Rechtspraak
Uitspraakdatum
23-01-2026
ECLI
ECLI:NL:TAHVD:2026:18
Zaaknummer
250100
Inhoudsindicatie
Klacht over de kwaliteit van dienstverlening van eigen advocaat is door de raad van discipline gedeeltelijk gegrond verklaard zonder oplegging van een maatregel. Klaagster verwijt verweerder in hoger beroep nog dat hij in de beroepsprocedure tegen de aan klaagster opgelegde zorgmachtiging heeft nagelaten te laten onderzoeken of het gedrag van klaagster als gevolg van haar psychische stoornis tot ernstig nadeel heeft geleid. Het Hof van Discipline is van oordeel dat het beroep geen doel treft.
Uitspraak
Beslissing van 23 januari 2026 in de zaak 250100
naar aanleiding van het hoger beroep van:
klaagster
tegen:
verweerder
1 INLEIDING
1.1 Klacht over de kwaliteit van dienstverlening van eigen advocaat is door de raad van discipline (hierna: de raad) gedeeltelijk gegrond verklaard zonder oplegging van een maatregel. Klaagster verwijt verweerder in hoger beroep nog dat hij in de beroepsprocedure tegen de aan klaagster opgelegde zorgmachtiging heeft nagelaten te laten onderzoeken of het gedrag van klaagster als gevolg van haar psychische stoornis tot ernstig nadeel heeft geleid. Het Hof van Discipline (hierna: het hof) is van oordeel dat het beroep geen doel treft.
1.2 Het hof zet eerst het verloop van de procedure bij de raad en het hof uiteen. Vervolgens zet het hof het volgende op een rij: de feiten, de klacht en de beoordeling van de raad. Daarna volgen de redenen waarom klaagster in beroep is gekomen en hoe het hof daarover oordeelt.
2 DE PROCEDURE
Bij de raad van discipline
2.1 De raad in het ressort Amsterdam (hierna: de raad) heeft in de zaak tussen klaagster en verweerder (zaaknummer: 24-741/A/A) een beslissing genomen op 24 februari 2025. In deze beslissing is de klacht van klaagster deels gegrond en deels ongegrond verklaard. Aan verweerder is geen maatregel opgelegd. Verder is verweerder veroordeeld tot betaling van het griffierecht.
2.2 Deze beslissing is onder ECLI:NL:TADRAMS:2025:38 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.
Bij het hof van discipline
2.3 Het beroepschrift van klaagster tegen de beslissing is op 20 maart 2025 ontvangen door de griffie van het hof.
2.4 Verder bevat het dossier van het hof: - de stukken van de raad; - twee nagekomen berichten van klaagster van 21 maart 2025; - twee e-mailberichten van klaagster van 9 juli 2025. 2.5 Het hof heeft de zaak mondeling behandeld tijdens de openbare zitting van 24 november 2025. Daar is namens verweerder een kantoorgenoot, mr. X, verschenen. Hij heeft het standpunt van verweerder toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen, die onderdeel uitmaken van het dossier van het hof. Klaagster is zonder voorafgaand bericht niet verschenen.
3 FEITEN
Het hof gaat uit van de feiten die door de raad zijn vastgesteld nu daartegen geen beroepsgrond is gericht. Het gaat om de volgende feiten.
3.1 Op 29 augustus 2022 heeft de officier van justitie bij de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) een verzoekschrift ingediend om voor klaagster een zorgmachtiging als bedoeld in artikel 6.4 van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) te verkrijgen. Verweerder heeft klaagster in deze procedure bijgestaan en namens haar verweer gevoerd.
3.2 Op de zitting van 20 september 2022 heeft een mondelinge behandeling van het verzoek plaatsgevonden. Klaagster was hierbij niet in persoon aanwezig. Er is een poging gedaan om klaagster telefonisch te horen, maar dat is niet gelukt. Verweerder heeft toen namens klaagster het woord gevoerd.
3.3 Bij beschikking van 20 september 2022 heeft de rechtbank ten aanzien van klaagster een zorgmachtiging verleend voor de duur van twaalf maanden. De zorgmachtiging vermeldt als vorm van verplichte zorg, voor zover relevant, het toedienen van medicatie. Tegen de beschikking stond het rechtsmiddel van cassatie open.
3.4 Op 10 februari 2023 heeft de zorgverantwoordelijke psychiater besloten om op basis van de verleende zorgmachtiging met onmiddellijke ingang verplichte zorg aan klaagster te verlenen, waaronder het toedienen van medicatie.
3.5 Op 15 februari 2023 heeft klaagster tegen deze beslissing een klacht ingediend bij de klachtencommissie GGZ Amsterdam en Omstreken (hierna: de klachtencommissie). Bij beslissing van 27 februari 2023 (verzonden op 6 maart 2023) heeft de klachtencommissie de klacht van klaagster ongegrond verklaard. Klaagster heeft verweerder verzocht tegen deze beslissing beroep in te stellen bij de rechtbank.
3.6 Op 14 april 2023 heeft verweerder namens klaagster bij de rechtbank een beroepschrift ingediend met het verzoek om de beslissing van 27 februari 2023 te vernietigen en een nieuwe beslissing te nemen. Bij aanvullend beroepschrift van 1 mei 2023 heeft verweerder de gronden aangevuld.
3.7 Op 25 mei 2023 heeft een zitting bij de rechtbank plaatsgevonden. Verweerder was hierbij aanwezig en heeft het beroep namens klaagster toegelicht. Klaagster was niet in persoon op de zitting aanwezig, maar is telefonisch gehoord.
3.8 Bij beschikking van 6 juni 2023 heeft de rechtbank de beslissing van de klachtencommissie bekrachtigd en de klacht van klaagster ongegrond verklaard. Ook tegen deze beslissing stond cassatie open.
3.9 Op 23 juni 2023 heeft klaagster bij de deken een klacht over verweerder ingediend. Gedurende het klachtonderzoek heeft de stafmedewerker van de deken meerdere malen telefonisch contact gehad met klaagster en verweerder. Voordat verweerder verweer had gevoerd, hebben partijen in onderling overleg besloten de rechtsbijstand te continueren. Klaagster heeft daarop op 26 juli 2023 haar klacht ingetrokken. Vervolgens heeft klaagster op 15 augustus 2023 aan de deken laten weten dat de klachtbehandeling hervat diende te worden, omdat klaagster de zaken waarop haar klacht betrekking had nog steeds niet had kunnen regelen met verweerder.
3.10 Op 27 september 2023 heeft verweerder een overnameverzoek van een andere advocaat (mr. De K) ontvangen. Op 28 september 2023 heeft verweerder die advocaat laten weten dat hij geen bezwaar had tegen de overname en dat mr. De K zich bij de rechtbank en de Raad voor Rechtsbijstand kon melden als de nieuwe stamadvocaat van klaagster. Mr. De K heeft de zaak uiteindelijk niet overgenomen en er is ook nog geen andere advocaat gevonden die klaagster wil bijstaan. Verweerder staat klaagster nog steeds bij.
4 KLACHT
De klacht houdt, zakelijk weergegeven en, voor zover nog van belang, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet doordat hij: (…) d) heeft nagelaten een verzoek bij de rechter in te dienen om de ernstige nadelen waarvan klaagster wordt beschuldigd op juistheid te laten onderzoeken.
5 BEOORDELING RAAD
De raad heeft de klachtonderdelen a), b) en c) gegrond verklaard. De klachtonderdelen a) en b) zagen op het ontbreken van een deugdelijke schriftelijke vastlegging van belangrijke afspraken en onderdeel c) zag op het nalaten klaagster te wijzen op het einde van de cassatietermijn. Klachtonderdeel d) is ongegrond verklaard. Volgens de raad stond het verweerder vrij geen gehoor te geven aan klaagsters verzoek om de rechter te vragen onderzoek in te stellen naar de juistheid van de ernstige nadelen. Verweerder is dominus litis, hetgeen inhoudt dat hij de vrijheid heeft een zaak te behandelen op een wijze die hem goeddunkt en dat hij niet verplicht is gevolg te geven aan verzoeken van zijn cliënt(e) die hij kansloos acht of waarvan hij meent dat deze de zaak niet ten goede komen. De raad heeft klachtonderdeel d) dan ook ongegrond verklaard.
6 BEROEPSGRONDEN EN VERWEER
Beroepsgronden klaagster
6.1 Klaagster verwijt verweerder dat hij heeft geweigerd gehoor te geven aan haar verzoek om aan de rechter voor te leggen onderzoek in te stellen of sprake was van ernstig nadeel zoals bedoeld in artikel 3:3 Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg. Hierdoor worden er nog steeds ten onrechte zorgmachtigingen aangevraagd en afgegeven en kreeg klaagster ten onrechte medicijnen toegediend. Verweerder heeft de zaak van klaagster niet goed in kaart gebracht. Als verweerder dat wel had gedaan, was de zorgmachtiging niet opgelegd en had klaagster geen dwangmedicatie toegediend gekregen. Uit de overgelegde second opinion blijkt dat klaagster geen psychische stoornis heeft. Volgens klaagster dient klachtonderdeel d) dan ook alsnog gegrond te worden verklaard.
Verweer verweerder
6.2 Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd in beroep. Waar dat relevant is, bespreekt het hof dit bij de beoordeling van het beroep.
7 BEOORDELING HOF
Maatstaf
7.1 Bij de beantwoording van de vraag of een advocaat zich betamelijk heeft gedragen als bedoeld in artikel 46 van de Advocatenwet hanteert het hof als uitgangspunt dat de tuchtrechter mede tot taak heeft de kwaliteit van de dienstverlening te beoordelen als daarover wordt geklaagd. Bij deze beoordeling geldt dat de tuchtrechter rekening houdt met de vrijheid die de advocaat heeft met betrekking tot de wijze waarop hij een zaak behandelt en met keuzes waar de advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door de eisen die aan de advocaat als opdrachtnemer in de uitvoering van die opdracht mogen worden gesteld en die met zich brengen dat zijn werk dient te voldoen aan datgene wat binnen de beroepsgroep als professionele standaard geldt. Het hof toetst of verweerder heeft gehandeld met de zorgvuldigheid die van een redelijke bekwame en redelijk handelende advocaat in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht. Deze toets geldt omdat er binnen de beroepsgroep wat betreft de vaktechnische kwaliteit geen sprake is van breed gedragen, schriftelijk vastgelegde professionele standaarden.
Overwegingen hof
7.2 Het hof ziet op basis van het onderzoek in hoger beroep geen aanleiding om tot een andere beoordeling van klachtonderdeel d) te komen dan die van de raad. Het hof sluit zich aan bij de beoordeling van de raad voor zover daarin de klacht ongegrond is verklaard en neemt die over. Hetgeen in hoger beroep (aanvullend) naar voren is gebracht, leidt niet tot een ander oordeel. Daarbij merkt het hof nog op dat de klacht feitelijke grondslag mist, omdat uit het verweerschrift van verweerder (bij de deken), het aanvullend beroepschrift en de beschikking van 6 juni 2023 blijkt dat verweerder wel degelijk het risico op ernstig nadeel (zoals bedoeld in artikel 6:4 jo 3:3 van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg) heeft weersproken en betwist. Voor zover klaagster in beroep aanvoert dat ten onrechte geen maatregel is opgelegd aan verweerder, merkt het hof op dat klaagster niet in beroep kan tegen de opgelegde maatregel of tegen het niet opleggen daarvan, omdat de wet die mogelijkheid uitsluit.
7.3 Het hof verwerpt dan ook de beroepsgronden van klaagster en zal de beoordeling van de raad voor wat betreft klachtonderdeel d) bekrachtigen.
8 BESLISSING
Het Hof van Discipline:
bekrachtigt de beslissing van 24 februari 2025 van de raad van discipline in het ressort Amsterdam, gewezen onder nummer 24-741/A/A, voor wat betreft klachtonderdeel d).
Deze beslissing is genomen door mr. J. Blokland, voorzitter, mrs. R. Verkijk en A. Groenewoud, leden, in tegenwoordigheid van mr. B.J.M. Vermulst, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 23 januari 2026.
griffier voorzitter
De beslissing is verzonden op 23 januari 2026.
