Rechtspraak
Uitspraakdatum
19-01-2026
ECLI
ECLI:NL:TAHVD:2026:13
Zaaknummer
250083
Inhoudsindicatie
Klacht over de kwaliteit van de dienstverlening van de eigen advocaat. Het hoger beroep van klaagsters richt zich tegen het ongegrond verklaarde klachtonderdeel (schending gedragsregels 12 en 13). Het hof verklaart het hoger beroep van klaagsters ongegrond en bekrachtigt de beslissing van de raad. Het tuchtrecht en het civiele recht zijn verschillende rechtsgebieden waarbij de tuchtrechter in de regel geen oordeel geeft over een civielrechtelijk geschil. De tuchtrechter concentreert zich in het advocatentuchtrecht primair op het handelen van de advocaat in zijn beroepsuitoefening met het oog op het belang van een gezonde advocatuur in het Nederlandse rechtsbestel, terwijl de civiele rechter zich concentreert op de juridische (verbintenisrechtelijke of goederenrechtelijke) twistpunten (HvD 21 april 2023 ECLI:NL:TAHVD:2023:85).
Uitspraak
Beslissing van 19 januari 2026
in de zaak 250083
naar aanleiding van het hoger beroep van:
klaagster 1
klaagster 2
vertegenwoordigd door hun [middellijk] bestuurder mevr. R.
hierna samen ook: klaagsters
gemachtigden: mrs. R. Sanders en F. Ortiz Aldana, advocaten te Leiden
tegen:
verweerster
gemachtigden: mrs. E.M. van Orsouw en E. Jagt, advocaten te Amsterdam
1 INLEIDING
1.1 Klacht over de kwaliteit van de dienstverlening van de eigen advocaat. Twee klachtonderdelen zijn door Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden (hierna: de raad) gegrond verklaard (schending kernwaarde deskundigheid). Het hoger beroep van klaagsters richt zich tegen het ongegrond verklaarde klachtonderdeel (schending gedragsregels 12 en 13). Het hof verklaart het hoger beroep van klaagsters ongegrond en bekrachtigt de beslissing van de raad.
1.2 Het hof zet eerst het verloop van de procedure bij de raad en het hof uiteen. Vervolgens zet het hof het volgende op een rij: de feiten, de klacht en de beoordeling van de raad. Daarna volgen de redenen waarom klaagsters in beroep zijn gekomen en hoe het hof daarover oordeelt.
2 DE PROCEDURE
Bij de raad van discipline
2.1 De raad heeft in de zaak tussen klaagsters en verweerster (zaaknummer: 24-575/AL/GLD]) een beslissing genomen op 3 februari 2025. In deze beslissing zijn de klachten van klaagsters gedeeltelijk gegrond en gedeeltelijk ongegrond verklaard. Aan verweerster is de maatregel van een berisping opgelegd. Verder is verweerster veroordeeld tot betaling van het griffierecht, reiskosten en proceskosten.
2.2 Deze beslissing is onder ECLI:NL:TADRARL:2025:35 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.
Bij het hof van discipline
2.3 Het beroepschrift van klaagsters tegen de beslissing is op 5 maart 2025 ontvangen door de griffie van het hof.
2.4 Verder bevat het dossier van het hof:
de stukken van de raad; het verweerschrift van verweerster; aanvullende stukken van de zijde van klaagsters d.d. 8 november 2025 aanvullend stuk van de zijde van verweerster d.d. 14 november 2025Het aanvullende stuk van de zijde van verweerster is buiten de daarvoor gestelde termijn ingediend (artikel 4.5 procesreglement). Bij aanvang van het onderzoek ter zitting heeft het hof bepaald dit stuk toe te laten. Het stuk is al eerder aangehaald (en uit geciteerd) in de procedure bij de raad en klaagsters hebben een week de gelegenheid gehad om een reactie op dit stuk voor te bereiden.
2.5 Het hof heeft de zaak mondeling behandeld tijdens de openbare zitting van 21 november 2025. Daar zijn klaagsters met hun gemachtigden verschenen en verweerster met haar gemachtigde mr. E. Jagt. Partijen hebben hun standpunten toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen, die onderdeel uitmaken van het dossier van het hof.
3 FEITEN
3.1 Voor zover in hoger beroep nog van belang, gaat het hof uit van de volgende feiten.
3.2 Verweerster heeft klaagsters 1 en 2 in de periode van maart 2021 tot en met december 2021 bijgestaan in een civiele procedure. Klaagster 1 is een dochtervennootschap van klaagster 2.
Mevr. R (hierna: de [middellijk] bestuurder), is middellijk eigenaar van klaagster 2 en middellijk bestuurder van klaagsters 1 en 2.
3.3 Bij vonnis van 20 januari 2021 is klaagster 1 veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 64.398,- aan bedrijf X.
3.4 Op 29 maart 2021 heeft verweerster een opdrachtbevestiging aan de [middellijk] bestuurder gestuurd. Daarin heeft verweerster vermeld:‘U heeft mij verzocht u van advies te voorzien over diverse door [klaagster 2] en haar groepsvennootschappen aangegane overeenkomsten, meer in het bijzonder de impact daarvan bij faillissement of een WHOA-traject.’
3.5 Op 19 april 2021 heeft verweerster een offerte aan de [middellijk] bestuurder gestuurd voor de door haar te verrichten werkzaamheden. Daarbij heeft verweerster vermeld:‘Je gaf aan dat je nog eenmaal wilde proberen tot overeenstemming te komen met de onwelwillende schuldeiser, in de hoop alsnog verdere procedures (WHOA, surseance of faillissement) af te kunnen wenden. Ik denk dat je daar goed aan doet; mocht het alsnog slagen dan bespaar je je een hoop tijd en kosten.’
3.6 Op 22 april 2021 heeft bedrijf X een faillissementsverzoek tegen klaagster 1 ingediend.
3.7 Op 3 mei 2021 heeft een telefonisch overleg plaatsgevonden tussen verweerster en de [middellijk] bestuurder. In de handgeschreven aantekeningen van verweerster van dit telefonisch overleg staat onder meer:
Faill.verzoek ingediend
- optie 1: 8 weken wachten, volledig betalen
- optie 2: nu 10.000,--, rest wachten (evt. elke mnd € 5.000,--)
- optie 3: via akkoord, wachten op afloop procedure.
3.8 Ook op 3 mei 2021 heeft verweerster een nieuwe opdrachtbevestiging aan klaagster 2 gestuurd. Daarin heeft verweerster vermeld: ‘U heeft mij verzocht juridisch advies te geven over de herstructurering van [klaagster 1] als werkmaatschappij van [klaagster 2]. Meer in het bijzonder verzocht u mij te proberen een regeling te treffen met schuldeiser [bedrijf X], die inmiddels een faillissementsverzoek tegen [klaagster 1] heeft ingediend. Mocht een minnelijke regeling niet lukken, dan zullen wij overleggen welke andere routes wij zullen bewandelen (bijvoorbeeld het aanbieden van een surseance- of WHOA-akkoord)’.
3.9 Op 6 mei 2021 heeft verweerster de advocaat van bedrijf X gemaild. Verweerster heeft de concepttekst van dit bericht op 5 mei 2021 voor akkoord voorgelegd aan de [middellijk] bestuurder. In die e-mail staat onder meer het volgende:
‘Wij spraken over het door uw cliënte ingediende faillissementsverzoek tegen mijn cliënte, dat op 18 mei a.s. wordt behandeld. Cliënte is evenwel niet in staat deze vordering te voldoen – ook niet gedeeltelijk. Cliënte beschikt niet over liquiditeiten of andere noemenswaardige activa van waarde. Wel is er nog een grote vordering op […] waarover geprocedeerd wordt. Wanneer cliënte die procedure wint, zullen er enkele miljoenen aan cliënte worden uitbetaald waarmee de vordering van uw cliënte kan worden voldaan. (…)
Cliënte is evenwel bereid om alsnog een regeling te treffen – in lijn met hetgeen eerder is afgesproken met de voormalig advocaat, […]. Die regeling houdt in dat – onder de voorwaarde van intrekking van het faillissementsverzoek; dan wel aanhouding tot 20 juli a.s. – aan uw cliënte een bedrag van € 100.000,-- wordt betaald, tegen finale kwijting. Dit bedrag wordt betaald zodra de bestuurder van cliënte […] deze gelden in privé heeft vergaard vanuit de overwaarde van een van haar percelen. (…). Voor de goede orde wijs ik uw cliënte er wel alvast op dat wanneer uw cliënte niet akkoord gaat met bovenstaande (in mijn ogen: uiterst coulant) voorstel, waarbij uw cliënte nagenoeg haar gehele vordering voldaan krijgt, ik van cliënte de opdracht kreeg om een andere route te bewandelen. In dat kader wordt sterk overwogen een surseance-akkoord of WHOA-akkoord aan te bieden, waarbij uw cliënte ondanks een mogelijke tegenstem toch aan het akkoord gebonden zal worden.’
3.10 Op 10 mei 2021 heeft de advocaat van bedrijf X het voorstel van verweerster afgewezen.
3.11 Op 11 mei 2021 heeft verweerster de [middellijk] bestuurder gemaild dat zij het verzoekschrift tot surseance gereed zal maken. Ook vraagt verweerster aan de [middellijk] bestuurder om haar een aantal stukken toe te sturen.
3.12 Op 14 mei 2021 is de gevraagde surseance van betaling voorlopig door de rechtbank aan klaagster 1 verleend. Mr. B is daarbij tot bewindvoerder benoemd. Op 19 juli 2021 is aan klaagster 1 definitief surseance van betaling verleend voor de duur van negen maanden.
3.13 Op 31 mei 2021 heeft verweerster een e-mailbericht gestuurd naar de [middellijk] bestuurder met daarin een conceptbericht voor de bewindvoerder in de surseance van betaling van klaagster 1. In dat conceptbericht staat onder andere dat de te verkrijgen financiering nog zeker vier weken op zich zal laten wachten. Op dit concept heeft de [middellijk] bestuurder akkoord gegeven.
3.14 Op 23 augustus 2021 heeft verweerster mr. B gemaild. In deze e-mail staat onder meer het volgende:
‘Voor wat betreft de vraag van […] of nakoming voldoende gewaarborgd is, hadden wij lange tijd geleden ook al eens overleg. Ik meen dat deze toetsingsgrond niet aan de orde is bij een akkoord als deze, waarin geen gedeeltelijke betaling ineens plaatsvindt maar in wezen uitstel wordt gevraagd aan de crediteuren totdat subsidies zijn verkregen dan wel tot na afloop van de procedure tegen […]. Ik verwijs hiervoor naar de eerder toegezonden uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 11 juni 2018 (ECLI:NL:RBAMS:2018:5047), waaruit volgt dat de rechter niet behoeft te onderzoeken of nakoming van het akkoord is gewaarborgd indien het akkoord niet ziet op een gedeeltelijke betaling ineens maar een andere inhoud heeft (omdat het bijv. gaat om uitgestelde betaling van vorderingen).’
3.15 Op 8 december 2021 heeft de rechter-commissaris ten aanzien van de homologatie van het akkoord in de surseance van betaling de rechtbank geadviseerd:
‘De homologatie van een akkoord kan onder andere worden geweigerd indien de nakoming van het akkoord niet voldoende is gewaarborgd. Mijns inziens is dat het geval en ik zal hieronder uiteenzetten waarom.’
3.16 Vervolgens hebben klaagsters zich gewend tot een andere advocaat.
3.17 Op 18 januari 2022 heeft de rechtbank het akkoord na aanpassing gehomologeerd.
3.18 Na indiening van de klacht over verweerster, op 28 november 2022, hebben klaagsters en verweerster van 27 december 2022 tot en met 30 september 2023 geprobeerd samen tot een oplossing te komen. Toen dat niet was gelukt, heeft de deken het onderzoek naar de klacht voortgezet.
4 KLACHT
De klacht houdt, zakelijk weergegeven en voor zover in hoger beroep van belang, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. De klachtomschrijving luidt: a) (…);
b) verweerster heeft in strijd gehandeld met gedragsregels 12 en 13 door niet aan [de middellijk bestuurder] voor te leggen wat de urgentie van de zaak was en door niet de optie te schetsen om bedrijf X als crediteur te betalen. Verweerster is van een onjuiste voorstelling van zaken uitgegaan ten aanzien van de openstaande vordering, terwijl van verweerster mocht worden verwacht dat zij de relevante feiten voorafgaand zou hebben onderzocht;
c) (…).
5 BEOORDELING RAAD
De raad heeft op grond van het klachtdossier en de ter zitting afgelegde verklaringen niet kunnen vaststellen dat verweerster de opdracht die zij van klaagster 2 kreeg inhoudelijk onvoldoende zorgvuldig heeft uitgevoerd. De standpunten van partijen lopen op dit punt uiteen en daarover zijn klaagster 2 en het kantoor van verweerster nog met elkaar verwikkeld in een civielrechtelijke procedure. Een oordeel over onder meer de vraag of verweerster klaagster 2 onjuist heeft geadviseerd is ook voorbehouden aan de civiele rechter, de raad kan daar als tuchtrechter in het kader van deze klachtprocedure niet over oordelen. De onzorgvuldigheid ten aanzien van het gebrek aan schriftelijke vastlegging van het advies aan klaagster 2 is in klachtonderdelen a) en c) al vastgesteld en als klachtwaardig beoordeeld, maar van verdere onzorgvuldigheden in de dienstverlening van verweerster is de raad niet gebleken en daar bieden de overgelegde stukken ook geen aanknopingspunten voor. Klachtonderdeel b) is daarom door de raad ongegrond verklaard.
6 BEROEPSGRONDEN EN VERWEER
Beroepsgronden klaagsters
Beroepsgrond 1)
6.1 Het oordeel van de raad dat de beoordeling van de advisering door verweerster is voorbehouden aan de civiele tuchtrechter strookt niet met vaste tuchtrechtspraak. Klachtonderdeel b) ziet op de kwaliteit van de dienstverlening en de raad heeft in zijn toetsingskader opgenomen dat de tuchtrechter mede tot taak heeft de kwaliteit van de dienstverlening te beoordelen als daarover wordt geklaagd. Hieraan doet niet af dat tussen het voormalig kantoor van verweerster en klaagsters een civielrechtelijke procedure gaande is omdat verweerster daar geen partij bij is. De tuchtrechter is ook niet gebonden aan het oordeel van de civiele rechter.
6.2 Klagers wijzen in dit verband op artikel 48 lid 9 Advocatenwet dat bepaalt dat de Raad van Discipline, des verzocht, zich uitlaat of de advocaat tegen wie een klacht is ingediend, de zorgvuldigheid heeft betracht die bij een behoorlijke rechtshulpverlening betaamt.
6.3 De overwegingen van de raad stroken ook niet met de motivering en het oordeel over de klachtonderdelen a) en c), die eveneens zien op de kwaliteit van de dienstverlening van verweerster en gegrond zijn verklaard. Deze klachtonderdelen hangen samen met klachtonderdeel b).
Beroepsgrond 2)
6.4 Deze beroepsgrond richt zich op de motivering van de raad dat de onzorgvuldigheid ten aanzien van het gebrek aan schriftelijke vastlegging van het advies aan klaagsters in de klachtonderdelen a) en c) is vastgesteld en als klachtwaardig is beoordeeld, maar van verdere onzorgvuldigheden in de dienstverlening van verweerster de raad niet is gebleken en de overgelegde stukken daarvoor ook geen aanknopingspunten bieden.
6.5 Verweerster heeft onvoldoende onderzoek gedaan naar alle relevante feiten waardoor verweerster van een onjuiste voorstelling van zaken is uitgegaan en niet vooraf heeft gewezen op de voorzienbare risico’s die zich hebben verwezenlijkt. Dit had van verweerster, die zich afficheerde als deskundig op het insolventierecht, wel verwacht mogen worden. Daarbij heeft verweerster verzuimd te onderzoeken en te bespreken met klaagsters of betaling van de vordering van bedrijf X een optie was terwijl dit volgens klaagsters een reële optie was – in tegenstelling tot wat verweerster aan bedrijf X heeft overgebracht op 6 mei 2021. Dit verzuim van een herstructureringsspecialist achten klaagsters tuchtrechtelijk verwijtbaar en in strijd met (onder meer) gedragsregel 12.
6.6 Het advies van verweerster, inhoudende dat het aanvragen van surseance de enige overgebleven optie was, is onzorgvuldig geweest vanwege het blootstellen van klaagsters aan (vermijdbare) risico’s. Een uitgesproken surseance wordt bijgehouden in het openbaar centraal insolventieregister. Klaagsters stellen dat zij door deze registratie meerdere opdrachten zijn misgelopen omdat de werkzaamheden van klaagsters zich afspelen in de overheidsmarkt waarbij opdrachten al dan niet via aanbestedingen worden verkregen. Ook zijn financieringsaanvragen van klaagsters in gevaar gekomen. Volgens klaagsters zijn deze risico’s niet door verweerster onderzocht.
6.7 Verweerster heeft de opdracht met onvoldoende zorgvuldigheid uitgevoerd. De omstandigheid dat de standpunten van partijen hierover uiteenlopen, staat niet in de weg aan een beoordeling door de raad waarin de daarover gemaakte afspraken en adviezen dienen te worden betrokken. De raad heeft reeds vastgesteld dat verweerster onvoldoende schriftelijk heeft vastgelegd hetgeen volgens klaagsters voor haar rekening komt.
Verweer verweerster
6.8 Verweerster heeft gemotiveerd verweer gevoerd in beroep. Waar dat relevant is, bespreekt het hof dit bij de beoordeling van het beroep.
7 BEOORDELING HOF
Maatstaf
7.1 Bij de beantwoording van de vraag of een advocaat zich betamelijk heeft gedragen als bedoeld in artikel 46 van de Advocatenwet hanteert het hof als uitgangspunt dat de tuchtrechter mede tot taak heeft de kwaliteit van de dienstverlening te beoordelen als daarover wordt geklaagd. Bij deze beoordeling geldt dat de tuchtrechter rekening houdt met de vrijheid die de advocaat heeft met betrekking tot de wijze waarop hij een zaak behandelt en met keuzes waar de advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door de eisen die aan de advocaat als opdrachtnemer in de uitvoering van die opdracht mogen worden gesteld en die met zich brengen dat zijn werk dient te voldoen aan datgene wat binnen de beroepsgroep als professionele standaard geldt. Het hof toetst of verweerder heeft gehandeld met de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht. Deze toets geldt omdat er binnen de beroepsgroep wat betreft de vaktechnische kwaliteit geen sprake is van breed gedragen, schriftelijk vastgelegde professionele standaarden.
Overwegingen hof
7.2 Klachtonderdeel b) richt zich op de advisering door verweerster aan klaagsters nadat door schuldeiser X het faillissement van klaagster 1 was aangevraagd. Volgens klaagsters had verweerster het advies moeten geven om bedrijf X als crediteur te betalen (naar het hof begrijpt ter afwending van het verzochte faillissement) en nu dit niet is gebeurd, dient verweerster daarvan een tuchtrechtelijk verwijt te worden gemaakt.
7.3 Uit de handgeschreven aantekeningen van verweerster van het telefonisch overleg dat zij op 3 mei 2021 heeft gevoerd met de [middellijk] bestuurder van klaagsters, blijkt dat in dat gesprek meerdere scenario’s zijn besproken, ook de optie dat € 10.000,-- aan schuldeiser X wordt voldaan en het restant later. Dit is een aanwijzing dat over liquiditeit is gesproken. Na dit gesprek heeft verweerster een concept schikkingsvoorstel opgesteld en op 5 mei 2021 verzonden aan de [middellijk] bestuurder. Door klaagsters is niet weersproken de stelling van verweerster dat de [middellijk] bestuurder op dat concept haar akkoord heeft gegeven. In dit concept staat onder andere dat klaagster 1 op dat moment (nog) niet beschikt over voldoende liquiditeiten om de vordering van schuldeiser X te kunnen voldoen.
7.4 Op 31 mei 2021 heeft verweerster een concept e-mailbericht, bestemd voor de bewindvoerder in de surseance van betaling van klaagster 1, gestuurd naar de [middellijk] bestuurder. In dit concept staat onder andere dat de te verkrijgen financiering nog zeker vier weken op zich zal laten wachten. Op dit concept heeft de [middellijk] bestuurder akkoord gegeven.
7.5 In het geval klaagsters in de periode voorafgaand aan de behandeling in rechte van de verzochte faillissementsaanvraag van klaagster 1 wel in staat waren om de vordering van schuldeiser X te betalen, althans voor zover de vordering ten grondslag lag aan de faillissementsaanvraag, had het op de weg van klaagsters (en de [middellijk] bestuurder) gelegen dit (alsnog) onder de aandacht te brengen van verweerster.
7.6 De stelling van klaagsters dat verweerster verzuimd heeft om aan klaagsters voor te leggen wat de urgentie was om de vordering van schuldeiser X, althans tot een bedrag van € 64.938,--, te voldoen ter afwending van het aangevraagde faillissement van klaagster 1 acht het hof, in het licht van de hiervoor genoemde en geaccordeerde concepten, de aantekeningen van verweerster van het overleg op 3 mei 2021 met de [middellijk] bestuurder en het verhandelde tijdens het onderzoek ter zitting, niet houdbaar. Klaagsters wisten dat er een voor tenuitvoerlegging vatbaar vonnis lag van schuldeiser X van € 64.938,-- in hoofdsom en dat er een civielrechtelijke procedure liep over de resterende vordering die schuldeiser X stelde te hebben op klaagster 1. Het overleg met en de advisering door verweerster was er mede op gericht om tot een schikking te komen met schuldeiser X, in welk verband het hebben van beschikbare liquiditeit essentieel is.
7.7 Tijdens het onderzoek ter zitting heeft de [middellijk] bestuurder v erklaard dat zij emotioneel was onder het door het door schuldeiser X ingediende faillissementsrekest omdat zij alle schuldeisers gelijk wilde behandelen en dat ze daar toentertijd al langere tijd mee bezig was. Dit kan volgens het hof niet anders betekenen dan dat klaagsters moeten hebben geweten dat er liquide middelen nodig waren om schuldeiser X te betalen teneinde het faillissement af te wenden.
7.8 In hoeverre het advies van verweerster wel of niet juist is geweest, is een civielrechtelijke kwestie die buiten het bereik van het tuchtrecht valt. Het tuchtrecht en het civiele recht zijn verschillende rechtsgebieden waarbij de tuchtrechter in de regel geen oordeel geeft over een civielrechtelijk geschil. De tuchtrechter concentreert zich in het advocatentuchtrecht primair op het handelen van de advocaat in zijn beroepsuitoefening met het oog op het belang van een gezonde advocatuur in het Nederlandse rechtsbestel, terwijl de civiele rechter zich concentreert op de juridische (verbintenisrechtelijke of goederenrechtelijke) twistpunten (HvD 21 april 2023 ECLI:NL:TAHVD:2023:85). Het is aan de civiele rechter en niet aan het hof op dit geschilpunt (waarover tussen klaagsters en de voormalig werkgeefster van verweerster een civielrechtelijke procedure gaande is) te beslissen.
Slotsom
7.9 Het hof toetst de kwaliteit van dienstverlening van verweerster in het licht van de normen van artikel 46 Advocatenwet en oordeelt dat het handelen van verweerster zoals omschreven in klachtonderdeel b) die toets doorstaat. Dit betekent dat het beroep van klaagsters niet slaagt. Het hof zal de beslissing van de raad, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, bekrachtigen.
8 Beslissing
Het Hof van Discipline:
bekrachtigt de beslissing van 3 februari 2025 van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden, gewezen onder nummer 24-575/AL/GLD, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen.
Deze beslissing is genomen door mr. drs. P. Fortuin, plaatsvervangend voorzitter, mrs. K. van Dijk en H.H. Tan, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.P.D. van Grondelle, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 19 januari 2026
griffier voorzitter
De beslissing is verzonden op 19 januari 2026 .
