Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

23-01-2026

ECLI

ECLI:NL:TAHVD:2026:19

Zaaknummer

250098

Inhoudsindicatie

Klacht over de eigen advocaat over de kwaliteit van de dienstverlening. De klacht is dat verweerder klagers belangen niet naar behoren heeft behartigd en hem niet dan wel onvoldoende heeft geïnformeerd. De raad van discipline heeft deze klacht ongegrond verklaard. Voor zover de klacht ziet op een periode langer dan drie jaar geleden is klager niet-ontvankelijk verklaard. Het Hof van Discipline bekrachtigt de beslissing van de raad.

Uitspraak

Beslissing van 23 januari 2026 in de zaak 250098

naar aanleiding van het hoger beroep van:

klager

tegen:

verweerder

 

   INLEIDING

1.1    Klacht over de eigen advocaat over de kwaliteit van de dienstverlening. De klacht is dat verweerder klagers belangen niet naar behoren heeft behartigd en hem niet dan wel onvoldoende heeft geïnformeerd. De raad van discipline (hierna: de raad) heeft deze klacht ongegrond verklaard. Voor zover de klacht ziet op een periode langer dan drie jaar geleden is klager niet-ontvankelijk verklaard. Het Hof van Discipline (hierna: het hof) bekrachtigt de beslissing van de raad.

1.2    Het hof zet eerst het verloop van de procedure bij de raad en het hof uiteen. Vervolgens zet het hof het volgende op een rij: de feiten, de klacht en de beoordeling van de raad. Daarna volgen de redenen waarom klager in beroep is gekomen en hoe het hof daarover oordeelt.  

2    DE PROCEDURE 

Bij de raad van discipline

2.1    De raad in het ressort ’s-Hertogenbosch heeft in de zaak tussen klager en verweerder (zaaknummer: 24-677/DB/LI) een beslissing genomen op 24 februari 2025. In deze beslissing is klager deels niet-ontvankelijk verklaard in zijn klacht en is de klacht voor het overige ongegrond verklaard. 

2.2    Deze beslissing is onder ECLI:NL:TADRSHE:2025:26 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.

Bij het hof van discipline

2.3    Het beroepschrift van klager tegen de beslissing is op 21 maart 2025 ontvangen door de griffie van het hof. Verder bevat het dossier van het hof de stukken van de raad en een e-mail van klager van 13 november 2025 met een bijlage.     2.4    Het hof heeft de zaak mondeling behandeld tijdens de openbare zitting van 24 november 2025. Daar zijn klager en verweerder verschenen. Klager heeft zijn standpunt toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen, die onderdeel uitmaken van het dossier van het hof. 

3    FEITEN

Het hof stelt de volgende feiten vast.

3.1    Klager heeft zich in 2017 gewend tot verweerder voor rechtsbijstand in een geschil met zijn broer over de verdeling van de nalatenschap van hun overleden moeder.   3.2    In de gerechtelijke procedure die tussen klager en zijn broer aanhangig was, heeft de rechtbank bepaald dat op 9 april 2020 een mondelinge behandeling zou plaatsvinden. 

3.3    Op 11 februari 2020 heeft tussen klager en verweerder een gesprek ter voorbereiding van de zitting plaatsgevonden. Dit gesprek heeft plusminus 2,5 uur geduurd. 

3.4    Bij e-mail van 20 maart 2020 heeft verweerder klager kort geïnformeerd over de gang van zaken ter zitting en onder meer vermeld:

“Soms geeft de rechter ook al de richting aan waarin hij denkt, vaak om een regeling te (proberen) mogelijk te maken. Ik verwacht echter niet dat Paul een voorstel zal willen doen dat voor u steek houdt, dus dat lijkt me op voorhand zinloos, maar je weet maar nooit.”

3.5    De mondelinge behandeling van 9 april 2020 is niet doorgegaan en de zaak is aangehouden. 

3.6    Bij brief van 19 januari 2021 heeft verweerder aan klager medegedeeld dat de rechtbank had bepaald dat de mondelinge behandeling zou plaatsvinden op 24 maart 2021. In deze brief heeft verweerder klager nogmaals kort geïnformeerd over de gang van zaken ter zitting en aan klager voorgesteld om elkaar een half uur voorafgaand aan de zitting in het gerechtsgebouw te treffen. 

3.7    In e-mailberichten van 23 en 24 februari en 4, 18 en 19 maart 2021 heeft verweerder diverse vragen van klager beantwoord en hebben klager en verweerder de te voeren strategie afgestemd.

3.8    Op 24 maart 2021 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Tijdens een schorsing van de zitting hebben onderhandelingen plaatsgevonden, die hebben geresulteerd in een minnelijke regeling. De minnelijke regeling is vastgelegd in een proces-verbaal van de zitting. Na voorlezing van de regeling door de griffier hebben klager en zijn broer de regeling ondertekend. De regeling luidt onder meer als volgt:

“1. Uit het depot bij notaris […] wordt € 100.000 aan [klager] betaald. (…) 3. Iedere partij draagt haar eigen proceskosten.

4. Met inachtneming van het bovenstaande verlenen partijen elkaar volledige kwijting, inclusief voor wat betreft de nalatenschappen van vader, moeder en tante en het executeurschap van [klagers broer]. Partijen hebben over en weer niets meer van elkaar te vorderen en zij verlenen elkaar na volledige uitvoering van deze regeling volledige kwijting. Partijen komen overeen dat [klager] geen bedrijven of instellingen zal benaderen om informatie te verkrijgen met betrekking tot de nalatenschap van moeder.” 

3.9    Verweerder heeft klager op 24 maart 2021 bericht:

“Ik heb onderweg naar huis nog eens over de kwestie nagedacht. Het is gewoon een goede “deal”.

- De primaire en subsidiaire vordering buiten beschouwing latende (die berekend waren bij verbeurte door Paul van verzwegen zaken, waar al eerder bedenkingen bij bestonden en waar tegenpartij en rechter ook exact de vinger op legden) was de meer subsidiaire vordering eigenlijk het “reëele” uitgangspunt. Inclusief rente zou dat (thans) rond de € 135.000,- maximaal hebben gelegen.

(…)

- Daarbij dan nog mijn oplopende kosten, terwijl in zaken rondom familieleden gebruik is bij de rechtbank om de kosten “te compenseren”; hetgeen betekent dat iedere partij zijn eigen kosten draagt. En al was het tot een proceskostenveroordeling gekomen (wat niet te verwachten valt) dan gaat dat via een puntensysteem (liquidatietarief) dat nooit de lading dekt althans zeker in deze  -feitelijk ingewikkelde- kwestie.”

3.10     Een uur later heeft klager verweerder als volgt geantwoord:

“Gezien al hetgeen u voor ons heeft bewerkstelligd, zijn wij heel veel dankbaarheid verschuldigd. Wij hopen spoedig ons normale leven weer te mogen gaan oppakken. (…) Wij zullen uw hulp nooit vergeten, en als blijk hiervan zullen wij binnenkort een keer bij uw kantoor even langskomen om een presentje aan te bieden, uiteraard na ons vooraf te hebben gemeld. (…)” 

3.11     Bij e-mail van 7 april 2021 heeft klager verweerder nogmaals bedankt en aangegeven blij te zijn dat de zaak was geëindigd. 

3.12     In juli 2021 heeft klager verweerder benaderd met de vraag of verweerder hem opnieuw kon bijstaan. Klager heeft in dit verband bij verweerder aangegeven dat hij met een beroep op dwaling van de minnelijke regeling wilde terugkomen. Verweerder heeft aan klager medegedeeld geen grond voor aantasting van de getroffen regeling te zien en niets voor hem te kunnen betekenen. Nadien heeft op 28 september 2021 een gesprek plaatsgevonden waarin klager verweerder heeft verzocht om de regeling open te breken. Verweerder heeft aangegeven dat hij daartoe niet bereid was.

3.13     Bij brief van 30 september 2022 heeft klager bij verweerder aangegeven dat hij zich niet kon vinden in de inhoud van de op 24 maart 2021 getroffen regeling. 

3.14     Klager heeft zich op 25 oktober 2022 bij verweerders kantoor beklaagd over het optreden van verweerder. De klachtenfunctionaris van verweerders kantoor heeft bij brief van 11 november 2022 aan klager medegedeeld dat naar zijn oordeel de klacht van klager ongegrond was. Klager heeft hierop bij brief van 24 november 2022 gereageerd, waarna de klachtenfunctionaris bij e-mailbericht van 29 november 2022 heeft aangegeven dat nader debat niet mogelijk was. 

3.15     Op 18 maart 2024 heeft klager tegen verweerder een klacht ingediend bij de deken.

4    KLACHT

De klacht houdt, zakelijk weergegeven en, voor zover van belang, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet doordat hij klagers belangen niet naar behoren heeft behartigd en hem niet dan wel onvoldoende heeft geïnformeerd.

5    BEOORDELING RAAD

5.1    De raad heeft allereerst overwogen dat voor zover de klacht ziet op het handelen of nalaten vóór 18 maart 2021 klager niet-ontvankelijk zal worden verklaard, nu ingevolge het bepaalde in artikel 46g lid 1 aanhef en sub a Advocatenwet een vervaltermijn geldt van drie jaren. 

5.2    Het verwijt van klager dat verweerder hem niet goed heeft geïnformeerd over de consequenties van het treffen van een minnelijke regeling heeft geen doel getroffen. Klager en verweerder hebben uitvoerig met elkaar gecorrespondeerd over de zaak en de te voeren strategie en hebben elkaar voorafgaand aan de zitting gesproken. Tijdens de schorsing van de zitting heeft verweerder aan klager uitgelegd dat het treffen van een minnelijke regeling met een finale kwijtingsclausule tot gevolg heeft dat de zaak tot een definitief einde komt. De stelling van klager dat verweerder tijdens de schorsing van de zitting tegen hem heeft gezegd dat na het treffen van de minnelijke regeling nog vorderingen tegen klagers broer konden worden ingesteld, heeft verweerder uitdrukkelijk weersproken, zodat dit volgens de raad niet is komen vast te staan. Voorts staat vast dat, zoals gebruikelijk, de griffier de inhoud van de minnelijke regeling, waaronder de finale kwijtingsclausule, aan partijen heeft voorgelezen, en aan partijen heeft voorgehouden dat het doel van de regeling was, dat zij van de kwestie af zouden zijn. Klager heeft met de regeling ingestemd en deze ondertekend. Daarnaast heeft klager verweerder bij e-mails van 24 maart en 7 april 2024 bedankt voor zijn inspanningen en aan verweerder medegedeeld blij te zijn dat de zaak was geëindigd en dat hij zijn leven weer kon oppakken. Hieruit blijkt naar het oordeel van de raad dat klager uitdrukkelijk akkoord is gegaan met de inhoud van de minnelijke regeling, waaronder de finale kwijtingsclausule, en dat hij na afloop van de zitting ook tevreden was met de getroffen regeling en het resultaat van verweerders rechtsbijstand. Tegenover het verweer van verweerder dat hij klager naar behoren heeft geadviseerd en geïnformeerd, heeft klager de klacht onvoldoende onderbouwd, terwijl in de overgelegde stukken ook geen aanknopingspunten kunnen worden gevonden voor de juistheid van klagers verwijt dat verweerder klager onvoldoende over de gevolgen van het treffen van een minnelijke regeling heeft geïnformeerd. Dat klager enige tijd na het treffen van de regeling van gedachten is veranderd en wilde terugkomen van de getroffen regeling, kan verweerder niet tuchtrechtelijk worden verweten. De bijstand zoals geschetst, getuigt niet van een kwaliteit van dienstverlening die onder de maat blijft van wat van een behoorlijk handelend advocaat mag worden verwacht. De raad heeft de klacht dan ook ongegrond verklaard.

6    BEROEPSGRONDEN EN VERWEER

Beroepsgronden klager

6.1    Klager komt in beroep tegen de beslissing van de raad en voert daartoe negen argumenten aan: 1)    verweerder heeft nagelaten noodzakelijke inhoudelijke informatie te geven over een finale schikking met voorwaarden, waardoor klagers belangen geschaad zijn en er daardoor onherstelbare schade is ontstaan; 2)    de deken en de raad zijn van verkeerde argumenten van verweerder uitgegaan; 3)    er heeft geen voorbespreking over de procedure, de finale schikking, eventuele voorwaarden en consequenties plaatsgevonden; 4)    verweerder heeft klager niet gevraagd naar zijn inbreng over de schikking, voorwaarden en consequenties; 5)    verweerder heeft artikel 3:194 lid 2 BW in de vorderingsprocedure verkeerd geïnterpreteerd; 6)    er zijn fouten gemaakt tijdens de schikkingsonderhandelingen en het opstellen van de vaststellingsovereenkomst; 7)    klager was onvoorbereid voorafgaand aan de zitting, hetgeen heeft geleid tot dwaling tijdens de schikkingenonderhandelingen en het opstellen van de vaststellingsovereenkomst; 8)    verweerder heeft de verdere afhandeling van nieuwe en niet eerder bekende onderdelen van de nalatenschap geweigerd, en 9)    toekomstige en nog niet bekende onderdelen van de nalatenschap vielen niet onder de opdrachtbevestiging met risicoanalyse. Klager verzoekt het hof om de klacht alsnog gegrond te verklaren, een maatregel op te leggen en te bepalen dat verweerder een boete moet betalen voor zijn immateriële schade wegens misbruik van vertrouwen. Daarnaast verzoekt klager het hof om verweerder te veroordelen om zijn onkosten te vergoeden en om de door klager betaalde advocaatkosten die betrekking hebben op het foutieve advies over artikel 3:194 lid 2 BW te retourneren. Tot slot verzoekt verweerder het hof om de betaalde factuur “te ontbinden”.

Verweer verweerder

6.2    Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd in beroep. Waar dat relevant is, bespreekt het hof dit bij de beoordeling van het beroep.

7    BEOORDELING HOF

Ontvankelijkheid

7.1    Het hof stelt voorop dat ingevolge het bepaalde in artikel 46g lid 1 onder a Advocatenwet voor het indienen van een klacht een vervaltermijn geldt van drie jaar vanaf het moment dat de klager heeft kennisgenomen of redelijkerwijs kennis heeft kunnen nemen van het handelen of nalaten van de advocaat waarop de klacht betrekking heeft. Op grond van het bepaalde in artikel 46g lid 2 Advocatenwet blijft na afloop van die vervaltermijn een niet-ontvankelijkverklaring achterwege indien de gevolgen van het handelen of nalaten van de betreffende advocaat redelijkerwijs pas nadien bekend zijn geworden. In dat geval verloopt de termijn voor het indienen van een klacht een jaar na de datum waarop de gevolgen redelijkerwijs als bekend geworden zijn aan te merken. Het gaat in artikel 46g lid 1 onder a Advocatenwet om naar objectieve maatstaven aan te nemen aanwezige kennis bij klager van het handelen of nalaten van de advocaat waarop de klacht betrekking heeft en niet om subjectieve wetenschap van dat handelen of nalaten bij klager.

7.2    Net als de raad zal het hof klager in zijn klacht voor zover deze ziet op het handelen of nalaten van verweerder vóór 18 maart 2021 niet-ontvankelijk verklaren. Klager heeft de klacht immers eerst op 18 maart 2024 ingediend en gesteld noch gebleken is dat klager pas later bekend is geworden met de gevolgen van het aan verweerder verweten handelen/nalaten. Klager heeft zich in oktober 2022 immers al beklaagd bij het kantoor van verweerder en heeft vervolgens bijna anderhalf jaar later pas een klacht ingediend bij de deken.

Toetsingsmaatstaf

7.3    Bij de beantwoording van de vraag of een advocaat zich betamelijk heeft gedragen als bedoeld in artikel 46 van de Advocatenwet hanteert het hof als uitgangspunt dat de tuchtrechter mede tot taak heeft de kwaliteit van de dienstverlening te beoordelen als daarover wordt geklaagd. Bij deze beoordeling geldt dat de tuchtrechter rekening houdt met de vrijheid die de advocaat heeft met betrekking tot de wijze waarop hij een zaak behandelt en met keuzes waar de advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door de eisen die aan de advocaat als opdrachtnemer in de uitvoering van die opdracht mogen worden gesteld en die met zich brengen dat zijn werk dient te voldoen aan datgene wat binnen de beroepsgroep als professionele standaard geldt. Het hof toetst of verweerder heeft gehandeld met de zorgvuldigheid die van een redelijke bekwame en redelijk handelende advocaat in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht. Deze toets geldt omdat er binnen de beroepsgroep wat betreft de vaktechnische kwaliteit geen sprake is van breed gedragen, schriftelijk vastgelegde professionele standaarden.

De klacht; de op 24 maart 2021 overeengekomen afspraken in het geschil met de broer van klager

7.4    Klager verwijt verweerder dat hij zijn belangen niet naar behoren heeft behartigd en hem niet dan wel onvoldoende heeft geïnformeerd over de gevolgen van de schikking die op de zitting bij de rechtbank tot stand is gekomen.

7.5    Klager en verweerder hebben tijdens de mondelinge behandeling van de klacht bij het hof uitgebreid toegelicht hoe de zaak van klager tegen zijn broer (bij de rechtbank) is verlopen. Voorafgaand aan de zitting heeft verweerder kort met klager gesproken over een mogelijke schikking, maar gelet op de ver uiteen liggende standpunten van partijen lag het niet in de lijn der verwachtingen dat het tot een schikking zou komen. Daardoor was er voor verweerder geen aanleiding om het verloop van een schikking verder uitgebreid met klager voor te bespreken, hetgeen ook volgt uit de e-mail van verweerder van 20 maart 2020. Toen de rechter de behandeling van de zaak had geschorst voor mogelijke onderhandelingen tussen partijen en de onverwachte bereidheid van de broer om daarop in te gaan, heeft verweerder onverwacht (snel) moeten schakelen. Verweerder heeft eerst 45 minuten lang met klager gesproken. Ze hebben toen samen alle bestanddelen van de nalatenschap doorgesproken en op een rij gezet. Vervolgens is verweerder in gesprek gegaan met de advocaat van de wederpartij. Het openingsbod van de wederpartij was dat hij € 10.000,- zou betalen aan klager. Verweerder heeft meerdere keren een tegenbod gedaan en daarmee dus overleg gevoerd met de wederpartij, waarna partijen op een bedrag van € 100.000,- zijn uitgekomen, door de wederpartij aan klager te betalen. Verweerder heeft, onweersproken toegelicht, de onderhandelingen steeds afgestemd met klager en verweerder heeft aan het einde van die onderhandelingen ook gevraagd of klager begreep waar hij voor zou tekenen. De onderhandelingen hebben een resultaat opgeleverd nagenoeg gelijk aan de meer subsidiaire vordering van klager, waar klager vervolgens expliciet mee heeft ingestemd. 

7.6    Ook is ‘op de gang’ besproken dat finale kwijting zou worden verleend en dat een regeling met de broer inhoudt dat onder alles een streep wordt gezet. Verweerder heeft dit bij de raad toegelicht en aangegeven dat klager wist wat finale kwijting inhoudt, waarna klager heeft verklaard: “ik ga niet zeggen dat het niet waar is wat verweerder zojuist zei of dat ik het er niet mee eens ben”. Ook heeft verweerder verklaard dat tijdens de schikkingsonderhandelingen met klager is gesproken over de advocaat- en proceskosten en dat deze kosten voor eigen (klagers) rekening zouden komen, hetgeen verweerder kort na de zitting in zijn e-mail van 24 maart 2021 nog eens heeft herhaald. Klager heeft een uur na het ontvangen van dat e-mailbericht aangegeven dat hij verweerder enorm dankbaar was, dat hij zijn hulp nooit zou vergeten en dat hij verweerder nog een presentje zou komen aanbieden op kantoor. Kennelijk heeft klager later spijt gekregen van de getroffen regeling, maar dat kan, zoals ook de raad heeft overwogen, niet leiden tot het oordeel dat verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld of de belangen van klager niet goed heeft behartigd. 

7.7    Voor zover klager verweerder verwijt dat hij de verdere afhandeling van nieuwe en niet eerder bekende onderdelen van de nalatenschap heeft geweigerd, geldt dat het een advocaat vrijstaat om een zaak niet aan te nemen. Verder heeft verweerder betwist dat hij artikel 3:194 lid 2 BW in de vorderingsprocedure verkeerd zou hebben geïnterpreteerd, zodat dit niet is komen vast te staan. 

7.8    Het hof komt dan ook, net als de raad, tot de conclusie dat verweerder zorgvuldig heeft gehandeld, waardoor van enig tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen geen sprake is. De argumenten die klager in zijn beroepschrift heeft aangevoerd slagen niet.

7.9     De nevenverzoeken van klager om zijn noodzakelijke onkosten te vergoeden, verweerder te veroordelen om de advocaatkosten (die betrekking zouden hebben op een foutief advies) te vergoeden, verweerder te veroordelen tot een boete (voor beweerdelijk geleden (immateriële) schade) en de factuur voor gemaakte advocaatkosten “te ontbinden”, zal het hof afwijzen. Voor zover het hof kan oordelen over dergelijke verzoeken, is niet gebleken dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.

7.10    Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de beslissing van de raad zal worden bekrachtigd. 

8    BESLISSING

Het Hof van Discipline:

bekrachtigt de beslissing van 24 februari 2025 van de Raad van Discipline in het ressort ’s-Hertogenbosch, gewezen onder nummer 24-677/DB/LI.

Deze beslissing is genomen door mr. J. Blokland, voorzitter, mrs. R. Verkijk en A. Groenewoud, leden, in tegenwoordigheid van mr. B.J.M. Vermulst, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 23 januari 2026.

griffier    voorzitter             

De beslissing is verzonden op 23 januari 2026.