Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

19-01-2026

ECLI

ECLI:NL:TADRSGR:2026:12

Zaaknummer

25-344/DH/DH

Inhoudsindicatie

Raadbeslissing. Klacht over de eigen advocaat. De raad is niet gebleken dat verweerster op het punt van communicatie, informatie en kwaliteit tekort is geschoten. Verweerster heeft bij het beëindigen van haar werkzaamheden onvoldoende oog gehad voor de belangen van klaagster. Verweerster heeft zich onttrokken met een kort bericht, zonder klaagster te informeren over wat er op korte termijn moest gebeuren. Verweerster had zich bovendien niet op deze termijn voor de zitting nog mogen onttrekken dan wel meer voortvarendheid dienen te betrachten in de overdracht. Waarschuwing.

Uitspraak

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 19 januari 2026 in de zaak 25-344/DH/DH naar aanleiding van de klacht van:

klaagster  gemachtigde: [V]

over

verweerster  gemachtigde: mr. F.G. Schalker

1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE 1.1    Op 21 augustus 2024 heeft de gemachtigde van klaagster bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerster. 1.2    Op 23 mei 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk K174 2024 van de deken ontvangen.  1.3    De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 8 december 2025. Daarbij waren klaagster en haar gemachtigde, alsmede verweerster en haar gemachtigde aanwezig. 1.4    De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2. genoemde klachtdossier en van de op de bijbehorende inventarislijsten genoemde bijlagen. 

2    FEITEN 2.1    Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten. 2.2    In 2018 is de vader van klaagster overleden. In 2022 is ook de moeder van klaagster overleden. Na het overlijden bleek dat moeder klaagster had onterfd. Er is een geschil ontstaan over de hoogte van het door klaagster te ontvangen bedrag uit de erfenis(sen). 2.3    Klaagster heeft DAS Rechtsbijstand ingeschakeld voor bijstand. Klaagster is aanvankelijk bijgestaan door mr. [B] (hierna: mr. B) van DAS.  2.4    Op 17 april 2024 heeft mr. B aan de gemachtigde van klaagster (klaagsters echtgenoot) onder meer geschreven dat er is onderhandeld over opheffing van het (door klaagster gelegde) beslag op de woning en dat daarover nog geen deal is. Vanwege een verschil van inzicht (hierover), heeft mr. B in de e-mail aangegeven zijn werkzaamheden voor klaagster te beëindigen. In de e-mail van 17 april 2024 heeft mr. B ook geschreven: “Tot slot wil ik u verzoeken tijdig (ruim voor 21 mei a.s.) aan mijn opvolger aan te geven of u nog in hoger beroep wenst van het vonnis in incident van 21 februari 2024.” 2.5    Op 18 april 2024 heeft mr. B de advocaat van de wederpartij geïnformeerd over zijn onttrekking. 2.6    Diezelfde dag heeft mevrouw [O] (hierna: O) van DAS aan klaagster onder meer geschreven: “Kort Geding [Mr. B] heeft u laten weten dat hij het kansloos acht om in kort geding met succes verweer te voeren. Op dat specifieke punt won ik inmiddels intern een second opinion in. Deze advocaat onderschrijft het standpunt van [mr. B] volledig. Dat betekent dat DAS zich op het standpunt stelt dat een redelijke kans van slagen ontbreekt. In dat geval mag DAS de rechtsbijstandsverlening stopzetten. (…) Het staat u vrij om het kort geding op eigen kosten buiten DAS om te laten behandelen. (…) Voor de lopende procedures zal ik nagaan wie uw zaak kan overnemen.” 2.7    Op 21 april 2024 stuurt de gemachtigde van klaagster een e-mail aan de advocaat van de wederpartij waarin hij onder meer schrijft: “Wat betreft de beslaglegging kunt u nu, tot nader order, mij als contactpersoon gebruiken. Ik ben namelijk van oordeel dat het beslag er wel af kan, maar dat we het moeten hebben over de voorwaarden. Kun u mij daarom uw voorstel mailen. Dan zal ik daarop reageren.” 2.8    Op 22 april 2024 heeft de advocaat van de wederpartij gereageerd en aan klaagster en haar gemachtigde onder meer geschreven: “Ik heb in mijn eerdere berichten aan [mr. B] reeds aangegeven dat als voorwaarden voor het opheffen van het beslag op de woning zullen gelden: 1.    In een overeenkomst wordt vastgelegd dat de opbrengst van de verkoop na aftrek van de hypotheekschuld, makelaarskosten en notariskosten in depot blijft bij de notaris tot is beslist in de bodemprocedure of tussen partijen anderszins overeenstemming is bereikt m.b.t. de verdeling van het bedrag. 2.    De notaris zal dus pas nadat door de rechtbank is beslist tot betaling uit het depot mogen over gaan of na instructie van beide partijen daartoe.  2.9    Diezelfde dag heeft de gemachtigde van klaagster aan de advocaat van de wederpartij onder meer geschreven dat hij denkt dat ze er wel zonder proces uit gaan komen.  2.10    Verweerster, eveneens werkzaam bij DAS, heeft de behandeling van de zaak overgenomen per 26 april 2024. 2.11    Op 30 april 2024 heeft verweerster aan de gemachtigde van klaagster een voorstel voor een bericht aan de advocaat van de wederpartij gestuurd en daarbij onder meer geschreven: “Ik ben vanaf morgen weer bereikbaar. Ik bel u in de ochtend. Stemt u in met onderstaande mail?” 2.12    Op 2 mei 2024 heeft verweerster aan de advocaat van de wederpartij onder meer geschreven: “Wellicht ten overvloede bericht ik u dat cliënten akkoord gaan met het opheffen van het conservatoir beslag. De voorwaarde is wel dat partijen een depotovereenkomst ondertekenen waarin is vastgelegd dat de opbrengst van de verkoop van de woning na aftrek van de hypotheekschuld, makelaarskosten en notariskosten in depot blijft bij de notaris tot partijen duidelijkheid hebben over de verdeling van de opbrengst. De notaris zal pas overgaan tot uitbetaling na instructies van beide partijen. U heeft de voorwaarden op 22 april jl. naar cliënt gemaild. Naast de door u genoemde voorwaarden stellen cliënten voor om gezamenlijk een notaris aan te wijzen. (…) Tot slot bericht ik u dat inzake de beslaglegging (en alles daaromheen) u zich rechtstreeks dient te wenden tot cliënten.” 2.13    Op 13 mei 2024 heeft verweerster aan de gemachtigde van klaagster onder meer geschreven:  “De advocaat van uw schoonzus heeft inderdaad gebeld omdat hij niet begrijpt waarom hij inzake het conservatoir beslag rechtstreeks met u moet communiceren maar u in uw mail aan hem ook aan het onderhandelen bent over de geldbedragen waar uw vrouw recht op heeft. Het onderhandelen is een taak van advocaten. Omdat dit erg verwarrend is voor hem heb ik dan ook besloten om de communicatie vanaf heden verder over te nemen en indien dit tot niets leidt en [advocaat wederpartij] een kort geding zal starten omdat u niet akkoord gaat met het opheffen van het conservatoir beslag, is het standpunt van DAS dat het een redelijk voorstel is en dat u geen argumenten hebt om hier niet aan mee te werken. U heeft op dat moment dan recht om het standpunt van DAS te beoordelen door beroep te doen op een geschillenregeling. (…) Ik neem dan vanaf nu de correspondentie met [advocaat wederpartij] weer over.  Ik heb het dossier bestudeerd en het is mij wel duidelijk wat de diverse geschilpunten zijn. (…) [Mr. B] heeft op 2 februari 2024 namens u een voorstel gedaan waarbij de waarde van de woning is bepaald op 435.000,- en bij de berekening van de legitieme portie zijn o.a. giften meegenomen in de berekening. Uw erfdeel in de nalatenschap van vader bent u van mening dat dit 38.158,73 is en de legitieme portie vindt u is 87.647,82 wat neerkomt op een totaalbedrag van 125.000,-. (…) Bij brief van 28 februari 2024 heeft [advocaat wederpartij] gereageerd op het voorstel en heeft aangegeven het erfdeel in de nalatenschap van erflater te bepalen op 34.418,58 en de legitieme portie op 62.344,57 wat neerkomt op een bedrag van 98.828,16. De tegenpartij weerlegt uw stelling dat 80.000,- van de verkoop van Tjalk is geschonken. (…) Ik heb de mail van [mr. B] op 1 maart 2024 zijn visie heeft gegeven op het verhaal van [advocaat wederpartij] van 28 februari 2024. Ik deel dit standpunt ook. Niet omdat [mr. B] mijn collega is maar om de vrij eenvoudige reden dat het juridisch juist is wat hij in zijn mail aangeeft. Het maar ‘strooien’ met diverse op-/ en aanmerkingen is niet voldoende. U moet uw stellingen onderbouwen en vooral als de tegenpartij uw stelling weerlegt. U geeft aan dat het bedrag van 80.000,- is geschonken aan uw zus. Deze stelling onderbouwt u niet. Vervolgens geeft zus een toelichting wat met het geld is gebeurd en (een deel van haar toelichting) onderbouwt zij. De bal ligt nu bij u. U moet nu aantonen dat hetgeen zus vertelt niet juist is door met het bewijs te komen waaruit blijkt dat geld is overgemaakt van de rekening van ouders naar de rekening van zus. Dit heeft u niet. Of dat u hebt gezien dat 80.000,- contant is gegeven aan schoonzus. Dit bewijs heeft u ook niet. (…) Stel het lukt u wel om te onderbouwen dat het geldbedrag (volledig) is geschonken aan zus dan valt slechts de helft in de nalatenschap van moeder en dus is de aanspraak van uw vrouw slechts 10.000,-. Ik las in de mail iets over bankafschriften tot 10 jaar voor overlijden. In de nalatenschap van uw overleden moeder heb ik u ook meermaals medegedeeld dat het opvragen of inzake krijgen in bankafschriften tot 10 jaar voor overlijden er geen juridische basis voor is. In de nalatenschap van uw schoonouders is mijn standpunt niet anders.  Mail van 8 mei aan [advocaat wederpartij] Uw mail aan [advocaat wederpartij] bevat wat op-/ aanmerkingen die niet juist zijn.  De verkoopopbrengst in depot storten is een zekerheid die een beslaglegger krijgt wanneer hij beslag heeft gelegd. Om die reden is er geen enkele rechter die uw vrouw ‘gelijk’ zal geven wanneer u niet instemt met het opheffen van het beslag als voorwaarde dat de gehele opbrengst wordt gestort op een derdengeldenrekening. Vaak wordt het geldbedrag waar partijen over bakkeleien, in uw geval 125,000,- verhoogt met nog een beetje in de pot gestort. Nu de tegenpartij de gehele opbrengst (!) in depot wil storten tot er duidelijkheid komt over de wijze van verdeling van het geld, gaat geen rechter u hierin steunen en is de kans dat u wordt veroordeeld in de proceskosten van het kort geding groot. U jaagt uw schoonzus onnodig op kosten. Mijn advies hierin is dan ook om niet moeilijk hierover te doen. Als er geen akkoord wordt bereikt over het bedrag dat aan uw vrouw toekomt, adviseer ik u om mee te werken aan de depotovereenkomst. (…) Advies Er zijn diverse rechtszaken gevoerd en tot nu toe weinig met succes. In hoger beroep vrees ik gaat uw vrouw het ook redden.  Als ik bekijk wat het voorstel was van ons van 125.000,- en wat het tegenvoorstel van 98.828,16 is mijn advies, gezien het moeilijk zal worden om bepaalde stelling te onderbouwen met bewijzen, stel ik voor dat wij een tegenvoorstel doen van 110.000,-. Het bedrag van 98.828,16 + 4.000,- (verschil erfdeel vader + nog een beetje). Het is dan aan de tegenpartij om te reageren. Het voorstel van € 125.000,- kunnen we niet handhaven en zal ik ook niet redden in een rechtszaak.” 2.14    Op 14 mei 2024 heeft de gemachtigde van klaagster gereageerd en aan verweerster onder meer geschreven: “Het is verwarrend voor iedereen dat de Das deze zaak niet vertegenwoordigd, maar wel de communicatie gaat doen. U gaat wel onderhandelen, maar staat mij niet bij in het proces. (…) Ik was niet op de hoogte dat advocaten een taak van advocaten is. Kun u mij aangeven welk wetsartikel dit is? (…) Het valt mij wel op dat ik nu al meer heb uit onderhandeld met de tegenpartij. [Advocaat wederpartij] heeft mij toegezegd dat het volledige bedrag in depot gaat na aftrek van hypotheek en notariskosten. U wil de tegenpartij al een deel van het geld geven. Dat is in mijn nadeel, waar ik het ook niet mee eens ben.” 2.15    Op 15 mei 2024 laat de gemachtigde van klaagster per e-mail aan mevrouw [J] (hierna: J) van DAS weten dat hij e-mail van mr. B van 17 april 2024 niet kan vinden. Hij heeft verzocht de e-mail alsnog aan hem te doen toekomen. Ook heeft de gemachtigde van klaagster verzocht om het hele dossier (digitaal, via de portal) te kunnen inzien. 2.16    Op 22 mei 2024 heeft de gemachtigde van klaagster een klacht ingediend over de kwestie. In zijn e-mail schrijft hij onder meer: “Nu wil de tegenpartij, dat we het beslag opheffen om het huis te kunnen verkopen. Vanaf het eerste moment hebben wij aangegeven daaraan te willen meewerken, echter wel onder een aantal voorwaarden. De voorwaarden die [mr. B] voorstelde vonden wij te slecht. Eén van de punten was, dat hij een deel van het geld (125.000 euro uit mijn hoofd) in depot zou blijven. Wij willen het volledige bedrag in depot na aftrek van hypotheek, notaris en makelaarskosten. (…) Ik heb zelf contact gezocht met de advocaat van de tegenpartij. Heb nu al voor elkaar dat het volledige bedrag in depot blijft exclusief hypotheek, notaris en makelaarskosten.(…) Op 13 mei 2024 ontvangen we een schrijven van onze advocaat van DAS. Zie bijlage. Echter de DAS staat me NIET bij in deze zaak, maar neemt wel de communicatie over. Dit lijkt me niet redelijk en billijk. Niet de zaak voeren, maar ik mag ook niet zelf dit afwikkelen of aan een andere advocaat overlaten. (…) Het probleem is dat DAS nu niet alle drie de zaken meer vertegenwoordigd, die ze eerst wel vertegenwoordigde. Gezien het nu gaat zou ik graag willen, dat al deze zaken door een ander kantoor worden behandeld. Daar de nieuwe advocaat en [mr. B] (oude advocaat) naaste collega’s zijn. Ze kennen elkaar persoonlijk en hebben ook contact betreffende deze zaken.”  2.17    Op 24 mei 2024 heeft J gereageerd op de e-mail van 15 mei 2024. Zij heeft daarbij de e-mail van 17 april 2024 aan de gemachtigde van klaagster gestuurd. Zij heeft onder meer geschreven dat het verzoek om inzage intern is doorgegeven. 2.18    Op 30 mei 2024 heeft verweerster aan de gemachtigde van klaagster onder meer geschreven: “U heeft een aantal keer gebeld en gemaild met de vraag of DAS/ik in hoger beroep ben gegaan tegen de uitspraak van 21 februari jl. Het antwoord hierop is nee. Een mogelijkheid om nu in hoger beroep te gaan, is er niet. De Rechtbank heeft de vorderingen in het incident afgewezen. Tegen deze afwijzing is pas hoger beroep mogelijk wanneer in de hoofdzaak (!) vonnis is gewezen/een beslissing is genomen. De verdere behandeling van de hoofdzaak vindt plaats op 19 juni a.s. Er is nu dus nog geen mogelijkheid om in hoger beroep te gaan.  Ik heb u op 13 mei jl. mijn kijk op de zaak gemaild. U heeft inhoudelijk hier niet op gereageerd. Ik heb van mijn collega’s van de klachtenafdeling vernomen dat u geen vertrouwen (meer) heb in mijn persoon om uw belangen op juiste wijze (verder) te behartigen.  Onder deze omstandigheden kan ik niet anders dan mij nu als advocaat uit de behandeling van zaken terugtrekken.  Een collega zal zo spoedig mogelijk contact met u opnemen over het vervolg van de behandeling van uw zaak.” 2.19    De gemachtigde van klaagster heeft hier diezelfde dag op gereageerd en onder meer geschreven: “Ik ben ten zeerste verbaasd over onderstaande reactie. Ik ben nu al weken aan het mailen en aan het bellen en het is onbegrijpelijk dat niemand mij telefonisch te woord wil staan, gevraagde informatie niet geleverd wordt en waardoor deadlines mogelijkerwijs niet gehaald kunnen worden. En mij dan vervolgens verwijten dat ik niet op de zaak reageer. Waar de klachtencommissie op baseert, dat ik geen vertrouwen in [verweerster] heb is mij een raadsel.  Het lijkt wel alsof bewust stukken te laat naar mij worden doorgestuurd, zoals de nooit ontvangen brief van 17 april 2024. Die heb ik meerdere keren opgevraagd en heel lang niet gekregen. (…) Met spoed wil ik overleg met iemand hebben, daar ik over een paar weken al in de rechtbank sta zoals ik van [verweerster] nu begrijp. Ik hoor graag wie mijn zaak nu WEL gaat behandelen.” 2.20    Op 31 mei 2024 heeft verweerster een e-mail van de advocaat van de wederpartij (met een aankondiging van het kort geding) aan de gemachtigde van klaagster gestuurd, waarbij zij schrijft dat zij niet over de verdere behandeling van het dossier gaat. 2.21    Op 3 juni 2024 heeft de klachtafdeling van DAS gereageerd op de klacht van 22 mei 2024. In de brief is onder meer vermeld dat DAS tegen de uitspraak van 21 februari 2024 niet in hoger beroep is gegaan, omdat een mogelijkheid daartoe er (nog) niet is en dat DAS daarom geen termijn heeft laten verlopen. In de brief is verder vermeld dat het dossier kan worden uitbesteed aan een externe rechtshulpverlener 2.22    Op 9 juni 2024 heeft de gemachtigde van klaagster hierop gereageerd en gevraagd naar de overdracht van het dossier naar een externe advocaat gelet op de geplande zitting, omdat overdracht binnen vijf werkdagen geregeld zou zijn, maar hij nog niets had vernomen. 2.23    Op 10 juni 2024 heeft mevrouw [S] (hierna: S) van DAS een (externe) advocaat benaderd om klaagsters zaak over te nemen. Uit het bericht blijkt dat er (na tussenvonnis van 21 februari 2024) een zitting is gepland op 19 juni 2024. Deze advocaat heeft op 11 juni 2024 laten weten dat hij onder andere vanwege de zeer korte termijn waarop een en ander dient te worden opgepakt geen gelegenheid heeft om het dossier aan te nemen.  2.24    Inmiddels heeft de gemachtigde van klaagster zelf een nieuwe advocaat (mr. […], hierna: klaagsters nieuwe advocaat) benaderd. Op 11 en 12 juni 2024 is per e-mail contact tussen S en klaagsters nieuwe advocaat over de zaak.   2.25    Op 13 juni 2024 laat S aan klaagsters nieuwe advocaat weten dat zij nog terugkomt op de vraag of er stukken naar de rechtbank zijn gestuurd. Voor zover S kan zien is dit niet gebeurd.  2.26    Op 16 juni 2024 stuurt klaagsters nieuwe advocaat de stukken die zij aan de rechtbank heeft gestuurd aan de gemachtigde van klaagster, waarbij zij onder meer schrijft dat de stukken tien dagen voor de zitting bezorgd hadden moeten zijn, dat het een behoorlijke haastklus is geweest en dat zij, zoals besproken, niet kan garanderen dat het in behandeling wordt genomen. 

3    KLACHT 3.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster heeft in haar klachtbrief de volgende klachten geformuleerd:   1)    Het onjuist/onduidelijk informeren over hoger beroep mogelijkheden. 2)    Het niet in de gaten houden van fatale termijnen voor indienen van stukken bij de rechtbank. 3)    Het niet bereikbaar zijn voor de cliënt. 4)    De cliënt niet te woord willen staan en e-mail sturen dat hij maar naar haar manager moet gaan, terwijl er op korte termijn een zitting aan zat te komen. 5)    Het niet verder willen behartigen van de zaak zonder dat er een vervanger is, nadat ze had aangegeven de zaak niet meer te willen behandelen vlak voordat er een zitting was. 6)    Het niet tijdig aandragen van een nieuw kantoorgenoot. 7)    Het niet hebben ingediend van de benodigde stukken bij de rechtbank. 8)    Rechtszaak starten met betrekking tot overleden moeder, terwijl de zaak van overleden vader nog niet afgewikkeld was. Vordering bij vader moet eerst definitief zijn om startpunt moeder te zijn. 9)    Onduidelijke/gebrekkige communicatie: a)    Verweerster behartigde de beslagleggingszaak niet, maar het was klaagster niet toegestaan daar zelf over te onderhandelen. b)    Klaagster mocht niet onderhandelen. Dat was een taak van advocaten volgens verweerster. Op de vraag waar dat in de wet stond is nooit antwoord gekomen. c)    Het niet uitleggen dat een hoger beroep tegen een tussenvonnis van 21 februari niet mogelijk was. Dat had verweersters voorganger onterecht voorgesteld. d)    Geen duidelijke/goede uitleg hoe de beslaglegging in elkaar zat, wat veel miscommunicatie heeft veroorzaakt.  10)    Opnieuw gaan onderhandelen met de tegenpartij en een slechter resultaat realiseren, dan er al door de tegenpartij initieel was aangeboden.  11)    Het niet volledig en veel te laat overdragen van het dossier naar de nieuwe advocaat. Eén advocaat heeft om die reden de zaak ook niet aangenomen.  12)    Belemmeren van de overdracht onder de noemer van budgettaire beperking.  3.2    Samengevat zien de klachten op de communicatie en informatievoorziening (1, 3, 4 en 9), ondermaatse kwaliteit (2, 7, 8 en 10) en de zorgplicht rondom de onttrekking en overdracht (5, 6, 11 en 12). 3.3    Klaagster heeft toegelicht dat verweerster haar niet of nauwelijks heeft geholpen. Verweerster stond klaagster (c.q. haar gemachtigde) niet of nauwelijks telefonisch te woord en er werd niet naar klaagsters wensen geluisterd. Verweerster heeft iedere suggestie van klaagsters kant afgedaan door te zeggen dat klaagster geen vertrouwen in verweerster had. Verweerster heeft de zaak simpelweg uit haar handen laten vallen en geen enkele verantwoording genomen, met nadelige consequenties voor klaagsters zaak.

4    VERWEER  4.1    Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. Zij heeft toegelicht dat zij verantwoordelijk is voor de behandeling van de zaak in de periode van 26 april 2024 tot en met 30 mei 2024. Verweerster stelt dat over de aanpak van de zaak een verschil van inzicht is ontstaan, wat het meest tot uitdrukking komt in het wel of niet verweer voeren in een kort geding over opheffing van het beslag. Het opknippen van een geschil of strategie kan niet. Verweerster stelt dat deadlines zijn bewaakt en dat hoger beroep nog niet mogelijk was. Dat aan wensen of suggesties geen opvolging of uitvoering is gegeven, betekent niet dat er niet is geluisterd. Uit de stukken blijkt niet dat verweersters dienstverlening ondermaats is geweest.  4.2    Ter zitting is naar voren gebracht dat de onttrekking van 30 mei 2024 beter had gekund, in die zin dat verweerster in dat bericht had moeten aangeven wat de consequenties van de onttrekking waren, ook voor de procedure. Daar is op 3 juni 2024 in de klachtbehandeling aandacht aan besteed. Verweerster meent dat zij zich met het oog op de zitting van 19 juni 2024 tijdig heeft onttrokken. 4.3    De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan. 

5    BEOORDELING Toetsingskader 5.1    Deze klacht gaat over de kwaliteit van de dienstverlening van de advocaat. Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt. Ook houdt de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als algemene professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht.  5.2    De gedragsregels beogen invulling te geven aan de eisen die mogen worden gesteld aan een goede taakuitoefening door een behoorlijk handelende advocaat. De tuchtrechter toetst aan de norm van artikel 46 van de Advocatenwet en niet aan de gedragsregels, waarbij de gedragsregels zo nodig wel van betekenis kunnen zijn bij die toets.  5.3    Gedragsregel 14 bepaalt: 1)    De advocaat draagt volledige verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de opdracht. De advocaat kan zich niet aan deze verantwoordelijkheid onttrekken met een beroep op de van zijn cliënt verkregen opdracht. Hij mag evenwel geen handelingen verrichten tegen de kennelijke wil van de cliënt. 2)    Indien tussen de advocaat en zijn cliënt verschil van mening bestaat over de wijze waarop de opdracht moet worden uitgevoerd en dit geschil niet in onderling overleg kan worden opgelost, dient de advocaat zich terug te trekken. 3)    Wanneer de advocaat besluit een hem verstrekte opdracht neer te leggen, dient hij dat op zorgvuldige wijze te doen en dient hij ervoor zorg te dragen dat zijn cliënt daarvan zo min mogelijk nadeel ondervindt. 5.4    Gedragsregel 16 bepaalt:  1)    De advocaat dient zijn cliënt op de hoogte te brengen van belangrijke informatie, feiten en afspraken. Ter voorkoming van misverstand, onzekerheid of geschil, dient hij belangrijke informatie en afspraken schriftelijk aan zijn cliënt te bevestigen. Communicatie/informatie (klachtonderdelen 1, 3, 4 en 9) 5.5    De raad stelt vast dat verweerster klaagster vrij kort heeft bijgestaan, vanaf 26 april 2024 tot en met de onttrekking op 30 mei 2024. Uit het dossier blijkt dat er in ieder geval eind april/begin mei 2024 contact is geweest tussen verweerster en de gemachtigde van klaagster over een aan de wederpartij te sturen bericht. Op 13 mei 2024 heeft verweerster een uitgebreide e-mail gestuurd over de zaak, waarop door klaagsters gemachtigde ook is gereageerd. Verweerster is ingegaan op de beslaglegging en heeft aangegeven dat zij de communicatie met de advocaat van de wederpartij (weer) op zich nam, omdat verwarring was ontstaan. De gemachtigde van klaagster onderhandelde voor een deel van de zaak zelf met de (advocaat van de) wederpartij, maar voor een deel ook niet. Niet onbegrijpelijk is dat hierdoor verwarring ontstond bij de advocaat van de wederpartij. Verweerster heeft kennelijk duidelijkheid willen creëren voor de advocaat van de wederpartij. Dat is niet tuchtrechtelijk verwijtbaar. Dat ze niet uitdrukkelijk heeft gereageerd op de vraag waar in de wet staat dat onderhandelen door advocaten gebeurt, is evenmin tuchtrechtelijk verwijtbaar.  5.6    Vervolgens heeft de gemachtigde van klaagster kennelijk een aantal keer gebeld en gemaild met de vraag of hoger beroep is ingesteld tegen het (tussen)vonnis van 21 februari 2024. Daarmee is nog geen sprake van onbereikbaar zijn voor de cliënt. Van een advocaat wordt immers niet verwacht dat hij direct op elk telefoontje of mailtje reageert. Verweerster heeft in haar e-mail van 30 mei 2024 gereageerd en de gemachtigde van klaagster geïnformeerd dat er nog geen mogelijkheid bestond voor hoger beroep. Het is de raad niet gebleken dat verweerster op dit punt onjuist heeft geïnformeerd. Zij heeft hier bovendien op het moment dat hier een vraag over was op gereageerd. Op dit punt heeft verweerster afdoende met de gemachtigde gecommuniceerd.  5.7    In dezelfde e-mail van 30 mei 2024 heeft verweerster haar werkzaamheden neergelegd, waarbij zij heeft laten weten dat een collega contact zal opnemen met de gemachtigde van klaagster over het vervolg van de zaak. Niet blijkt dat zij klaagster niet te woord wilde staan. Evenmin blijkt dat verweerster heeft verwezen naar de manager. 5.8    De raad is dan ook niet gebleken dat verweerster op het punt van communicatie en informatie tekort is geschoten in haar zorgplicht jegens klaagster. De verwijten op dit punt zijn ongegrond.  Ondermaatse kwaliteit (klachtonderdelen 2, 7, 8 en 10) 5.9    Deze verwijten zien allereerst op (de termijn voor) het indienen van stukken bij de rechtbank. De zitting was bepaald op 19 juni 2024 en stukken konden tot 10 dagen voor de zitting worden ingediend, dus uiterlijk op 9 juni 2024. Verweerster heeft haar bijstand al eerder, op 30 mei 2024, neergelegd. De termijn was op dat moment dus nog niet verlopen en de verwijten op dit punt zijn daarmee ongegrond.  5.10    Het is overigens onduidelijk of verweerster op dat moment had geïnventariseerd of, en zo ja welke, stukken nog moesten worden ingediend bij de rechtbank. Uit de overgelegde e-mails blijkt niet dat daarover al contact was geweest tussen verweerster en klaagsters gemachtigde. Met de beëindiging van de bijstand op 30 mei 2024 kwam de mogelijkheid om tijdig stukken in te brengen wel in het gedrang. De raad zal daar hierna (onder 5.14) nader op ingaan.  5.11    Klaagster verwijt verweerder verder dat er een rechtszaak is gestart met betrekking tot de overleden moeder, voordat de zaak van de overleden vader was afgewikkeld, terwijl dat wel eerst had gemoeten. De raad kan niet vaststellen dat verweerster een procedure is gestart. Dat blijkt niet uit het dossier. Het lijkt erop dat mr. B de procedures is gestart. Daarvan kan aan verweerster geen verwijt worden gemaakt. Dit verwijt is dan ook ongegrond. 5.12    Klaagster verwijt verweerster verder dat zij opnieuw is gaan onderhandelen met een slechter resultaat tot gevolg. Ook dit blijkt niet uit het klachtdossier. Op 22 april 2024 heeft de advocaat van de wederpartij aan de gemachtigde van klaagster het eerder aan mr. B gedane voorstel herhaald: de gehele opbrengst van de woning in depot. Op 2 mei 2024 heeft verweerster aan de advocaat van de wederpartij laten weten dat klaagster hiermee akkoord ging. De gemachtigde van klaagster heeft hierover op 8 mei 2024 kennelijk een e-mail aan de advocaat wederpartij hierover gestuurd. Verweerster heeft daar in haar e-mail van 13 mei 2024 op gereageerd, waarbij zij schrijft dat (ook) de wederpartij de gehele opbrengst in depot wil storten. Niet blijkt, zoals klaagster stelt, dat verweerster alleen het bedrag van € 125.000,- in depot wilde houden. Evenmin blijkt dat er een slechter resultaat is gerealiseerd. De klacht op dit punt is ongegrond. 5.13    De raad is dan ook niet gebleken dat verweersters inhoudelijke bijstand ondermaats is geweest. De klachten hierover zijn ongegrond. Onttrekking en overdracht (klachtonderdelen 5, 6, 11 en 12) 5.14    Verweerster heeft zich op 30 mei 2024 met een kort bericht aan de gemachtigde van klaagster onttrokken aan de zaak. Uit het bericht blijkt dat dit is gebeurd naar aanleiding van de door de gemachtigde van klaagster ingediende klacht (van 22 mei 2024). Het is de raad duidelijk dat met die klacht sprake was van een gebrek aan vertrouwen van klaagster in verweerster. Hoewel het beleid van DAS is dat bij een klacht de klantrelatie wordt beëindigd, had verweerster zich niet met alleen een dergelijk beperkt bericht aan de zaak mogen onttrekken, zeker nu sprake was van een naderende zitting (met een termijn voor het indienen van stukken). Zij had (de gemachtigde van) klaagster uitgebreider moeten informeren over de ontstane situatie en wat er op korte termijn moest gebeuren in de zaak. Dat klemt temeer omdat de mogelijkheid om nog tijdig voor de zitting stukken in te dienen met de onttrekking van verweerster verder in het gedrang kwam, ook gelet op het feit dat te verwachten was dat overdracht (intern of extern) via DAS enige tijd in beslag zou nemen. Verweerster heeft bij de onttrekking te weinig oog gehad voor de belangen van klaagster. Gelet op de nadere zitting en de daarvoor geldende termijn, had verweerster een zorgplicht in die zin dat bij onttrekking zij zich actiever in had dienen te zetten voor tijdige dossieroverdracht.   Dat overdracht meer tijd in beslag neemt door de interne procedure van DAS, kan niet voor rekening en risico komen van klaagster. Het lag daarom op de weg van verweerster voortvarendheid in overdracht te betrachten door de naderende termijn. Door dit na te laten, althans onvoldoende te waarborgen, heeft zij tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld. Klachtonderdeel 5 is daarmee gegrond. 5.15    Verweerster was niet gehouden een kantoorgenoot aan te dragen, zoals klaagster haar ook lijkt te verwijten. Dit verwijt is ongegrond. 5.16    De raad kan niet vaststellen dat het dossier onvolledig en/of te laat is overgedragen aan de nieuwe advocaat. Een van de advocaten die door DAS is benaderd, heeft de zaak inderdaad geweigerd (zie 2.23). Het is echter niet aan verweerster te wijten dat DAS pas op 10 juni 2024 voor het eerst een externe advocaat is gaan zoeken.  5.17    Dat verweerster de overdracht zou hebben belemmerd onder de noemer van budgettaire beperking, is door klaagster niet verder geconcretiseerd en blijkt niet uit het dossier. Dit verwijt is daarmee ongegrond.

6    MAATREGEL 6.1    Verweerster heeft bij het beëindigen van haar werkzaamheden onvoldoende oog gehad voor de belangen van klaagster. Verweerster heeft zich onttrokken met een kort bericht, zonder klaagster (of haar gemachtigde) te informeren over wat er op korte termijn moest gebeuren, zoals de indiening van stukken voor de naderende zitting. Verweerster had zich bovendien niet op deze termijn voor de zitting nog mogen onttrekken dan wel meer voortvarendheid dienen te betrachten in de overdracht, gelet op de termijn voor het indienen van stukken en de te verwachten tijd voor overdracht van het dossier aan een andere advocaat. Verweerster heeft daarmee onzorgvuldig gehandeld.  6.2    De raad is van oordeel dat een zakelijke terechtwijzing op zijn plaats is. De raad legt aan verweerster daarom de maatregel van waarschuwing op.

7    GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING  7.1    Omdat de raad de klacht gedeeltelijk gegrond verklaart, moet verweerster op grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klaagster betaalde griffierecht van € 50,- aan haar vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden. Klaagster geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing haar rekeningnummer schriftelijk aan verweerster door. 7.2    Nu de raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerster daarnaast op grond van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten: a) € 25,- reiskosten van klaagster, b) € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en c) € 500,- kosten van de Staat.  7.3    Verweerster moet het bedrag van € 25,- aan reiskosten binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, betalen aan klaagster. Klaagster geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing haar rekeningnummer schriftelijk aan verweerster door.  7.4    Verweerster moet het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.2 onder b en c genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline" en het zaaknummer.

BESLISSING De raad van discipline: -    verklaart klachtonderdeel 5 gegrond; -    verklaart de klacht voor het overige ongegrond; -    legt aan verweerster de maatregel van waarschuwing op; -    veroordeelt verweerster tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klaagster; -    veroordeelt verweerster tot betaling van de reiskosten van € 25,- aan klaagster, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.3;  -    veroordeelt verweerster tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.4.

Aldus beslist door mr. S. Wierink, voorzitter, mrs. D.G.M. van den Hoogen, D.M. de. Knijff, H. Warendorp Torringa en M.M. van Wijk, leden, bijgestaan door mr. C.M. van de Kamp als griffier en uitgesproken in het openbaar op 19 januari 2026.

Griffier    Voorzitter

Verzonden op: 19 januari 2026