Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

19-01-2026

ECLI

ECLI:NL:TADRARL:2026:15

Zaaknummer

25-766/AL/MN

Inhoudsindicatie

Voorzittersbeslissing. Klacht over advocaat van de wederpartij is deels kennelijk niet-ontvankelijk en deels kennelijk ongegrond verklaard.

Uitspraak

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden van 19 januari 2026 in de zaak 25-766/AL/MN naar aanleiding van de klacht van:

klaagster 

over

verweerder

 

 

De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief met bijlagen volgens de inventarislijst van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Midden-Nederland (hierna: de deken) van 6 november 2025 met kenmerk Z2387599HH.

 

1    FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.

1.1    Klaagster is sinds 2006 raadslid van de gemeente N.

Vorige klacht over verweerder

1.2    Op 2 maart 2021 heeft klaagster eerder een klacht bij de deken ingediend over verweerder. Voor zover van belang hield die klacht in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld door: 

a) een declaratie gedateerd 14 april 2014 in de dienen bij de gemeente N., terwijl verweerder had moeten weten dat deze declaratie niet door de gemeente N. moest worden betaald omdat zijn werk in het private domein thuishoorde en niet met gemeenschapsgeld mocht worden betaald; 

b) het functioneren van klaagster als raadslid bij de gemeente N. onder de loep te nemen, terwijl dit - indien daar aanleiding toe zou zijn - aan de gemeenteraad is voorbehouden.

1.3    In een uitspraak van 15 augustus 2022 heeft de raad van discipline klachtonderdeel a) niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een eigen belang aan de zijde van klaagster. Klachtonderdeel b) is niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de klachttermijn. Klaagster is tegen deze beslissing in hoger beroep gegaan.

1.4    In een uitspraak van 28 augustus 2023 heeft het hof van discipline de beslissing van de raad van discipline ten aanzien van klachtonderdeel a) bekrachtigd. Het hof van discipline heeft klachtonderdeel b) ontvankelijk en vervolgens ongegrond verklaard.   

De onderhavige klacht

1.5    In 2015 is een (nieuwe, andere) kwestie ontstaan tussen klaagster (in haar hoedanigheid van gemeenteraadslid) en de griffier van de gemeente N. In maart 2015 heeft klaagster een interne klacht ingediend over de griffier van de gemeente. 

1.6    In april 2015 heeft verweerder een opdracht ontvangen en aanvaard van de werkgeverscommissie van de gemeente N inzake de kwestie met klaagster. 

1.7    Op 10 juni 2015 heeft verweerder aan de gemeente N gedeclareerd.

1.8    Begin november 2023 heeft klaagster aan de griffier van de gemeente N verzocht om inzage van stukken (verslagen werkgeverscommissie vanaf 2010). Op 21 november 2023 heeft klaagster een deel van de stukken op het gemeentehuis ingezien. (informatie en stukken). Op 11 of 21 juni 2024 heeft klaagster (alle) stukken, waaronder de verslagen werkgeverscommissie over het jaar 2015, ingezien op het gemeentehuis van N. 

1.9    Op 6 november 2024 heeft klaagster bij de deken een (tweede) klacht over verweerder ingediend. 

1.10    Per 31 december 2024 heeft verweerder zich van het tableau laten uitschrijven als advocaat.

 

2    KLACHT

2.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door:

a)    in 2015 van de commissie griffier (bestaande uit gemeenteraadsleden) een opdracht te verkrijgen en te aanvaarden om in het verlengde van zijn vorige onderzoek in 2014, opnieuw 'in het geniep' een onderzoek naar haar (in haar hoedanigheid van gemeenteraadslid) in te stellen; 

b)    zich in 2015 te laten betalen met gemeenschapsgeld. 

 

3    VERWEER

3.1    Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

 

4    BEOORDELING

Maatstaf

4.1    Een advocaat moet zich onthouden van handelingen waardoor het vertrouwen in de advocatuur als zodanig wordt geschaad, en zich te allen tijde dient te onthouden van een handelen of nalaten dat een behoorlijk advocaat niet betaamt. Dergelijk handelen is immers in strijd met de in artikel 46 van de Advocatenwet omschreven normen. Uitgangspunt is dat een advocaat moet handelen met de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend beroepsbeoefenaar mag worden verwacht. 

Klachtonderdeel a)

4.2    Klaagster verwijt verweerder - kort gezegd - dat hij in 2015 een opdracht heeft aanvaard om een onderzoek naar klaagster in te stellen. In de vorige klacht van klaagster (van 2 maart 2021) heeft klaagster een soortgelijke klacht over verweerder ingediend. Het gestelde handelen van verweerder in deze nieuwe klacht zou echter in een andere periode hebben plaatsgevonden. Daarom is er naar het oordeel van de voorzitter ten aanzien van dit klachtonderdeel geen sprake van schending van het ne bis in idem-beginsel. Ook is er geen sprake van de overschrijding van de klachttermijn omdat klaagster pas later kennis heeft gekregen van het handelen van verweerder. Klaagster is daarom ontvankelijk in dit klachtonderdeel. 

4.3    De voorzitter is echter van oordeel dat de (beperkte) inhoud van het klachtdossier geen aanknopingspunten geeft voor het oordeel dat verweerder in deze zaak de grenzen van de hem toekomende vrijheid heeft overschreden. De voorzitter is – overeenkomstig de beslissing van hof van discipline op de vorige (vergelijkbare) klacht van klaagster – van oordeel dat het verweerder vrij stond om de opdracht aan te nemen en uit te voeren in het belang van zijn cliënt, waarbij interne bevoegdheidsvraagstukken binnen zijn cliënt voor hem in beginsel niet ter zake doen. Van enig tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen is dan ook geen sprake. Dit klachtonderdeel wordt kennelijk ongegrond verklaard.

Klachtonderdeel b) 

4.4    Een klager dient een voldoende eigen en rechtstreeks belang bij de klacht te hebben. Uitgangspunt is dat het in de Advocatenwet voorziene recht om een klacht in te dienen tegen een advocaat niet aan eenieder toekomt, maar slechts aan degene die door het handelen of nalaten waarover wordt geklaagd rechtstreeks in zijn belang is of kan worden getroffen. Voor zover in het algemeen belang een tuchtrechtelijke procedure is vereist, wordt het klachtrecht uitgeoefend door de deken, die op grond van artikel 46f Advocatenwet de bevoegdheid heeft tegen een advocaat gerezen bezwaren ter kennis van de raad te brengen.

4.5    Klaagster verwijt verweerder dat hij zich in 2015 heeft laten betalen met gemeenschapsgeld. De voorzitter is - overeenkomstig de beslissingen van de raad van discipline en het hof van discipline op de vorige (vergelijkbare) klacht van klaagster - van oordeel dat klaagster niet-ontvankelijk is in dit klachtonderdeel wegens het ontbreken van een eigen belang daarbij. Voor zover al over dat handelen kan worden geklaagd, is dat voorbehouden aan de gemeenteraad. Dat klaagster bij diezelfde gemeente raadslid is, doet daar niet aan af. Aan een inhoudelijke beoordeling komt de voorzitter daarom niet meer toe. 

BESLISSING

De voorzitter verklaart: 

-    klachtonderdeel a), met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond;

-    klachtonderdeel b), met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk niet-ontvankelijk.

Aldus beslist door mr. S.C. Hagedoorn, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door  mr. W.B. Kok als griffier en uitgesproken in het openbaar op 19 januari 2026.

Griffier         Voorzitter

 

Verzonden op : 19 januari 2026