Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

19-01-2026

ECLI

ECLI:NL:TADRSGR:2026:14

Zaaknummer

25-359/DH/RO

Inhoudsindicatie

Raadsbeslissing. Verweerder is T, een kwetsbare, hoogbejaarde man, gaan bijstaan, zonder zich ervan te vergewissen dat T wilsbekwaam was en in staat was verweerder een opdracht te verstrekken. Diverse omstandigheden maakten dat verweerder alle reden had om aan de wilsbekwaamheid te twijfelen en daarnaar eerst onderzoek te doen. Dat heeft verweerder niet gedaan. Verweerder heeft vervolgens diverse fouten gemaakt. De opdracht blijft onduidelijk, omdat hierover niets is vastgelegd.  Verweerder heeft T bovendien op betalende basis bijgestaan, terwijl T (vanwege de rechterlijke machtiging) in aanmerking kwam voor gefinancierde rechtsbijstand. Des te wranger is dat verweerder in zes en een halve maand tijd ruim € 53.000,- heeft gedeclareerd, terwijl niet blijkt welke werkzaamheden zijn verricht en of die noodzakelijk of van enig nut waren. Sprake van exorbitant en excessief declareren. Handelen in strijd met diverse gedragsrels en in strijd met de kernwaarden deskundigheid en (financiële) integriteit. Verweerder al meer dan 50 jaar advocaat en geen tuchtrechtelijk verleden. De raad rekent het verweerder ernstig aan dat hij op deze wijze met een kwetsbare, hoogbejaarde man is omgegaan die niet of onvoldoende in staat was zijn wil te bepalen. Schrapping.

Uitspraak

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 19 januari 2026 in de zaak 25-359/DH/RO naar aanleiding van de klacht van:

klaagster  gemachtigde: mr. A.D. van Erp

over

verweerder  gemachtigde: mr. M.A.T. Schroots

1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE 1.1    Op 29 januari 2025 heeft klaagster bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Rotterdam (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder. 1.2    Op 2 juni 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk R 2025/056 van de deken ontvangen.  1.3    De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 8 december 2025. Daarbij waren klaagster en haar gemachtigde, alsmede verweerder en zijn gemachtigde aanwezig. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt. 1.4    De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 16. Ook heeft de raad kennisgenomen van: -    de e-mails met bijlagen van verweerder van 7 juli 2025 en 29 oktober 2025; -    de e-mail met bijlagen van de gemachtigde van klaagster van 8 juli 2025 en 1 december 2025.

2    FEITEN 2.1    Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten. 2.2    De heer [T] (hierna: T) is geboren in 1935. Klaagster is de nicht van T. Bij levenstestament van 8 december 2020 heeft T klaagster benoemd tot zijn algemeen gevolmachtigde.  2.3    Sinds 2015 is bij T sprake van hersenletsel na het verwijderen van een hersentumor. In mei 2023 heeft T een herseninfarct (CVA) gehad. Sinds medio 2023 verbleef T in een verpleeghuis.  2.4    Bij brief van 9 april 2024 heeft een specialist ouderengeneeskunde gerapporteerd over T in het kader van een aanvraag rechterlijke machtiging. In de brief staat onder meer:  “Deze patiënt heeft vanwege een complexe psychiatrische aandoening nl. een NAH beeld met fors ontremd gedrag zowel verbaal, fysiek als sexueel, intensieve begeleiding, verpleging en zorg nodig. (..) Patiënt kan zijn hulpvraag niet uitstellen en/of verwoorden en is niet in staat om tijdig hulp te vragen. (…) Er is overname van taken op alle levensterreinen nodig. (…) Bij deze patiënt ontbreken de besluitnemings- en oplossingsvaardigheden en moet het initiëren en uitvoeren van bijna alle taken worden overgenomen Patiënt heeft begeleiding nodig bij het beheren van geld en het verrichten van administratieve handelingen. Dit wordt door de nicht van de heer gedaan, zij is zijn eerste contactpersoon. Nicht vindt dit een zware taak en dreigt overbelast te raken. Patiënt heeft intensieve ondersteuning nodig ten aanzien van alle cognitieve/psychische functies.”  2.5    Op 19 april 2024 is bij de rechtbank een verzoekschrift rechterlijke machtiging (ex artikel 26 Wet zorg en dwang, hierna: Wzd) ingediend. 2.6    Bij beschikking van 2 mei 2024 heeft de rechtbank een rechterlijke machtiging tot opname en verblijf van T verleend voor de duur van zes maanden. In de beschikking staat onder meer: “Betrokkene heeft geen goed besef en geen enkel reëel inzicht in de ernst van zijn aandoening, de mogelijkheden om zichzelf nog goed te redden en het effect daarvan op zijn dagelijks leven.  (…) Mede dankzij zijn nicht heeft betrokkene, ondanks zijn hersenletsel, nog enkele jaren thuis kunnen wonen. Nu is echter het moment aangebroken dat thuis wonen gewoonweg niet langer tot de mogelijkheden behoort.” 2.7    Een kennis van T, de heer [J] (hierna: J) heeft onderwijl verweerder ingeschakeld. Uit de door verweerder overgelegde urenspecificatie maakt de raad op dat hij sinds 1 mei 2024 werkzaamheden verricht voor T. Op 14 mei 2024 heeft een (eerste) fysieke ontmoeting plaatsgevonden tussen T en verweerder, in aanwezigheid van J. 2.8    Op 21 mei 2024 heeft T een handgeschreven briefje ondertekend waarin hij zijn volmacht aan klaagster intrekt. 2.9    Op 29 mei 2024 heeft een medewerker van het verpleeghuis aan klaagster onder meer geschreven: “Naar aanleiding van uw e-mail met het ondertekende briefje (waarin stond dat u geen gevolmachtigde meer zou zijn) heb ik overleg gehad met een collega. (…) Op dit moment vinden wij het ondertekende briefje niet rechtsgeldig, aangezien Dhr. bij meerdere personen heeft aangegeven niet te weten dat hij met het tekenen van dat briefje u uit de volmacht heeft gezet. In zijn beleving heeft hij een briefje ondertekend dat ervoor zorgt dat hij naar huis zou kunnen gaan en dat zijn advocaat hierbij kan helpen.” 2.10    Bij brief van 18 juni 2024 heeft een specialist ouderengeneeskunde van GeriCall gerapporteerd over T. In de brief is onder meer vermeld: “Betreft: Beoordeling wilsbekwaamheid ter zake financiën, administratie en medische beslissing(en) bij [T] (…) Op 17-06-2024 heb ik [T] (…) een bezoek gebracht. (…) In het gesprek die plaats heeft gevonden met [T] zelf, wordt waargenomen dat er sprake is van stoornissen over meerdere cognitieve domeinen. (…) Er wordt geconstateerd dat [T] onvoldoende uiting kan geven van het begrijpen van relevante informatie, en hierdoor ook onvoldoende uiting kan geven aan logisch redeneren in het overwegen van de mogelijke opties en de gevolgen hiervan. (…) Alles bij elkaar genomen zorgt dit ervoor dat [T] niet zelfstandig in staat is tot het nemen van een beslissing over zaken in de financiën, administratie en medische beslissing(en)/eigen gezondheid.” 2.11    Op 19 juni 2024 heeft klaagster een verzoekschrift ingediend bij de rechtbank, strekkende tot instelling van een bewind over de goederen van T en het instellen van een mentorschap ten behoeve van T. Klaagster heeft verzocht haar te benoemen tot bewindvoerder en mentor.  2.12    Op 26 juni 2024 is een nieuw levenstestament voor T opgemaakt door notaris P, waarin alle eerder gemaakte levenstestamenten en de daarin verleende algemene volmachten zijn herroepen en mevrouw [V] (hierna: V) is benoemd tot algemeen gevolmachtigde van T. 2.13    Op 24 juli 2024 heeft notaris P, in reactie op een e-mail van verweerder, aan verweerder bericht: “Naar aanleiding van uw onderstaande mail kan ik u mededelen dat ik op 26 juni jl. geen twijfels had inzake de wilsbekwaamheid van [T]. Als ik dat wel zou hebben gehad zou ik het levenstestament niet hebben verleden.” 2.14    Op 25 juli 2024 heeft verweerder bij de rechtbank een verweerschrift ingediend in de procedure over bewind en mentorschap. In het verweerschrift staat onder meer: “10. Doorslaggevend in deze zaak is het welzijn van verweerder. Hij wordt in Verpleeghuis [naam] slecht behandeld, de toegang aldaar van een vaste vertrouweling van verweerder wordt door deze instelling zonder opgave van reden verboden en de komst van een geriatrisch arts om de geestelijke en fysieke gesteldheid van verweerder te onderzoeken is ook verboden. (…) 11. Verweerder wil zo snel als mogelijk het Verzorgingshuis [W] verlaten en hetzij verder thuis met behulp van PGB worden verzorgd, hetzij in een waardige omgeving waar hij de hem toekomende zorg krijgt.” 2.15    Op 30 juli 2024 is het verzoek tot bewind en/of mentorschap door de kantonrechter op zitting behandeld. Klaagster was daarbij aanwezig, evenals T, bijgestaan door verweerder. Ook J en V waren aanwezig. In het proces-verbaal van inlichtingen staat onder meer: “[T] verklaart – zakelijk weergegeven -: (…) [Klaagster] heeft al zoveel voor mij gedaan. Zij heeft goed voor mij gezorgd maar heeft het te druk met andere dingen. Zij heeft weinig tijd voor mij waardoor zij voor mij nog geen plekje heeft kunnen vinden om te wonen. [V] gaat mij nu daarbij helpen. (…) Mijn testament wil ik zo gaan inrichten dat een deel van mijn vermogen naar mijn nicht [klaagster] gaat en naar wat buren die voor mij zorgen. Ik ben gelovig. Een flink gedeelte van mijn vermogen wil ik nalaten aan de kerk zodat ze kunnen uitbreiden met de bouw. (…) [V] verklaart – zakelijk weergegeven-: (…) Mijn doel is om zijn laatste levensfase in zijn eigen woning door te laten brengen met professionele hulp.”  2.16    Bij beschikking van 1 augustus 2024 heeft de kantonrechter de verzoeken van klaagster afgewezen. In de beschikking is onder meer opgenomen:  “Verzoekster voert aan dat betrokkene wilsonbekwaam is. Zij legt daartoe een verklaring over van de geriater van 18 juni 2024 en een uitspraak van de rechter van 2 mei 2024 betreffende een rechterlijke machtiging tot opname en verblijf als bedoeld in artikel 24 van de Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten. (…) Betrokkene heeft aangevoerd dat hij bij levenstestament zijn algemeen gevolmachtigde heeft gewijzigd van verzoekster naar [V] vanwege de wijze waarop verzoekster zijn financiële en medische belangen heeft behartigd. (…) Daarbij wil betrokkene graag zijn laatste levensfase weer thuis wonen met de benodigde zorg. [V] zou hem daarbij willen en kunnen helpen en begeleiden. (…) De kantonrechter heeft ter zitting van 30 juli 2024 betrokkene tweemaal alleen gehoord. Hetgeen betrokkene heeft verklaard komt overeen met hetgeen hij in zijn levenstestament heeft opgenomen.  Het is de notaris die toetst of betrokkene wilsbekwaam is bij het opmaken van een (levens)testament. (…) Gelet hierop en op hetgeen betrokkene heeft verklaard, kan de kantonrechter voor nu niet anders concluderen dan dat het levenstestament van 26 juni 2024 rechtsgeldig is opgemaakt. Daarbij is het niet aan de kantonrechter om in deze procedure de eventuele nietigheid van het levenstestament te beoordelen. Daar zijn andere procedures voor.”  Klaagster heeft appel ingesteld tegen deze beschikking. Zij heeft het hoger beroep later ingetrokken in verband met het overlijden van T. 2.17    In september 2024 is een verlenging van de rechterlijke machtiging verzocht. Bij de zitting daarover was verweerder aanwezig. De rechterlijke machtiging is verlengd. 2.18    T is op 19 november 2024 overleden.  2.19    Het dossier bevat de declaraties van verweerder aan T, inclusief de specificaties (alleen de specificaties bij de facturen van 30 mei 2024 en 1 juli 2024 zijn compleet, de overige specificaties zijn geanonimiseerd). Het totaal van alle declaraties is: € 54,435.-. Het gaat om de volgende declaraties (alle bedragen inclusief btw):

Declaraties voor advies -    16 mei 2024:     € 3.327,50 (voorschot); -    30 mei 2024:     € 2.660,49 (na verrekening van het betaalde voorschot); -    1 juli 2024:         € 4.961,- -    5 augustus 2024:    € 3.010,18; -    12 september 2024: € 5.989,50; -    23 oktober 2024:     € 8.107,- -    18 november 2024: € 7.732,44. Totaal:             € 35.788,11

Declaraties voor onderbewindstelling -    5 augustus 2024:    € 5.964,09; -    12 september 2024:    € 1.452,- -    23 oktober 2024:    € 3.414,50; -    18 november 2024:    € 906,29. Totaal:             € 11.736,88

Declaraties voor ‘Rabobank’ -    5 augustus 2024:     € 971,03; -    12 september 2024: € 4.477,-; Totaal:            € 5.448,03

Declaraties voor ‘[T]/[T]’ -    23 oktober 2024:    € 847,-    ; -    18 november 2024:    € 614,98. Totaal:             € 1.461,98

2.20    Op de dag van het overlijden van T, 19 november 2024, is een verzoekschrift tot het leggen van conservatoir beslag op de rekening en het huis van T opgesteld door de gemachtigde van verweerder. Dit verzoekschrift is op 22 januari 2025 ingekomen bij de rechtbank.  2.21    Het dossier bevat een e-mail van de J aan verweerder van 26 november 2024, waarin onder meer staat:   “Uiteindelijk verzocht [T] mij om op zoek te gaan naar een geschikte advocaat teneinde uit de problemen te komen. (….) Eind april informeerde ik [T] dat het verstandig zou zijn om [kantoor verweerder] te [plaats] in te schakelen (…). Op 1 mei van dit jaar gaf [T] mij opdracht om [kantoor verweerder] in te schakelen om zijn belangen te laten behartigen. Advocaat [verweerder] was bereid om voor een tarief van Euro 250,00 per uur exclusief BTW de belangen van [T] te behartigen en daarmee ging [T] direct akkoord. De ingediende declaraties van advocaat [verweerder] waren voor [T] ook akkoord tot het moment dat [V] de financiële belangen van [T] overnam. [V] is blijkens het levenstestament van 26 juni 2024 benoemd tot belangenbehartigster van [T]. Voorzover mij bekend zijn de declaraties van advocaat [verweerder] vervolgens door haar ontvangen en volledig akkoord bevonden. Door onbegrip van de Rabobank zijn de declaraties evenwel helaas niet betaald.” Deze e-mail is door verweerder ook wel aangeduid als de opdrachtbevestiging. 2.22    Het dossier bevat een e-mail van V aan verweerder van 27 november 2024, waarin onder meer staat:  “Hierbij mijn bevestiging tot benoeming tot belangenbehartiger voor financiële zaken van [T]. (…) De aangeleverde nota’s met bijbehorende specificaties van [verweerder] zijn door mij gecontroleerd en in orde bevonden.  De bank heeft helaas de nota’s nooit betaald.” 2.23    Op 28 november 2024 heeft verweerder de erfgenamen, waaronder klaagster,  gesommeerd tot betaling van de openstaande declaraties ad € 53.435,-, uiterlijk op 1 december 2024. Als bijlagen bij de e-mail heeft verweerder de opdrachtbevestiging (de e-mail van J van 26 november 2024), declaraties en specificaties (waarbij de omschrijvingen zijn weggelaten) gevoegd.  2.24    Op 17 december 2024 is door een notaris een verklaring van erfrecht opgemaakt, waaruit volgt dat klaagster en  haar twee zussen erfgenaam zijn. De erfgenamen hebben de nalatenschap zuiver aanvaard. Klaagster is tevens executeur.  2.25    Op 9 januari 2025 heeft de gemachtigde van verweerder klaagster en haar zussen (mede erfgenamen) in gebreke gesteld en gesommeerd tot betaling over te gaan van de declaraties ten bedrage van € 53.435,- met rente en incassokosten. 2.26    Op 14 januari 2025 heeft de gemachtigde van klaagster hierop gereageerd en namens klaagster gemotiveerd betwist dat de werkzaamheden van verweerder hebben plaatsgevonden, althans dat daartoe een opdracht bestond van T. De gemachtigde van klaagster heeft in haar bericht een schikkingsvoorstel gedaan. 2.27    Op 22 januari 2025 heeft de gemachtigde van verweerder het schikkingsvoorstel afgewezen. 2.28    Diezelfde dag heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank verlof verleend voor het leggen van conservatoir beslag. Op 27 januari 2025 en 3 februari 2025 is namens verweerders praktijkvennootschap C conservatoir beslag gelegd op de bankrekeningen van T en op de woning.  2.29    Op 10 februari 2025 heeft verweerders praktijkvennootschap C de erven van T, waaronder klaagster, gedagvaard en betaling van de declaraties gevorderd.  In de dagvaarding is onder meer vermeld: “3. De opdracht hield onder meer in de volmacht aan [klaagster] in te trekken, te zorgen voor een nieuw levenstestament en vervolgens ook voor een gewijzigd testament waarin [klaagster] niet langer als erfgenaam of legataris zou zijn vermeld.” 2.30    Het dossier bevat een pagina van een Conclusie van Antwoord van de gemachtigde van klaagster, waarin onder meer is vermeld:  37. Uit een gesprek dat [R] met erflater had en dat zij heeft opgenomen, zegt erflater: “Ik weet niet meer wat er gebeurd is. Die advocaat die moet nagaan of er niet een foutje gemaakt is, zodat ik wel naar huis kan met ja met enige zorg, omdat eh dan al eh bijna 89 is. Dat kan iedereen begrijpen. […] [J] is zeg maar voorlopig nog eventjes bezig met de mogelijkheid te onderzoeken of… Hij heeft dus die advocaat in de arm genomen […] Hij gaat onderzoeken of er inderdaad een mogelijkheid is om mij… een second opinion… om aan een eh… in cassatie te doen… Nou en dat moet onderzocht worden.” In andere gesprekken komt duidelijk naar voren dat erflater niet begrijpt wie [verweerder] is, dat hij de strekking van het briefje, waarmee de volmacht van [klaagster] is ingetrokken niet begrijpt en dat hij niet weet wie nu zijn financiële belangen behartigt. In het gesprek met [R] omtrent het briefje van [J] geeft erflater aan dat [klaagster] nog moet betalen. Daarbij gaf erflater aan dat [J] hem vertelde dat deze advocaat het voor een koopje zou doen”  2.31    Het dossier bevat een verklaring van J, gedateerd 7 juli 2025, waarin onder meer staat: “[Verweerder] heeft regelmatig zijn declaraties (welke steeds conform afspraak op maandbasis werden gestuurd) en het kostenverloop ervan in mijn aanwezigheid met [T] besproken.” 2.32    Het dossier bevat een e-mail van V aan de gemachtigde van klaagster van 8 juli 2025, waarin V onder meer schrijft: “Er is door mij nooit iets opgestart of toestemming gevraagd of gesproken over kosten. Immers was alles al in volle beweging toen ik in het levenstestament terecht kwam. De eerste drie rekeningen zijn nog naar [klaagster] gestuurd en toen was ik nog niet in beeld. Toen ik de rekeningen onder ogen kwam besefte dat er een advocaat van vermogen was. Dat wist ik niet. Ik heb dus de eerste drie rekeningen aan de bank overhandigd maar er werd niets mee gedaan. De bank zat op slot dus verder heb ik met de rekeningen niets gedaan. Alle rekeningen heb ik de bedragen bij elkaar opgeteld en dat klopte. Uiteraard verder geen flauw benul hoelang en hoeveel er is gewerkt. Dat kon ik niet nagaan. Verder kon meneer [T] geen rekeningen meer inzien. Hij was er al te slecht aan toe.  In het nieuwe levenstestament zou een groot bedrag naar de kerk gaan. Dit was de wil van meneer [T]. daarnaast zouden kleinere bedragen naar een aantal personen gaan. (…) Maar hij wilde thuis sterven en dat laatste had ik nog graag voor hem willen doen. Hij was al te ver weg toen er nog over “naar huis terug” werd gesproken en met een Rechterlijke Machtiging ging het helemaal niet meer lukken.” 2.33    Het dossier bevat verder twee (ongedateerde) WhatsAppberichten van V aan klaagster, waarin V onder meer schrijft: “Nou… en deze week kreeg ik een mail van [J]/[verweerder]. Of ik een verklaring wilde tekenen en opgesteld door [verweerder] wat niet klopte. Heb gemaild dat ik er NIETS meer mee te maken wilde hebben. Nog een mail want dan zouden ze bij mij de papieren ophalen (…) Wederom gezegd als ik onder ede moet gaan getuigen komen er ook niet de leukste dingen voor de dag” en (andere bericht): “[T] heeft gedacht dat hij naar huis toe mocht Denk dat hij daarom heeft getekend en de kuil waar die in is gevallen”

3    KLACHT 3.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt verweerder het volgende:  a)    Verweerder heeft zich opgeworpen als advocaat van T, terwijl T op dat moment al niet langer in staat was zijn financiële en niet-financiële belangen te behartigen. Verweerder heeft T beloofd dat hij hem kon helpen om weer thuis te wonen, terwijl er een goed onderbouwde rechterlijke machtiging lag. De toetsing van de wilsbekwaamheid heeft niet (deugdelijk) plaatsgevonden. b)    Verweerder is zonder (schriftelijke) opdracht werkzaamheden gaan verrichten in het kader van het wijzigingen van het levenstestament en testament van T ten gunste van een kerk in geldnood. De opdrachtbevestiging ontbreekt dan wel is onvoldoende duidelijk, de afspraken zijn niet voldoende redelijk en duidelijk en de zorg- en informatieplicht is niet goed gewaarborgd. c)    Verweerder heeft in amper zes maanden tijd het exorbitante bedrag van ruim € 53.000,- in rekening gebracht. Het is onduidelijk wat verweerder daar allemaal voor heeft gedaan. Verweerder verlangt nu van de erfgenamen betaling en heeft al beslag laten leggen. 3.2    Klaagster heeft toegelicht dat T met een rechterlijke machtiging was opgenomen in een verpleeghuis, verward was en geen enkel inzicht had in zijn ziektebeeld. T wilde alleen nog maar naar huis, maar dat was onmogelijk. Er zijn vele onderzoeken gedaan, ook naar zijn wilsbekwaamheid. T was in mei 2024 niet in staat een opdracht aan verweerder te verstrekken. Niettemin is verweerder werkzaamheden gaan verrichten, terwijl uit gesprekken met T blijkt dat hij niet goed weet wie verweerder is en wat hij voor hem doet. Verweerder heeft geen deskundige ingeschakeld om de conditie van T te beoordelen voordat hij aan zijn werkzaamheden begon. Op 17 juni 2024 is een wilsbekwaamheidsonderzoek gedaan waaruit bleek dat T niet wilsbekwaam was. Verweerder was bekend met het resultaat van dit onderzoek. Zeker vanaf die datum had verweerder zijn werkzaamheden, voor zover daartoe al een opdracht bestond, moeten staken.  3.3    Aan verweerder is verzocht een opdrachtbevestiging te verstrekken. Verweerder heeft alleen een verklaring van een goede kennis van hem (J) van 26 november 2024 overgelegd, derhalve ruim na het overlijden van T. Deze verklaring kan niet dienen als opdrachtbevestiging in het kader van het verlenen van juridische bijstand. Tot op heden blijkt nergens uit dat er een overeenkomst van opdracht tot stand is gekomen. Als al sprake zou zijn van een overeenkomst, vervalt die, omdat geen sprake is van een (duidelijk en transparant) kostenbeding. Voor T is het nooit duidelijk geweest welke werkzaamheden verweerder voor hem zou verrichten, noch wat hem dit zou gaan kosten. Bovendien is er geen kansenafweging over de mogelijke uitkomsten met hem besproken en vastgelegd. Nergens blijkt uit dat T (die daartoe overigens niet in staat was) of V verweerder opdracht hebben gegeven om werkzaamheden te verrichten die ertoe zouden strekken dat het levenstestament of testament van T zou worden aangepast.  3.4    Verweerder heeft twee zittingen over de rechterlijke machtiging bijgewoond, een verweerschrift (twee A4) ingediend in de procedure omtrent mentorschap en bewind en de betreffende zitting bijgewoond. Verder zal overleg hebben plaatsgevonden met twee notarissen. Onduidelijk is waarom dit € 53.000,- zou moeten kosten. Wat opvalt is dat verweerder meerdere uren besteedt aan het bestuderen van het levenstestament, terwijl de inhoud daarvan standaard is. Ook wordt urenlang gecorrespondeerd en gebeld met derden. De declaraties zijn nimmer met T besproken, zo volgt uit een verklaring van V, althans hij kon deze niet begrijpen. 3.5    Ter zitting is toegelicht dat er voor verweerder alle aanleiding was om te twijfelen aan de wilsbekwaamheid van T en dat hij daarnaar onderzoek had moeten laten verrichten, alvorens tot het verrichten van werkzaamheden over te gaan. Dit klemt temeer nu niet blijkt dat verweerder enige ervaring heeft met bijstand aan psychiatrische patiënten. Verweerder heeft niet de nodige zorgvuldigheid betracht bij de beoordeling of hij T wel bij kon staan en evenmin bij de vaststelling van de opdracht. De opdracht lijkt te zijn geweest dat T naar huis wilde, maar door geen beroep in te stellen tegen de rechterlijke machtiging is daar niet aan voldaan. T had in ieder geval een ander idee van de opdracht aan verweerder, dan waar de werkzaamheden van verweerder toe hebben geleid. T had bovendien op grond van de Wzd recht op gefinancierde rechtsbijstand. Niet gebleken is dat verweerder T op dit recht heeft gewezen, noch dat T daar uitdrukkelijk afstand van heeft gedaan. Aan alle vereisten voor het geldig tot stand komen van een overeenkomst is niet voldaan.   3.6    Ter zitting is verder toegelicht dat verweerder namens zijn persoonlijke vennootschap een bodemprocedure is gestart, terwijl de opdracht, voor zover daarvan sprake is, aan het kantoor van verweerder is verstrekt. Er wordt bewust namens een onjuiste entiteit geprocedeerd, wat in strijd is met gedragsregel 6 en leidt tot onnodige hoge kosten voor klaagster en de andere erven. Ook heeft verweerder de rechter van onjuiste informatie voorzien in strijd met gedragsregel 8. Klaagster verwijt verweerder verder dat hij zich in contact met derden, waaronder V en de gemachtigde van klaagster, op onzorgvuldige wijze en in strijd met gedragsregel 22 en 24 heeft geuit. Klaagster vindt het ook buitengewoon kwetsend dat verweerder in zijn antwoord stelt dat zij er letterlijk alles aan gedaan heeft om het leven van T onmogelijk te maken. Dit is onjuist. Klaagster heeft jarenlang goed voor T gezorgd en dankzij klaagsters inspanningen heeft T nog jaren na zijn hersenoperatie thuis kunnen wonen. J hield T steeds voor dat hij er wel voor kon zorgen dat hij weer naar huis kon, wat T dan ook wilde, maar wat al uitgesloten was door de behandelaars. 

4    VERWEER  4.1    Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd.  4.2    Verweerder stelt dat hij de belangen van T conform afspraak met hem naar eer en geweten heeft behartigd. T werd tijdens zijn eerste gesprek met verweerder bijgestaan door gemeenschappelijke kennis J. T was weliswaar fysiek beperkt, maar wist ondanks die beperking precies wat hij wilde. T was daarin duidelijk en stellig: hij wilde weg uit het verpleeghuis, hij wilde af van de bemoeienis van klaagster en wilde zijn nichten (waaronder klaagster) buitenspel zetten en onterven. Verweerder stelt dat klaagster er alles aan heeft gedaan om T het leven zuur te maken. Om die reden heeft T de volmacht aan klaagster ingetrokken. T wilde een nieuw levenstestament en vervolgens ook een gewijzigd testament.  4.3    Verweerder stelt dat hij T nooit in het vooruitzicht heeft gesteld dat hij ervoor zou zorgen dat T terug naar huis zou kunnen. Voor de omgeving was echter duidelijk dat dat laatste geen reële optie was. Door zijn vertrouwelingen is nog wel de mogelijkheid van een andere verzorgingsplek onderzocht, maar dat is uiteindelijk niet meer gelukt.  4.4    Verweerder stelt dat wel degelijk sprake is van een overeenkomst van opdracht tussen hem en T. De voorwaarden zijn besproken in het bijzijn van J en door T akkoord bevonden. Dit blijkt uitdrukkelijk uit de verklaringen van J (van 26 november 2024) en V (van 27 november 2024). Verweerder heeft conform afspraak maandelijks gedeclareerd en daarbij het afgesproken uurtarief van € 250,- (ex btw) aangehouden. Ook is steeds (mondeling)  met T de stand van zaken doorgenomen en is gesproken over de gemaakte en nog te verwachten kosten. Deze gesprekken hebben steeds in aanwezigheid van J en/of V plaatsgevonden. Ook uit de gespecificeerde maanddeclaraties was duidelijk welke werkzaamheden tegen welke kosten in die maand door verweerder waren verricht. De declaraties hebben nooit tot enig dispuut geleid en zijn door J en V akkoord bevonden.  4.5    Verweerders werkzaamheden bleken niet beperkt tot het doen leveren van een nieuw levenstestament en een gewijzigd testament (dat er overigens niet gekomen is). Na het passeren van het nieuwe levenstestament op 26 juni 2024 heeft klaagster er letterlijk alles aan gedaan om het leven van T zo goed als onmogelijk te maken. Nadat notaris P na dreigement met een klacht van klaagster zijn verdere medewerking weigerde, is verweerder – in opdracht van T en zijn zaakwaarneemster – op zoek gegaan naar een andere notaris die het testament wel wilde passeren. Verweerder is uiteindelijk terechtgekomen bij notaris A. Toen de door die notaris voorgestelde ouderendeskundige T in de loop van november 2024 bezocht was zijn fysieke conditie al zover achteruit gegaan dat hij geen oordeel meer kon geven over de geestelijke gesteldheid van T. Om die reden kon ook notaris A geen testament meer passeren. Enige dagen later is T overleden. 4.6    Ter zitting heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat aan klaagster geen zelfstandig klachtrecht toekomt, omdat zij geen specifiek, concreet en relevant belang bij de klacht heeft. Zij dient daarom niet-ontvankelijk te worden verklaard. Ook moet niet-ontvankelijkverklaring volgen omdat de oorspronkelijke klacht kretologisch en ongemotiveerd is en geen specifieke op het advocatuurlijke tuchtrecht gebaseerde klachten bevat. Klaagster verzuimt verder feiten en omstandigheden aan te voeren die tot de conclusie zouden moeten leiden dat sprake is van excessief declareren.  4.7    De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

5    BEOORDELING Ontvankelijkheid 5.1    Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat klaagster geen zelfstandig klachtrecht toekomt. De raad passeert dat verweer. Klaagster is erfgenaam van T en was – ten tijde van de start van de werkzaamheden van verweerder – de algemeen gevolmachtigde van T. Zij heeft daarmee een rechtstreeks en eigen belang bij de klacht over verweerders bijstand. Als erfgenaam heeft zij bovendien een rechtstreeks belang bij de klacht over de declaraties, omdat deze worden verhaald op de erfenis en klaagster door verweerder hierover in rechte is betrokken.  5.2    Voor zover wordt gesteld dat de klacht ‘kretologisch’, ongemotiveerd en onvoldoende specifiek zou zijn, passeert de raad ook dat verweer. Het is voldoende duidelijk waar de klacht op ziet. Er is geen reden om de klacht om deze reden niet-ontvankelijk te verklaren. De klacht is dan ook (in alle onderdelen) ontvankelijk. Toetsingskader 5.3    Uitgangspunt is dat de tuchtrechter mede tot taak heeft de kwaliteit van de dienstverlening te beoordelen als daarover wordt geklaagd. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt. Ook houdt de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als algemene professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht.  Wils(on)bekwaamheid van T 5.4    Tot de zorg van een advocaat in de zin van artikel 46 Advocatenwet behoort bij twijfel over de wilsbekwaamheid van een cliënt ten minste dat hij daar onderzoek naar doet, bijvoorbeeld door het houden van een uitvoerig gesprek met de cliënt zonder aanwezigheid van derden, in welk gesprek – naast een onderzoek naar de voorgelegde vraag om juridische bijstand – begrip en beslisvaardigheid van de cliënt door open vragen worden onderzocht. Een advocaat die dat dan niet doet handelt tuchtrechtelijk verwijtbaar wanneer hij die (mogelijk wilsonbekwame) cliënt bijstaat. (zie RvD Arnhem-Leeuwarden 21 mei 2024, ECLI:NL:TADRARL:2024:133 en HvD 31 januari 2022, ECLI:NL:TAHVD:2022:17). 5.5    Omdat noch de Advocatenwet noch de bestaande verordeningen en richtlijnen van de Nederlandse Orde van Advocaten indicatoren bevat wanneer de wilsbekwaamheid van een cliënt moet worden betwijfeld, zoekt de raad in navolging van het Hof van Discipline (ECLI:NL:TAHVD:2014:148 en ECLI:TAHVD:2022:17) daarvoor aansluiting bij het door het bestuur van de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie vastgestelde (herziene) ‘Stappenplan Beoordeling Wilsbekwaamheid ten behoeve van de notariële dienstverlening’ van 2021. 5.6    Gelet op de daarin opgenomen indicatoren is de raad van oordeel dat ten tijde van de door verweerder gestelde opdracht aanleiding was voor reële twijfel over de wilsbekwaamheid van klager. T was op hoge leeftijd, woonde niet meer zelfstandig en verbleef (sinds medio 2023) in een zorginstelling. Er was sprake van niet aangeboren hersenletsel door (verwijdering van) een hersentumor en een herseninfarct. Er was bovendien op 9 april 2024 uitgebreid gerapporteerd over T door een specialist ouderengeneeskunde, in het kader van een aanvraag rechterlijke machtiging. Deze aanvraag is in april 2024 ingediend, waarop de rechtbank op 2 mei 2024 de rechterlijke machtiging heeft verleend. Verweerder werd ook niet door T zelf benaderd, maar door een kennis (J). Verweerder was met al deze informatie bekend op het moment dat hij op 14 mei 2024 met T in gesprek ging over de vermeende opdracht.  5.7    Die feiten en omstandigheden hadden voor verweerder aanleiding moeten zijn om te onderzoeken of klager op dat moment in staat was ten volle zijn wil te bepalen. Verweerder heeft geen kenbare ervaring met of specialisme op het gebied van psychiatrische patiëntenzorg of zorgwetten. Zijn rechtsgebieden zijn ondernemingsrecht, transport- en handelsrecht en verzekeringsrecht. Alleen al daarom had verweerder onvoldoende kennis om zelfstandig te bepalen of T in staat was zijn wil te bepalen. Bij gebrek aan specifieke kennis daaromtrent, had verweerder zich daarover moeten laten informeren. Dat heeft hij niet gedaan. 5.8    Verweerder heeft bovendien alleen een gesprek met T gevoerd op 14 mei 2024, in het bijzijn van J (de persoon die verweerder had benaderd). Verweerder had echter minst genomen een gesprek met alleen T moeten voeren, zonder aanwezigheid van derden. De raad is van oordeel dat verweerder op basis van alleen dat gesprek, in de wetenschap van alle onder 5.6 genoemde informatie, niet de conclusie heeft mogen trekken dat hij voor T kon optreden. Verweerder heeft – voor zover hij dat al kon (zie 5.7) – onvoldoende getoetst of T wilsbekwaam was en aan verweerder een opdracht kon verstrekken.  5.9    Dat notaris P later heeft geoordeeld dat T wilsbekwaam was, zoals verweerder stelt, blijkt niet uitdrukkelijk en kan verweerder niet baten. Verweerder diende zich er bij aanvang van de werkzaamheden zelf van te verzekeren dat T in staat was zijn wil te bepalen en een opdracht te verstrekken. Om diezelfde reden is ook de (latere) beslissing van de kantonrechter van 1 augustus 2024 op dit punt niet relevant. 5.10    De raad is dan ook van oordeel dat verweerder onzorgvuldig en in strijd met de kernwaarde deskundigheid heeft gehandeld. Klachtonderdeel a is daarmee deels gegrond. 5.11    Op het verwijt dat verweerder T zou hebben beloofd dat hij hem kon helpen om weer thuis te wonen, wordt hierna (in 5.13 en 5.14) ingegaan.  5.12    Overigens had de nieuwe rapportage van 18 juni 2024, waarin uitdrukkelijk is geconcludeerd dat T niet in staat was zijn belangen te behartigen en waarmee verweerder bekend was, reden voor verweerder moeten zijn om zijn beslissing om T bij te staan te heroverwegen, althans opnieuw te toetsen. Dat hij dit heeft gedaan, blijkt niet. De opdracht(bevestiging) 5.13    Verweerder is toch werkzaamheden voor T gaan verrichten. Wat T precies aan verweerder verzocht zou hebben te doen, daarover verschillen de standpunten van klaagster en verweerder. Klaagster stelt – kort gezegd – dat T naar huis wilde en daarom had J verweerder benaderd. Verweerder stelt dat hij was benaderd om ervoor te zorgen dat de volmacht aan klaagster werd ingetrokken en dat er een nieuw levenstestament en nieuw testament zouden worden gepasseerd, waarbij de erfenis voor een groot deel aan de kerk zou worden toebedeeld.  5.14    De raad kan niet vaststellen wat T precies van verweerder heeft verlangd of heeft verwacht, omdat een schriftelijke bevestiging van de opdracht en gemaakte afspraken ontbreekt. Dat de rechtshulp uitsluitend zag op het intrekken van de volmacht en het passeren van een nieuw (levens)testament overtuigt de raad niet. Immers, daarvoor is geen bijstand van een advocaat nodig, maar van en notaris. De raad acht de e-mail van de medewerker van het verpleeghuis (2.9) daarbij veelzeggend. De raad kan verweerder niet volgen in zijn verwijzing naar de e-mail van J van 26 november 2024 als ‘opdrachtbevestiging’. Deze e-mail dateert van ver na de aanvang van de werkzaamheden en zelfs van na het overlijden van T en kan alleen al daarom niet als opdrachtbevestiging worden aangemerkt. Het bericht voldoet ook verder niet aan de voorwaarden waaraan een opdrachtbevestiging moet voldoen, zoals een omschrijving van de opdracht en de te verwachten werkzaamheden en een kosteninschatting. Verweerder heeft daarmee gehandeld in strijd met gedragsregel 16, waarin is bepaald dat belangrijke informatie en afspraken schriftelijk aan de cliënt moeten worden bevestigd. Verweerder heeft ook niet op een later moment, nadat hij met zijn werkzaamheden is aangevangen, iets schriftelijk aan zijn cliënt bevestigd, waardoor onduidelijk blijft wat de opdracht zou zijn geweest en welke werkzaamheden verweerder moest verrichten. Het verbaast de raad daarbij dat verweerder ter zitting heeft aangegeven dat T niet goed kon horen, maar dat hij desondanks zaken (alleen) mondeling met T heeft besproken, in het bijzijn van J. Verweerder heeft ook in dit opzicht onzorgvuldig gehandeld.  5.15    Verweerder had T bovendien moeten voorhouden dat hij, omdat sprake was van een rechterlijke machtiging op grond van de Wzd, aanspraak kon maken op gefinancierde rechtsbijstand op grond van artikel 38 lid 3 Wzd. Uit de overgelegde schriftelijke uitwerking van de mondelinge beslissing van de verlening van de machtiging van 2 mei 2024 blijkt ook dat T een advocaat voor deze procedure had. De schriftelijke uitwerking van de verlenging van 19 september 2024 is door partijen niet overgelegd. Gelet op de positie van T had hij ook voor bijstand in de procedure over het bewind en mentorschap in aanmerking kunnen komen voor gefinancierde rechtsbijstand. Verweerder had alleen op betalende basis voor T mogen optreden in het geval T op de hoogte was van zijn recht op gefinancierde rechtsbijstand en hier uitdrukkelijk afstand van deed (zie gedragsregel 18). Dat verweerder deze mogelijkheid met T heeft besproken blijkt niet. Ook op dit punt heeft verweerder onzorgvuldig en in strijd met de kernwaarde (financiële) integriteit gehandeld. Daarmee is klachtonderdeel b gegrond. De declaraties (klachtonderdeel c) 5.16    De raad stelt voorop dat de tuchtrechter niet bevoegd is om declaratiegeschillen tussen cliënten en hun advocaten te beslechten. Daar is deze klachtprocedure ook niet voor bedoeld. De tuchtrechter waakt wel voor excessief declareren. Of daarvan sprake is hangt af van de omstandigheden van het geval. Daarbij wegen alle omstandigheden mee, zoals de aard en complexiteit van de zaak, de (financiële) hoedanigheid van de cliënt, de met de zaak gepaard gaande (financiële) belangen en de verhouding tussen het in rekening gebrachte bedrag en de verrichte werkzaamheden. Of elk onderdeel van die specificatie – naar civiel recht gemeten – voor toewijzing in aanmerking komt staat niet ter beoordeling van de tuchtrechter. Waar het op aankomt is of het totaal van de declaraties als tuchtrechtelijk verwijtbaar excessief aangemerkt kan worden. 5.17    De raad stelt vast dat verweerder in een tijdsbestek van 6,5 maand (1 mei 2024 tot en met 18 november 2024) in totaal € 54.435,- in rekening heeft gebracht, voor “advies”, de onderbewindstelling, “Rabobank” en ‘[T]/[T]”. Alleen al voor advies heeft verweerder ruim € 35.000,- in rekening gebracht, terwijl volstrekt onduidelijk blijft waar dat advies op zag, wat verweerder precies heeft gedaan en welk resultaat het heeft opgeleverd. Uit de (grotendeels geanonimiseerde) urenspecificaties blijkt met name dat verweerder bijzonder veel heeft gecorrespondeerd en gebeld met (onbekende) derden. Welke bijstand verweerder heeft geleverd bij de onderbewindstelling, behalve zijn aanwezigheid bij de zitting en een verweerschrift van twee kantjes, blijft ook onduidelijk, terwijl daar wel ruim € 11.000,- voor is gedeclareerd. Dat staat niet in verhouding.  5.18    Nu de precieze opdracht onduidelijk is gebleken en T in beginsel in aanmerking kwam voor gefinancierde rechtsbijstand, acht de raad het bedrag van ruim € 53.000,- voor grotendeels onduidelijke werkzaamheden exorbitant en excessief, dit mede in aanmerking genomen dat volgens verweerder de bijstand uitsluitend zag op de intrekking van de volmacht en de wijziging van het testament en die bijstand door de notaris wordt verleend. 5.19    De raad merkt daarbij op het ongepast te vinden dat (de gemachtigde van) verweerder op de dag van het overlijden van T een verzoekschrift tot het leggen van conservatoir beslag op de rekening en het huis van T heeft opgesteld. Hoewel het verzoekschrift later is ingediend c.q. is ingekomen bij de rechtbank, getuigt het van een kil opportunisme dat alleen op financieel gewin gericht is geweest. Dat wordt versterkt doordat verweerder al op 28 november 2024, een ruime week na het overlijden, de erven (waaronder klaagster) heeft aangeschreven met het verzoek om binnen twee dagen € 53.435,- te voldoen voor de openstaande declaraties. Verweerder heeft bovendien zonder overleg met de deken beslag laten leggen, terwijl hij wel gehouden was daarover eerst met de deken te overleggen (gedragsregel 17 lid 6). Verweerder heeft ook op dat punt onzorgvuldig gehandeld  5.20    Er is ook hier sprake van onzorgvuldig handelen en handelen in strijd met de kernwaarde financiële integriteit. Klachtonderdeel c is gegrond. Overige overwegingen 5.21    Klaagster heeft in haar aanvulling van 8 juli 2025 en ter zitting voor het eerst gewezen op de manier waarop verweerder zich jegens klaagsters gemachtigde heeft opgesteld en op het feit dat verweerder de erven namens zijn persoonlijke vennootschap heeft gedagvaard, terwijl de opdracht aan verweerders kantoor was verstrekt. Voor zover de klacht hiermee wordt aangevuld, geldt dat dit op gespannen voet staat met art. 46c van de Advocatenwet. Daarin is bepaald dat klachten worden ingediend bij de deken en dat die daarnaar onderzoek doet. De raad zal deze punten daarom verder buiten beschouwing laten.  

6    MAATREGEL 6.1    Verweerder is T, een kwetsbare, hoogbejaarde man, gaan bijstaan, zonder zich ervan te vergewissen dat T wilsbekwaam was en in staat was verweerder een opdracht te verstrekken. Diverse omstandigheden, waaronder de leeftijd, het medisch dossier en het feit dat T met een rechterlijke machtiging was opgenomen in een zorginstelling, maakten dat verweerder alle reden had om aan de wilsbekwaamheid te twijfelen en daarnaar eerst onderzoek te doen. Dat heeft verweerder niet gedaan. Verweerder heeft alleen een gesprek met T gevoerd, in het bijzijn van een derde, terwijl verweerder bovendien geen enkele kenbare ervaring met of specialisme op het gebied van psychiatrische patiëntenrecht of zorgwetten heeft.  6.2    Verweerder is T toch gaan bijstaan en heeft vervolgens diverse fouten gemaakt. De opdracht van T aan verweerder blijft onduidelijk, omdat verweerder niets heeft vastgelegd hierover. De e-mail die verweerder aanmerkt als ‘opdrachtbevestiging’ is van na het overlijden van T, opgesteld door een derde en voldoet aan geen enkele van de vereisten die aan een opdrachtbevestiging worden gesteld. Verweerder heeft T bovendien op betalende basis bijgestaan, terwijl T (vanwege de rechterlijke machtiging) in aanmerking kwam voor gefinancierde rechtsbijstand. Dat verweerder T hierop heeft gewezen, blijkt niet.  6.3    Des te wranger is dat verweerder in zes en een halve maand tijd ruim € 53.0000,- heeft gedeclareerd, terwijl niet blijkt, en bij gebreke van een opdrachtbevestiging ook niet kan worden vastgesteld, welke werkzaamheden zijn verricht en of die noodzakelijk of van enig nut waren. Gelet op het ontbreken van de opdrachtbevestiging en dat T in beginsel in aanmerking kwam voor gefinancierde rechtsbijstand, acht de raad het bedrag van ruim € 53.000,- in korte tijd voor grotendeels onduidelijke werkzaamheden exorbitant en excessief.  6.4    Verweerder heeft op meerdere momenten en punten onzorgvuldig gehandeld. Er is sprake van handelen in strijd met diverse gedragsregels en in strijd met de kernwaarden deskundigheid en (financiële) integriteit. Verweerder heeft gesteld dat hij al meer dan 50 jaar advocaat is en geen tuchtrechtelijk verleden heeft. De raad verwacht echter juist dan dat verweerder bekend is met de relevante wet- en regelgeving. De raad rekent het verweerder ernstig aan dat hij op deze wijze met een kwetsbare, hoogbejaarde man is omgegaan die niet of onvoldoende in staat was zijn wil te bepalen. Dit en de geschonden gedragsregels en kernwaarden acht de raad dusdanig ernstig dat de maatregel van schrapping op zijn plaats is. 

7    GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING  7.1    Omdat de raad de klacht gegrond verklaart, moet verweerder op grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klaagster betaalde griffierecht van € 50,- aan haar vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden. Klaagster geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing haar rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door. 7.2    Nu de raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerder daarnaast op grond van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten: a) € 50,- reiskosten van klaagster, b) € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en c) € 500,- kosten van de Staat.  7.3    Verweerder moet het bedrag van € 50,- aan reiskosten binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, betalen aan klaagster. Klaagster geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing haar rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.  7.4    Verweerder moet het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.2 onder b en c genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline" en het zaaknummer.

BESLISSING De raad van discipline: -    verklaart de klacht gegrond; -    legt aan verweerder de maatregel van schrapping op; -    ingaande op de tweede dag na het onherroepelijk worden van deze beslissing; -    veroordeelt verweerder tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klaagster; -    veroordeelt verweerder tot betaling van de reiskosten van € 50,- aan klaagster, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.3;  -    veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.4.

Aldus beslist door mr. S. Wierink, voorzitter, mrs. D.G.M. van den Hoogen, D.M. de Knijff, H. Warendorp Torringa en M.M. van Wijk, leden, bijgestaan door mr. C.M. van de Kamp als griffier en uitgesproken in het openbaar op 19 januari 2026.

Griffier    Voorzitter

Verzonden op: 19 januari 2026