de tuchtrechter wordt toegepast (HvD 15 maart 2019, ECLI:NL:TAHVD:2019:23). De ratio van de klachttermijn is gelegen in bescherming van de rechtszekerheid voor de advocaat. Het beginsel van rechtszekerheid laat geen ruimte voor een soepeler hantering van de termijnen voor het indienen van een klacht. Alleen onder (zeer) bijzondere omstandigheden kan een overschrijding van de klachttermijn verschoonbaar zijn (HvD 8 mei 2017, ECLI:NL:TAHVD:2017:78). Een verschoonbare termijnoverschrijding kan zich bovendien slechts voordoen op grond van (uitzonderlijke) omstandigheden aan de zijde van de klager, die hem hebben verhinderd om op tijd te klagen. 

5.3    Klagers hebben op 26 september 2023 de klacht ingediend. Ten aanzien van de klachtonderdelen a.1) en e.1) stelt het hof vast dat dit meer dan drie jaar is nadat de verweten handelingen hebben plaatsgevonden in 2017 respectievelijk augustus 2020. Klagers voeren aan dat, nadat zij begin 2022 van de afhankelijkheid van verweerder waren bevrijd, toen pas de verwijtbaarheid van verweerder in volle omvang duidelijk is geworden. Partijen hadden nadien hoogoplopende geschillen en verweerder had dan ook rekening kunnen houden met klachten, de beschermingsratio van de vervaltermijn is hier niet aan de orden.  Wat hier van zij de vervaltermijn van drie jaar van artikel 46 Advocatenwet is van openbare orde. Dat klagers, zoals zij stellen, pas later de volle omvang van het handelen van verweerder bekend is geworden is geen verschoonbare omstandigheid om tijdig een klacht in te dienen als bedoeld in artikel 46c Advocatenwet. Het gaat in artikel 46g lid 1 onder a Advocatenwet bovendien om naar objectieve maatstaven aan te nemen aanwezige kennis bij klagers van het handelen of nalaten van de advocaat waarop de klacht betrekking heeft en niet om subjectieve wetenschap van dat handelen of nalaten bij klagers (HvD 28 augustus 2020, ECLI:NL:TAHVD:2020:160). Klagers hadden reeds in 2017 en 2020 kennis van respectievelijk het ontbreken van een opdrachtbevestiging en de faillissementsaanvrage. Het hof zal, gelijk de raad heeft gedaan,  klagers dan ook niet-ontvankelijk verklaren in de klachtonderdelen a.1) en e.1).

6    BEOORDELING RAAD

6.1    Klachtonderdelen a.2), b) en d) zien op de kwaliteit van de dienstverlening. De raad heeft overwogen dat uit het dossier en het verhandelde ter zitting niet is gebleken dat klagers voldoende door verweerder zijn geïnformeerd over de te volgen strategie en over de kansen en de risico’s in de gevoerde procedures. Een schriftelijk stuk waaruit zou kunnen blijken dat verweerder dat wel heeft gedaan, ontbreekt. Verder heeft verweerder in 2022 een declaratie aan klagers gestuurd voor zijn werkzaamheden die hij over een zeer lange periode heeft uitgevoerd. Die declaratie voldoet niet aan de eisen die gedragsregel 17 aan een declaratie stelt. Omdat verweerder klagers in een lange periode in meerdere zaken tegelijkertijd heeft bijgestaan, was het voor klagers onduidelijk op welke door verweerder verrichte werkzaamheden deze declaratie zag. Deze declaratie was daarom ondoorzichtig en onvoldoende overzichtelijk. Volgens de raad heeft verweerder dan ook gehandeld in strijd met artikel 46 Advocatenwet, zoals in het bijzonder is uitgewerkt in gedragsregel 16 en 17. Dat maakt dat de klachtonderdelen a.2) en d) gegrond zijn verklaard. Dat geldt niet voor klachtonderdeel b). Dat verweerder klagers belangen ondoelmatig heeft behartigd en geen redelijk honorarium in rekening heeft gebracht, is niet met stukken onderbouwd en gelet op de gemotiveerde betwisting ervan niet komen vast te staan.

6.2    De klachtonderdelen c), e.2), f), g) h), i) hebben betrekking op het handelen van verweerder als advocaat van de wederpartij van klagers in de procedure ter incasso van de openstaande declaraties. 

6.3    Klachtonderdeel c) heeft de raad ongegrond verklaard, nu verweerder zich niet onnodig grievend heeft uitgelaten in een processtuk. 

6.4    Klachtonderdeel e.2) heeft de raad eveneens ongegrond verklaard. Het stond verweerder vrij om maatregelen te nemen om de betaling door klagers van zijn nog openstaande declaraties zeker te stellen. Verweerder heeft overleg gevoerd met de deken hierover en klagers hebben niet concreet onderbouwd waarom verweerder deze stappen niet had mogen nemen. 

6.5    Ook klachtonderdeel f) heeft de raad ongegrond verklaard. Klagers hebben enkel gesteld dat verweerder zijn geheimhoudingsplicht zou hebben geschonden, terwijl dit gemotiveerd betwist is door verweerder. 

6.6    Klachtonderdeel g) is wel gegrond verklaard. Verweerder heeft erkend dat hij in de procedure tegen klagers in zijn conclusie van dupliek – zonder toestemming van de advocaat van klagers – heeft verwezen naar schikkingsonderhandelingen. Daarmee heeft verweerder in strijd met gedragsregel 27 gehandeld. 

6.7    Klachtonderdeel h) heeft de raad ongegrond verklaard. Klagers hebben gesteld dat verweerder hun belangen onevenredig had geschaad doordat verweerder niet wilde schikken en geen genoegen nam met een gespreide betaling. Verweerder heeft betoogd dat hij zich wel degelijk heeft ingezet om een regeling met klagers te treffen en bereid was om een gespreide betaling te accepteren, mits daar finale kwijting tegenover zou staan. Gelet op de tegengestelde verklaringen heeft de raad niet kunnen vaststellen dat verweerder zich onvoldoende heeft ingezet om tot een regeling te komen of dat verweerder de belangen van klagers anderszins onevenredig heeft geschaad. 

6.8    Klachtonderdeel i) is tenslotte eveneens ongegrond verklaard. Klagers hebben met verweerder dan wel met X Advocaten onderhandeld over een regeling. Onderdeel van die onderhandelingen was dat alle lopende procedures zouden worden gestaakt en dat partijen over en weer finale kwijting zouden verlenen. Niet gebleken is dat verweerder in die onderhandelingen ongeoorloofde druk op klagers heeft uitgeoefend.

6.9    De raad heeft verweerder een berisping opgelegd voor het onvoldoende informeren van klagers, het op een onduidelijke wijze declareren en het in een procedure tegen klagers brengen van informatie over schikkingsonderhandelingen.  

7    BEROEPSGRONDEN EN VERWEER

Beroepsgronden klager

7.1    Klagers kunnen zich niet verenigen met de beslissing van de raad. Aangevoerd wordt dat verweerder kennelijk overleg heeft gehad met de deken over mogelijke acties tegen klagers teneinde zijn factuur betaald te krijgen, maar waar dat overleg in heeft geresulteerd en of verweerder heeft gehandeld conform hetgeen is besproken is niet duidelijk. Overigens heeft de aanbiedingsbrief van de deken klagers voor de zitting niet bereikt. Bij gebrek aan wetenschap wordt betwist dat verweerder de deken behoorlijk en volledig heeft geïnformeerd, bijvoorbeeld over het feit dat de declaraties uitdrukkelijk betwist zijn, deze een periode van meer dan twee jaar bestrijken zonder tussentijdse kosten opgaaf, dat opdrachtbevestigingen ontbreken en dat klagers al ruim twee ton hebben betaald voor de geleverde werkzaamheden. Klagers kunnen zich niet voorstellen dat de deken, indien wel volledig geïnformeerd, dit alles zo had (kunnen) laten passeren. 

7.2    Verder is de opvatting van de deken onjuist dat partijen jarenlang tot beider tevredenheid hebben samengewerkt. Er waren de laatste jaren regelmatig conflicten over kwaliteit, bereikbaarheid en kosten. Verweerder wil doen voorkomen alsof dat niet zo is en dat hij de opdracht heeft neergelegd wegens betalingsachterstand en daarna de klachten door klager verzonnen zijn, alleen maar om onder betaling van declaraties uit te komen/een betere onderhandelingspositie te verkrijgen. Dat is onjuist: er was een oplopend conflict gaande over de bereikbaarheid, bejegening, resultaten en oplopende kosten (en het gebrek aan overzicht). Op 6 januari 2022 was voor klagers de maat vol en hebben zij de relatie beëindigd, waarna verweerder in één keer ca. € 100.000,00 heeft gedeclareerd over de voorgaande twee jaar. Klagers betwisten voorts de opvatting van de deken dat de verplichting te informeren afhankelijk is van de omstandigheden van het geval en daarbij volgens de deken betekenis moet toekomen aan het feit dat het in (bijna) alle dossiers ging om het voeren van procedures in zaken waarin klagers kennelijk het advies om te schikken niet wilden volgen. De informatieplicht van gedragsregel 17 geldt ongeclausuleerd. Een raadsel is waar de deken op baseert dat klagers het advies om te schikken niet wilden volgen. Dit is blijkt nergens uit en is ook niet vastgelegd. 

7.3    Klachtonderdeel b) is verworpen met een overweging die dat niet kan dragen en klagers niet kunnen volgen. Uit het vonnis van 15 november 2023 blijkt dat sprake was van ontoereikende inhoudelijke kwaliteit van de dienstverlening en excessief declareren. Vastgesteld is dat in alle zaken maar één opdrachtbevestiging is gestuurd. De declaratie van € 60.940,78 inzake Van E is gematigd tot € 40.000,00 en de declaratie inzake V is gematigd van € 24.499,53 tot € 12.500. 

7.4    De raad heeft het gedrag van verweerder getoetst aan de ‘lichtere’ toetsingsmaatstaf die geldt voor advocaat van de wederpartij. Strikt genomen is juist dat verweerder optrad als advocaat van X Advocaten maar toepassing van de norm die geldt voor klachten tegen de advocaat van de wederpartij komt onder de gegeven omstandigheden te formalistisch en gekunsteld voor. Verweerder is (tezamen met mr. P) eigenaar en managing partner van X Advocaten en het geschil betrof in overwegende mate het gedrag, de prestaties en de declaraties van verweerder zelf, als de voormalige advocaat jegens diens voormalige cliënt, waarbij hij voor zover blijkt, zelfstandig en zonder instructie of ruggenspraak met de formele cliënt, optrad. Hij diende ook niet het belang van die cliënt maar van zichzelf toen hij als voorwaarde voor een betalingsregeling als eis stelde dat de klacht tegen hem zou worden ingetrokken. Hoe dan ook heeft verweerder de belangen van zijn tegenpartij/voormalig cliënt onnodig/onevenredig geschaad zonder daarmee een redelijk doel te dienen. Iedere advocaat zou namens zijn cliënt de aangeboden betalingsregeling hebben aanvaard of behoren te hebben aanvaard in plaats van misbruik te maken van een uitvoerbaar vonnis om onevenredige eisen te stellen. Geen enkele cliënt zou de kosten van vijf faillissementsaanvragen hebben willen maken. De raad heeft klachtonderdeel c) dan ook ten onrechte verworpen door te toetsen alsof er is geklaagd tegen de “advocaat wederpartij”. 

7.5    Klagers kunnen voorts niet volgen dat en hoe de gang van zaken rond het derdenbeslag niet is strijd is met de geheimhoudingsplicht die een advocaat ook jegens zijn voormalige cliënt in acht heeft te nemen. De derde-beslagene/klant van klagers heeft het beslagrekest met alle bijlagen ontvangen en heeft dus niet alleen kennis genomen van het geschil met en de vordering van het Advocatenkantoor, maar ook van alle zaken die klagers bij het kantoor hadden lopen en de namen van de tegenpartijen daarin. Dat is informatie die de (voormalige) advocaat geheim behoort te houden. Er is geen procesrechtelijke rechtvaardiging om de geheimhoudingsplicht te schenden. 

7.6    Klagers achten het oordeel dat niet vastgesteld kan worden dat verweerder zich niet voldoende heeft ingespannen en/of klagers belangen anderszins onevenredig heeft geschaad en/of sprake is van ongeoorloofde druk, onbegrijpelijk gezien de feitelijke gang van zaken zoals beschreven in de klachtstukken. Een hele normale betalingsregeling was alleen acceptabel tegen intrekking van het hoger beroep en intrekking van de klacht. 

7.7    Klagers komen tot de conclusie dat de opgelegde berisping onvoldoende recht doet aan de ernst van de gedragingen van verweerder en verzoeken het hof dan ook om de beslissing te vernietigen wat betreft de daarbij niet-ontvankelijk dan wel ongegrond verklaarde klachtonderdelen en die alsnog gegrond te verklaren, alsmede (ook indien het oordeel daarover in stand blijft) een zwaardere maatregel op te leggen.

Verweer verweerder

7.8    Verweerder stelt zich op het standpunt dat klachtonderdeel b) zich niet tot hem richt maar tot het kantoor waar hij werkzaam is en dat als enig opdrachtnemer gold. Ook kantoorgenoten van verweerder hebben dossiers van klagers behandeld. De verantwoordelijkheid voor declaraties en het informeren van cliënten over de kosten ligt bij het advocatenkantoor en niet bij verweerder persoonlijk. 

7.9    Verweerder heeft met klagers regelmatig gecommuniceerd over de hoogte van de kosten. Ook zijn in november 2021 naar klagers diverse concept-declaraties met specificaties gestuurd, waaronder die inzake Van E. Klagers hebben hierop niet gereageerd en vervolgens een betalingsregeling getroffen met X Advocaten B.V.  

7.10    Er is geen sprake geweest van excessief declareren. Het geschil met de curator betrof twee procedures. Klagers hadden relatief gezien veel conflicten en procedures en ontvingen bij iedere declaratie een specificatie. In 4,5 jaar hebben zij meer dan 70 declaraties ontvangen. Daarover zijn nooit opmerkingen gemaakt. 

7.11    Klagers wisten al lang dat er een flinke betalingsachterstand was. Er zijn meerdere betalingsregelingen getroffen met X Advocaten B.V. Er was geen sprake van een gebrekkige dienstverlening. Klager heeft in een gesprek op 21 december 2021 met kantoorgenoten van verweerder aangegeven dat hij de bereikbaarheid van verweerder onvoldoende vond, maar dat hij niets te klagen had over de facturen. Pas anderhalf jaar nadat de opdracht was beëindigd, zijn er klachten geuit. Voor zover sprake is van tekortkomingen zijn deze niet aan verweerder toe te rekenen maar aan destijds geldende processen bij X Advocaten B.V. (die inmiddels zijn aangepast). Verweerder heeft klagers mondeling op de hoogte gehouden van alle aspecten van de dossiers. 

7.12    Ten aanzien van klachtonderdeel c) merkt verweerder op dat de uitlatingen die door klagers als grievend zijn aangemerkt, zijn gedaan in het kader van een juridisch verweer en een functioneel karakter hadden. Ze waren gericht op het weerleggen van de stellingen en zijn binnen de grenzen van de professionele betamelijkheid gebleven. Verweerder had niet de intentie om klagers te beledigen. 

7.13     Wat klachtonderdeel e.2) betreft geldt dat X Advocaten B.V. beslag heeft gelegd en het retentierecht heeft uitgeoefend en heeft afgestemd met de deken. Verweerder heeft daarbij gehandeld conform de geldende gedragsregels. Klagers hebben nooit formeel bezwaar gemaakt tegen het uitoefenen van het retentierecht en zijn niet geschaad door de beslaglegging. 

7.14     Verder betwist verweerder dat hij zijn geheimhoudingsplicht (klachtonderdeel f)) heeft geschonden. De informatie in en bij het beslagrekest (waaronder de dagvaarding) was noodzakelijk voor de onderbouwing van de vordering. Er is voldaan aan de eisen zoals vermeld in de Beslagsyllabus en artikel 21 Rv. Bovendien hebben klagers niet aangegeven of en welke schade zij hebben geleden hierdoor. 

7.15     Ten aanzien van klachtonderdeel h) erkent verweerder dat er druk is uitgeoefend om de nakoming van het vonnis te bewerkstelligen, maar er is geen sprake geweest van ongeoorloofde druk. Klagers zijn niet benadeeld en hebben geen schade ondervonden. De klacht is onvoldoende onderbouwd. Het vonnis was uitvoerbaar bij voorraad verklaard en X Advocaten B.V. had een voorstel gedaan voor het treffen van een betalingsregeling. Klagers hebben uiteindelijk ook betaald.

7.16     Tijdens de schikkingsonderhandelingen is door X Advocaten B.V. een voorstel gedaan tegen finale kwijting, waarbij intrekking van de klacht (klachtonderdeel i)) en later ook intrekking van het hoger beroep als voorwaarden werden gesteld. Dat is niet klachtwaardig. Klagers waren niet gehouden hiermee in te stemmen en hebben dat ook niet gedaan. 

8    BEOORDELING HOF

Maatstaf

8.1    De tuchtrechter dient bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in artikel 10a Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen wel van belang zijn, gezien ook het open karakter van de behoorlijkheidsnorm in artikel 46 Advocatenwet. Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld.

8.2    Bij de beantwoording van de vraag of een advocaat zich betamelijk heeft gedragen als bedoeld in artikel 46 van de Advocatenwet hanteert het hof als uitgangspunt dat de tuchtrechter mede tot taak heeft de kwaliteit van de dienstverlening te beoordelen als daarover wordt geklaagd. Bij deze beoordeling geldt dat de tuchtrechter rekening houdt met de vrijheid die de advocaat heeft met betrekking tot de wijze waarop hij een zaak behandelt en met keuzes waar de advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door de eisen die aan de advocaat als opdrachtnemer in de uitvoering van die opdracht mogen worden gesteld en die met zich brengen dat zijn werk dient te voldoen aan datgene wat binnen de beroepsgroep als professionele standaard geldt. Het hof toetst of verweerder heeft gehandeld met de zorgvuldigheid die van een redelijke bekwame en redelijk handelende advocaat in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht. Deze toets geldt omdat er binnen de beroepsgroep wat betreft de vaktechnische kwaliteit geen sprake is van breed gedragen, schriftelijk vastgelegde professionele standaarden.

klachtonderdeel b): ondoelmatige belangbehartiging en excessief declareren (redelijk honorarium)?

8.3    Het eerste klachtonderdeel dat beoordeeld dient te worden is b): ondoelmatige belangenbehartiging en geen redelijk honorarium hanteren en excessief declareren. Dit klachtonderdeel spitst zich toe op twee zaken waarin verweerder klagers declaraties heeft gestuurd van afgerond respectievelijk € 60.000,- en € 25.000,-. De kwestie over de betaling van die declaraties ligt voor bij het gerechtshof nadat de rechtbank had overwogen dat de declaraties gematigd dienden te worden tot € 40.000,- respectievelijk € 12.500,-. Het gerechtshof heeft een deskundige benoemd die de opdracht heeft gekregen om een redelijk loon te bepalen voor de diensten die verweerder heeft geleverd in onder meer die twee zaken (in totaal zijn het tien zaken, maar in voornoemde twee zaken zijn de hoogste declaraties gestuurd).

8.4     Vastgesteld kan worden dat in de zaak waarin € 60.000,- is gedeclareerd zeer veel uren zijn geschreven voor het opstellen van een processtuk (conclusie), terwijl de vordering van de wederpartij ‘slechts’ € 45.000,- bedroeg. Dit staat niet in een redelijke verhouding tot elkaar. Verweerder heeft aangevoerd dat het belang van de zaak groter was vanwege de ingestelde eis in reconventie van € 328.000,-. De rechtbank heeft echter juist daarover geconstateerd dat deze eis niet voldoende was onderbouwd. Dat sluit aan bij de stellingen van verweerder zelf, dat hij pas op het laatste moment is geïnformeerd door klagers over gebreken in de door de wederpartij geleverde prestatie en daardoor geen goed onderbouwde tegeneis heeft kunnen instellen. Zonder nadere uitleg is dan ook niet begrijpelijk dat er zoveel uren zijn geschreven, terwijl het te verwachten resultaat relatief beperkt is. Weliswaar heeft er in deze zaak ook nog een kort geding gespeeld, maar uit de correspondentie tussen verweerder en klagers blijkt, dat verweerder wist dat het voeren van verweer in dat kort geding naar alle waarschijnlijkheid bij voorbaat kansloos was. Die kosten hadden klagers dus (ook) bespaard kunnen worden. Dat er in die zaak een kort geding is gevoerd doet er dus niet aan af, maar heeft er juist aan bijgedragen dat de gedeclareerde werkzaamheden niet in redelijke verhouding staan tot het belang in de zaak. Geconcludeerd kan dan ook worden dat verweerder klagers geen redelijk loon in rekening heeft gebracht (vgl. gedragsregel 17 lid 1). Dit geldt ook voor de andere zaak waarin een bedrag van afgerond € 25.000,- in rekening is gebracht. Voor het opstellen van de conclusie van dupliek is een bedrag van € 12.500,- gefactureerd (verweerder heeft ruim 31 uur besteed aan het opstellen van die conclusie), terwijl het een stuk betrof van acht pagina’s. Ook in deze zaak, die aanhangig is gemaakt door verweerder, was de kans op een gunstig resultaat voor klagers vrij beperkt. De rechtbank heeft geconcludeerd dat verweerder klagers in die zaak niet goed heeft geïnformeerd. Alhoewel de kwestie over de declaraties in deze zaak nog loopt bij het gerechtshof, is het hof van oordeel dat ook in deze zaak het gedeclareerde aantal uren niet in een redelijke verhouding staat tot het resultaat, zijnde een acht pagina’s tellende conclusie. Het beroep tegen dit klachtonderdeel zal dan ook gegrond worden verklaard.

Klachtonderdeel c): uitlatingen over klager

8.5    Ten aanzien van klachtonderdeel c), het zich nodeloos grievend over klager uitlaten, heeft verweerder aangegeven dat hij in de zaak van de onbetaald gelaten declaraties inkleuring heeft willen geven aan het karakter en handelen van de persoon van klagers, in het bijzonder klager sub 1, waarbij hij de stelling dat er een machtspositie zou bestaan tussen hem en klager sub 1 wilde ontkrachten. Met de raad is het hof van oordeel dat verweerder met zijn uitlatingen over verweerder (onder meer: “nogal hoekig, dwingend en ongeduldig, loopt graag op het randje”) binnen de grenzen van zijn vrijheid is gebleven en niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. 

Klachtonderdeel e 2): beslaglegging en beroep op retentierecht

8.6    In klachtonderdeel e.2) wordt geklaagd over het leggen van beslag en het doen van een beroep op het retentierecht door verweerder toen betaling van de declaraties uitbleef. Het hof sluit zich aan bij de overwegingen en het oordeel van de raad op dit onderdeel. Verweerder heeft voorafgaand aan het nemen van deze stappen overleg gevoerd met de deken, wat door de deken is bevestigd. Het gaat er niet om dat de deken instemt met de stappen die een advocaat wenst te ondernemen, deze blijven zijn eigen verantwoordelijkheid. Bij gebreke van een onderbouwing valt niet in te zien waarom verweerder op dit punt tuchtrechtelijk verwijtbaar zou hebben gehandeld. 

Klachtonderdeel f): geheimhoudingsplicht

8.7    Klachtonderdeel f) betreft de schending van verweerders geheimhoudingsplicht. Het hof stelt voorop dat de plicht tot geheimhouding behoort tot de kernwaarden van de advocatuur en dat doorbreking daarvan door de advocaat slechts in zeer uitzonderlijke gevallen aan de orde kan komen. Verweerder wordt verweten dat hij bij het beslagrekest producties heeft gevoegd met vertrouwelijke informatie die vervolgens ook aan de derde-beslagenen zijn over betekend.

8.8     Het hof overweegt dat in artikel 719 lid 2 Rv is bepaald dat bij het beslagexploot aan de derde tevens een afschrift dient te worden betekend van het verlof van de voorzieningenrechter en van het verzoekschrift waarop het is gegeven. Het maken van een selectie hierin is niet toegestaan. Van de advocaat die tegen zijn voormalige cliënt procedeert om betaling te verkrijgen van zijn declaraties wordt echter verwacht, dat hij zich er bij voorbaat rekenschap van geeft of de bijlagen bij het verzoekschrift tot het verkrijgen van verlof om beslag onder derden te leggen, daadwerkelijk een noodzakelijke onderbouwing van zijn verzoek vormen in het geval die bijlagen aan hem toevertrouwde informatie bevatten en dus vallen onder zijn beroepsgeheim. Verweerder heeft producties bij het verzoekschrift gevoegd met informatie waarvoor zijn geheimhoudingplicht geldt, waaronder een e-mail over een betalingsregeling en specificaties van de declaraties. De derde-beslagenen, waaronder een nieuwe klant van klagers, hebben deze informatie allemaal ontvangen. Het hof is van oordeel dat verweerder onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het bijvoegen van de specificaties van zijn werkzaamheden noodzakelijk was voor het verkrijgen van verlof voor het leggen van beslag. Verweerder had er mee kunnen volstaan om enkel de facturen als producties bij het beslagrekest mee te sturen. Als dat te weinig informatie zou hebben bevat voor de rechter die het verlof moest beoordelen, had die mogelijk aanvullende vragen kunnen stellen. Verweerder heeft dan ook in strijd gehandeld met de kernwaarde vertrouwelijkheid en met gedragsregel 3, die eveneens de vertrouwelijkheid tot uitgangspunt heeft, wat tuchtrechtelijk verwijtbaar is. Het hof zal dit klachtonderdeel dus gegrond verklaren.

Klachtonderdelen h) en i): onevenredig schaden van de belangen van klagers?

8.9    Het hof zal tot slot de klachtonderdelen h) en i) samen behandelen. Verweerder wordt verweten dat hij de belangen van klagers onevenredig heeft geschaad door in de faillissementsrekesten ten onrechte niet mede te delen dat klagers appel hadden ingesteld tegen het vonnis van november 2023 met een incidentele vordering tot schorsing van de executie en evenmin dat klagers inmiddels gedeeltelijk aan het vonnis hadden voldaan hadden. Daarnaast heeft verweerder volgens klagers druk op hen uitgeoefend door hen te proberen te bewegen om het hoger beroep en de klacht in te trekken door de door klagers voorgestelde betalingsregeling daarvan afhankelijk te maken. 

8.10    Het hof is van oordeel dat het niet onbetamelijk is om als voorwaarde bij een betalingsregeling te stellen dat (klacht)procedures worden ingetrokken. Ook het aanvragen van het faillissement is op zich een geoorloofd drukmiddel. Verweerder heeft (in zijn hoedanigheid van advocaat tegenover zijn voormalige cliënten) meerdere keren een faillissementsaanvraag ingediend. De aanvragen betroffen verschillende vennootschapen en klager in privé, maar zijn na betaling weer ingetrokken. In dat verband is nog van belang dat de houding van klagers was dat zij niet vrijwillig aan het (uitvoer bij voorraad verklaarde) vonnis wilden voldoen, zodat enige druk kennelijk nodig was om hen tot betaling te dwingen. In dat licht moeten de faillissementsaanvragen worden bezien. Niet gebleken is dat verweerder ongeoorloofde druk heeft uitgeoefend. Gelet op die omstandigheden is dan ook niet aannemelijk geworden dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.

Slotsom

8.11    Het hof zal het beroep tegen de klachtonderdelen b) en f) alsnog gegrond verklaren. Het beroep tegen de overige voorliggende klachtonderdelen treft geen doel.

9    MAATREGEL

De raad heeft verweerder een berisping opgelegd voor het onvoldoende informeren van zijn voormalige cliënten, het op onduidelijke wijze declareren en het in een procedure tegen klagers brengen van informatie over schikkingsonderhandelingen. Het schenden van de geheimhoudingsplicht komt hier nu bij. Ook oordeelt het hof dat verweerder de verplichting om een redelijk honorarium te hanteren niet heeft nageleefd, wat voor een deel samenvalt met het gegrond verklaarde klachtonderdeel d, onzorgvuldig declareren. Het hof ziet echter in het totaal aan door de raad en het hof gegronde klachtonderdelen geen aanleiding om de opgelegde maatregel te verzwaren. Gelet op de aard en de ernst van deze gedragingen zal het hof het oordeel van de raad tot oplegging van een berisping zal dan ook bekrachtigen.

10    PROCESKOSTEN

10.1    Verweerder is bij de raad reeds veroordeeld tot vergoeding van het betaalde griffierecht aan klagers. Het hof zal het oordeel van de raad ten aanzien hiervan bekrachtigen. 

10.2     Omdat het hof een maatregel bekrachtigt (en het beroep van klagers gedeeltelijk slaagt) zal het hof verweerder op grond van artikel 48ac, eerste lid, Advocatenwet veroordelen in de kosten voor de procedure bij het hof conform de Richtlijn kostenveroordeling Hof van Discipline 2021:                                                                                                                                    a) € 50,- kosten van klagers (forfaitair);  b) € 1.050,-  kosten voor rechtsbijstand van klagers; c) € 1.000,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten; d) € 1.000,- kosten van de Staat.

10.3     Verweerder moet op grond van artikel 48ac lid 4 Advocatenwet het bedrag van € 1.100,- aan kosten van klager binnen vier weken na deze beslissing betalen aan klagers. Klagers geven binnen twee weken na de datum van deze beslissing hun rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.

10.4     Verweerder moet op grond van artikel 48ac lid 4 Advocatenwet het bedrag van € 2.000,- binnen vier weken na deze uitspraak overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling hof van discipline" en het zaaknummer.

11    BESLISSING

Het Hof van Discipline:

11.1    vernietigt de beslissing van 20 januari 2025 van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden, gewezen onder nummer 24-321/AL/NN, voor zover het de klachtonderdelen b) en f) betreft;

en doet opnieuw recht:

11.2    verklaart de klachtonderdelen b) en f) gegrond;

11.3    bekrachtigt de beslissing van 20 januari 2025 van de Raad van Discipline in het  ressort Arnhem-Leeuwarden, gewezen onder nummer 24-321/AL/NN, voor het overige, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

11.4    veroordeelt verweerder tot betaling van de kosten in de procedure bij het hof van € 1.100,- aan klagers, op de manier en binnen de termijn zoals hiervóór bepaald;

11.5     veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten in de procedure bij het hof van € 2.000,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn zoals hiervóór bepaald.

Deze beslissing is genomen door mr. J. Blokland, voorzitter, mrs. R. Verkijk en A. Groenewoud, leden, in tegenwoordigheid van mr. B.J.M. Vermulst, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 23 januari 2026.  

griffier    voorzitter             

De beslissing is verzonden op 23 januari 2026.