Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

19-01-2026

ECLI

ECLI:NL:TADRARL:2026:21

Zaaknummer

25-600/AL/MN

Inhoudsindicatie

Klager heeft een appartement gehuurd van een commanditaire vennootschap. Verweerder is (mede)bestuurder van de stichting die de CV bestuurt. De CV heeft een beheerder die namens de verhuurder optrad richting klager als huurder. De aan verweerder verweten gedragingen zien op op het optreden van verweerder in hoedanigheid van bestuurder als genoemd en zijn optreden namens de beheerder. vast staat dat de verhuurder vanaf het begin in het geschil met klager door verschillende advocaten is bijgestaan; niet door verweerder. Verweerder is als gemachtigde namens de verhuurder bij zittingen geweest of heeft namens de verhuurder/ beheerder met (de advocaat van) klager gecorrespondeerd. Deze handelingen van verweerder hebben plaatsgevonden in de privésfeer en tussen die handelingen en de praktijkuitoefening van verweerder bestaat naar het oordeel van de raad geen verband. De inhoud van een e-mail van verweerder die hij vanaf zijn privé e-mailadres rechtstreeks aan klager heeft gestuurd, is naar het oordeel van de raad onvoldoende om tot de conclusie te komen dat er voldoende verband bestaat tussen deze privé-gedraging en de praktijkvoering van verweerder. De raad toetst het handelen van verweerder aan de (beperkte) maatstaf of de gedraging van verweerder in het licht van zijn beroepsuitoefening absoluut ongeoorloofd moet worden geacht en of daarmee het vertrouwen in de advocatuur is geschaad. Daarvan is de raad niet gebleken. Tussen klager en de verhuurder is een geschil over de verrekening ontstaan na opzegging van de huurovereenkomst. Een vergelijk bleek niet mogelijk. De verhuurder heeft daarna een bedrag aan klager betaald. Het lag op de weg van klager om daarover zo nodig een gerechtelijk oordeel te vragen. Uit de stukken is bovendien niet gebleken dat verweerder niet integer heeft gehandeld door zelf gedane toezeggingen of gerechtelijke uitspraken namens de verhuurder niet na te komen. De raad stelt verder vast dat sprake is van tegengestelde standpunten tussen klager en de verhuurder over (de terugbetaling van) de borgsom. Daarover zal een civielrechtelijk oordeel moeten worden gegeven. Verweerder heeft daarbij niet absoluut ongeoorloofd gehandeld. Verweerder heeft 2 e-mails aan klager rechtstreeks gestuurd. Een e-mail was als gemachtigde van de beheerder en stond hem vrij. De andere e-mail mocht verweerder naar het oordeel van de raad als partij - als bestuurder van de CV - aan klager sturen. De vraag die vervolgens voorligt is of verweerder zich daarvan had moeten onthouden. Alhoewel de scherpe toonzetting in die e-mail van verweerder niet de schoonheidsprijs verdient, verweerder heeft dat tijdens de zitting van de raad ook ingezien, wordt de inhoud daarvan door de raad niet als absoluut ongeoorloofd gekwalificeerd. Klacht ongegrond.

Uitspraak

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem Leeuwarden van 19 januari 2026 in de zaak 25-600/AL/MN naar aanleiding van de klacht van:

klager

over

verweerder

 

 

1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE

1.1    Op 3 februari 2025 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Midden-Nederland (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.

1.2    Op 4 september 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 2452890 van de deken ontvangen. 

1.3    De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 3 november 2025. Daarbij was verweerder aanwezig. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.

1.4    De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier.

 

2    FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting door verweerder afgelegde verklaring uit van de volgende feiten.

2.1    Klager was huurder van een appartement van een commanditaire vennootschap (CV). Verweerder is (mede)bestuurder van de stichting die de CV bestuurt. De CV maakt gebruik van een beheerder die volgens de huurovereenkomst namens de verhuurder optrad richting klager als huurder. De echtgenote van verweerder is verbonden aan de beheerder. 

2.2    Klager heeft op 2 mei 2019 bij de Huurcommissie een verzoekschrift toetsing aanvangshuurprijs ingediend. Verweerder heeft namens de verhuurder en/of beheerder de Huurcommissie van nadere informatie voorzien.

2.3    In de uitspraak van 1 februari 2021 heeft de Huurcommissie geoordeeld dat het puntenaantal van het door klager gehuurde appartement 139 punten bedraagt, de aanvangshuurprijs van € 1.150,- niet redelijk is, en een huurprijs van € 693,14 met ingang van 6 maart 2019 redelijk is. 

2.4    De advocaat van de verhuurder heeft tegen deze uitspraak op 21 maart 2021 verzet ingesteld en op 19 mei 2021 de gronden aangevuld. Bij uitspraak van 17 juni 2021 heeft de Huurcommissie het verzet niet-ontvankelijk verklaard.

2.5    De advocaat van de verhuurder heeft op 25 november 2021 een procedure bij de kantonrechter gestart tot vernietiging van de uitspraken van de Huurcommissie.

2.6    De mondelinge behandeling bij de kantonrechter heeft op 12 september 2022 plaatsgevonden. Verweerder is daarbij namens de verhuurder aanwezig geweest. 

2.7    Bij vonnis van 26 oktober 2022 heeft de kantonrechter de vorderingen van de verhuurder afgewezen. De advocaat van de verhuurder heeft hiertegen hoger beroep ingesteld.

2.8    In een e-mail van 9 november 2022 heeft de advocaat van klager de advocaat van de verhuurder aangeschreven en de verhuurder gesommeerd over te gaan tot terugbetaling van de door klager onverschuldigd betaalde huur. De advocaat van de verhuurder heeft hierop op 24 november 2022 gereageerd en in die e-mail hoger beroep aangekondigd.

2.9    Tussen de advocaten van klager en de verhuurder is daarna gecorrespondeerd en gepoogd om tot een vergelijk te komen. Op 7 april 2023 heeft de advocaat van klager via e-mail een laatste voorstel gedaan waarop de advocaat van de verhuurder op 8 april 2023 een tegenvoorstel heeft gedaan. De advocaat van klager heeft daarop laten weten zijn eerdere voorstel te handhaven.

2.10    Klager is op 10 april 2023 door verweerder namens de beheerder aangeschreven over de huurachterstand. Ook zijn een huurverhoging en boetes aan klager aangezegd. 

2.11    Klager heeft op 31 mei 2023 bij de Huurcommissie een verzoek ingediend ten aanzien van de servicekosten over 2020 en 2021. 

2.12    Op 20 juni 2023 heeft de opvolgend advocaat van de verhuurder de memorie van grieven bij het gerechtshof ingediend. Op 29 augustus 2023 heeft de advocaat van klager de memorie van antwoord ingediend. 

2.13    Klager heeft de huur opgezegd per 1 september 2023. Naar aanleiding daarvan heeft verweerder namens de beheerder klager op 24 september 2023 aangeschreven over het verrekenen van nog door klager verschuldigde huur, kosten voor geconstateerde herstelwerkzaamheden aan het gehuurde en kosten van servicekosten met de borg en is klager gesommeerd (bij) te betalen. 

2.14    Op 14 november 2023 heeft de advocaat van klager de beheerder aangeschreven over betaalde contractkosten, waarna door de beheerder op 7 december 2023 een akte van cessie is toegezonden met betrekking tot de verrekening van de waarborgsom. Eveneens op 7 december 2023 is klager door de beheerder aangeschreven en gesommeerd tot betaling van de verschuldigde kosten wegens herstelwerkzaamheden.

2.15    Op 7 december 2023 heeft de Huurcommissie de servicekosten voor 2020 en 2021 vastgesteld. De verhuurder is niet in verzet gegaan. 

2.16    Op 13 februari 2024 heeft de mondelinge behandeling bij het gerechtshof plaatsgevonden. Verweerder is daarbij namens de verhuurder aanwezig geweest. Partijen hebben een termijn gekregen om mogelijkheden voor een schikking te onderzoeken.

2.17    Op 21 februari 2024 heeft de advocaat van de verhuurder een voorstel aan de advocaat van klager gestuurd. De advocaat van klager heeft dezelfde dag bericht dat dat voorstel niet akkoord is. Nadat de advocaat van de verhuurder vervolgens heeft gevraagd om een tegenvoorstel te doen, heeft de advocaat van klager in zijn e-mail van 22 februari 2024 aan de advocaat van de verhuurder bericht dat klager geen vertrouwen heeft dat partijen tot een vergelijk kunnen komen. 

2.18    Op 23 februari 2024 heeft verweerder rechtstreeks aan klager onder meer geschreven:

Met verbazing ontvang ik de reactie van jullie advocaat inzake de afwikkeling van het openstaande geschil.   

Ik ben namens [de CV] bij de zitting geweest. ter zitting heeft [klager] aangegeven dat hij het allemaal vervelend vindt, lag duurt en veel kosten etc.   

de rechters hebben ons beiden gevraagd of een minnelijke oplossing mogelijk is en daarop heb ik aangegeven dit altijd te willen en dat dit ook eerder is getracht. jij, [klager] hebt daarop aangegeven ook liever minnelij te willen oplossen. Om die reden zijn wij naar de gang gestuurd en is werd on de tijd gegeven in gesprek en onderhandeling te gaan. ik heb aangegeven het die middag te willen afwikkelen namens [de CV] en wilde een voorstel doen. Jij [klager], wilde het zorgvuldig berekenen en zou erop terugkomen en jij wilde het niet die middag doen. De advocaat die [de CV] was in afwachting van het voorstel van jullie zijde. Omdat de advocaat een week afwezig is vanaf volgende week is door hem aan [de CV] gevraagd met een berekening te komen waar we vorige keer in april 2022 mee zijn geëindigd en dan de laatste wijzigingen zodat we de feiten hebben.  

Dit is gestuurd en vervolgens wordt een reactie gegeven dat het te ver uit elkaar ligt en dus dat jullie geen inhoudelijke reactie willen geven. Ik ben - omdat ik ter zitting was en duidelijk die afspraak is gemaakt in bijzijn van de rechters - erg verontwaardigd over deze houding en reactie! Het is in lijn met wat julie steeds aan houding laten zien: terugtrekkende bewegingen en niet tot een afwikkeling willen komen. Jij [klager] hebt de rechters misleid door een houding aan te nemen dat je het allemaal zo vervelend vindt en je het graag wilt afwikkelen etc etc. dit terwijl je NIET reageert op de afrekeningen zoals verstuurd over notabene je eigen verbruik van gas en elektra! die wil je dus op kosten van [de CV] laten komen?  

Wat denk je - als je deze houden blijft aanhouden en niet in gesprek gaat - wat er gaat gebeuren? dat het stopt? dat je wint? dat de kosten voor een advocaat stoppen? Je zal links of rechtsom voor die kosten gas water en elektra moeten betalen. Jij hebt een deel tegoed aan teveel betaalde huur als de lijn wordt gevolgd dat er sprake is van sociale huur (en daar gaan we nu maar van iut om de discussie af te wikkelen) en dus dat zal verrekend moeten worden.   

als het Hof straks beslist dat [de CV] niet ontvankelijk is dan veranderd dat helemaal niets aan de afrekening. Zij gaan daar niet over want die vraag ligt niet voor en dus zal er opnieuw een rechtszaak komen al dan niet in hoger beroep en ben je 2 jaar minstens verder! het is jullie keuze de strijd aan te houden en dus gaat het blijkbaar helemaal niet om geld en er vanaf willen zijn zoals jij [klager] bij de rechters aangaf…  

ik snap dit werkelijk niet!   

ik geef je echt ter overweging mee toch je houding aan te passen en daadwerkelijk te laten zien dat je wilt afwikkelen en dat is in ieders belang. het verschuilen achter een advocaat - die vervolgens ook niet reageert op een afrekening zoals die ik gestuurd aan jullie en aan jullie blijft declareren is een keuze van jullie!   

Ik hoop - namens [de CV] dat deze discussie die al 4 jaar loopt kan worden gesloten. jullie weten diep in jullie hart ook wel dat deze hele discussie nergens over gaat en dat jullie een appartement gehuurd hebben die wel degelijk een isolatiewaarde heeft (volgens jullie energielabel C en volgens de eigenaren energielabel A). de hele discussie met de HC over het wel of niet stukken te hebben gestuurd en waar we nu al 2 keer voor bij de rechtbank zitten of het nu wel of niet tijdig is ontvangen staat daar geheel los van en is enkel een spel van jullie advocaat!   

nogmaals: als je daadwerkelijk wilt afwikkelen zoals je bij 3 rechters aangaf dan is dat nu de kans

2.19    Bij arrest van 19 maart 2024 heeft het gerechtshof het hoger beroep van de verhuurder verworpen.

2.20    De advocaat van klager heeft de advocaat van de verhuurder in zijn e-mail van 31 mei 2024 verzocht om tot betaling over te gaan van de aan klager verschuldigde proceskostenveroordeling in eerste aanleg, de door klager onverschuldigd betaalde kale huur, de servicekostenafrekening en de waarborgsom.

2.21    Op 13 januari 2025 heeft de advocaat van klager in zijn e-mail aan de advocaat van de verhuurder de verhuurder nogmaals gesommeerd over te gaan tot betaling van de proceskostenveroordeling. Daarop heeft verweerder in zijn e-mail van 22 januari 2025 laten weten dat de verhuurder de proceskostenveroordeling zal betalen maar dat er nog bedragen verrekend moeten worden.  

2.22    De advocaat van klager heeft hierop op 22 januari 2025 naar verweerder gereageerd en aangekondigd rechtsmaatregelen te zullen nemen indien de verhuurder niet bereid is de vordering van klager te voldoen. 

2.23    Daarop heeft verweerder op 28 januari 2025 onder meer als volgt gereageerd:

U schrijf mij persoonlijk aan over en kwestie van een cv.  

Zoals aangegeven is de advocaat die die procedure degene die u de berichten heeft gestuurd die ik niet ken. Ik zal mij tot hem verstaan om te begrijpen wat er gaande is.  (…)  

De cv heeft niet aangegeven zich niet te willen conformeren aan een nieuwe uitspraak maar dient wel te begrijpen wat de vorderingen over en weer zijn. Dat u aangeeft vorderingen die de cv heeft op uw cliënten kan zo zijn maar maakt het niet anders voor de cv dat zij helderheid hierover zal moeten krijgen. Daarvoor was de advocaat degene die deze zaak heeft behartigd namens de cv. Dat ben ik niet geweest voor de volledigheid.   

Zodra er duidelijkheid van de advocaat van de cv er is, zal u daarover bericht ontvangen dan wel via de advocaat of de (vertegenwoordiger van) de cv.   

Dat u in de tussentijd meent te willen gaan procederen is uw keuze en voor eigen rekening en risico. Blijkbaar heeft u en hebben uw cliënten niet de haast anders meldt u zich niet pas maanden later…

2.24    Op 31 januari 2025 heeft de advocaat van de verhuurder onder meer aan de advocaat van klager geschreven:

Op een of andere manier heb ik uw bericht van 31 mei 2024 destijds niet ontvangen en daardoor niet aan mijn cliënt doorgestuurd (waardoor cliënt niet eerder heeft kunnen kennisnemen van dat bericht dan 14 januari 2025).   

Gelet op het bovenstaande, en het feit dat cliënt zich tot een andere advocaat zal moeten wenden (nu ik per heden niet meer voor hem als advocaat zal optreden in deze zaak), verzoek ik u om nog geen verdere stappen te nemen jegens cliënt in afwachting van een nieuwe advocaat.

 

3    KLACHT

De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door:

a)    te weigeren over te gaan tot volledige betaling van hetgeen verweerder volgens de uitspraak van de kantonrechter en het gerechtshof aan klager moet betalen waardoor klager onnodig op kosten wordt gejaagd.  

Toelichting: Verweerder is de verhuurder van klager en tevens advocaat gespecialiseerd in huurrecht. Desondanks houdt hij zich niet aan de wet. De uitspraken van de Huurcommissie zijn bindend evenals de daaropvolgende rechterlijke uitspraken. De door klager teveel betaalde huur en teveel betaalde servicekosten moet de verhuurder aldus terugbetalen. Op 9 november 2022 en op 31 mei 2024 is de advocaat van de verhuurder daarover uitvoerig aangeschreven. De verhuurder heeft van de totale vordering van ruim € 24.000,- nog maar € 9.000,- betaald zonder daarvoor een logische uitleg te geven. Verweerder blijft zich daarnaast beroepen op onredelijke bedingen, waarop de advocaat van klager hem heeft gewezen. Daarnaast heeft verweerder klager verplicht om in strijd met de wet bemiddelingskosten aan de beheerder te betalen, nota bene aan het bedrijf van de vrouw van verweerder;

b)    de afspraak over terugbetaling van de borg niet na te komen.

Toelichting: Verweerder was ook bij de formele oplevering van het gehuurde appartement aanwezig en heeft volgens klager toen aangegeven dat alles in orde was en de borg binnen twee weken aan klager zou worden overgemaakt. Weken later kreeg klager te horen dat sprake was van aanzienlijke schade aan het gehuurde, wat niet alleen onjuist en volstrekt ongeloofwaardig was maar ook in strijd met de opleveringsafspraken zoals die zijn opgenomen in de algemene voorwaarden van de verhuurder;

c)    rechtstreeks contact met klager op te nemen terwijl klager een advocaat heeft waarmee hij klager extra onder druk heeft gezet.   

Toelichting: Nadat de verhuurder hoger beroep heeft ingesteld, heeft klager nog een ruimhartig voorstel gedaan, maar de verhuurder ging daar niet mee akkoord. Tijdens deze onderhandelingen benaderde verweerder klager namens de beheerder met zijn e-mail van 10 april 2023. Daarin werd door verweerder aangegeven dat de huur met terugwerkende kracht zou worden verhoogd en dat als klager daarmee niet snel akkoord ging er boetes op hem verhaald zouden worden en het hoger beroep zou worden doorgezet. Hiermee heeft verweerder klager extra onder druk willen zetten. Kort na de zitting bij het gerechtshof heeft verweerder klager ook rechtstreeks benaderd met zijn e-mail van 23 februari 2024. Klager werd daarin beschuldigd van het misleiden van de rechter en van het inschakelen van een advocaat, wat niet alleen onjuist maar ook niet integer was. Door klager rechtstreeks te benaderen heeft verweerder geprobeerd om klager te bewegen om tegen het advies van zijn advocaat in met het voorstel van verweerder akkoord te gaan terwijl verweerder daarin ook nog benadrukte dat de verhuurder niets ging betalen. 

 

4    VERWEER 

4.1    Verweerder heeft in zijn verweer tegen de klacht onder meer aangevoerd dat hij geen relatie met klager heeft gehad als advocaat of als de verhuurder. Hij heeft namens de verhuurder geprobeerd om het met de huurder - klager - ontstane geschil op te lossen maar is daarbij uitdrukkelijk niet als advocaat van de verhuurder opgetreden. De verhuurder heeft in de procedures advocaten ingeschakeld. Verweerder is als gemachtigde van de verhuurder bij zittingen aanwezig geweest, niet in de rol van advocaat. Volgens verweerder is het advocatentuchtrecht niet op hem van toepassing en dient klager niet-ontvankelijk te worden verklaard.

4.2    Voor zover klager wel in zijn klacht wordt ontvangen, heeft verweerder het volgende inhoudelijke verweer gevoerd.

Klachtonderdeel a)

4.3    Volgens verweerder weigert de verhuurder niet om het aan klager verschuldigde bedrag te betalen maar heeft de verhuurder ook een tegenvordering op klager wat verrekend kan worden. Na de uitspraak van de kantonrechter is klager, zonder toestemming van de verhuurder/ beheerder, geen huur meer gaan betalen maar heeft hij alleen nog het voorschot op de servicekosten betaald. Na opzegging van de huur door klager per 1 september 2023 heeft de beheerder een eindafrekening aan hem gestuurd. Na verrekening met de borg was klager volgens de verhuurder nog een bedrag van € 1.400,- schuldig. De verhuurder was pas op 14 januari 2025 bekend met de uitspraak van 7 december 2023 van de Huurcommissie over de vastgestelde servicekosten over de jaren 2020 en 2021, zoals volgt uit de e-mail van 31 januari 2025 van de advocaat van de verhuurder aan de advocaat van klager. De verhuurder mocht duidelijkheid verlangen over de te verrekenen bedragen en heeft via zijn advocaat getracht om met de advocaat van klager tot een afwikkeling te komen. Volgens verweerder heeft de verhuurder bijna alle betalingen gedaan maar is er alleen nog een geschil over de wettelijke rente en incassokosten. Of dat een juist standpunt van de verhuurder is, is ter beoordeling aan de civiele rechter. 

Klachtonderdeel b)

4.4    Klager is geld aan de verhuurder verschuldigd inzake de afwikkeling van de borg. Het voorstel is dan ook geweest om tot verrekening over te gaan tussen klager en de verhuurder. Daartoe heeft verweerder namens de verhuurder aan de advocaat van klager een verzoek gestuurd.  Klachtonderdeel c)

4.5    Op 10 april 2023 heeft verweerder namens de beheerder klager bericht over de financiële afwikkeling na de huuropzegging door klager. Dat stond hem vrij. 

4.6    Bij de zitting van het gerechtshof was verweerder als gemachtigde van de verhuurder aanwezig. Voor de gang van zaken tijdens die zitting en de opstelling daarbij van klager verwijst verweerder naar de inhoud van zijn e-mail van 23 februari 2024, zoals opgenomen onder de feiten hiervoor. Omdat klager zijn toezegging om na die zitting met een voorstel te komen weer niet nakwam en de advocaat van de verhuurder afwezig was door vakantie heeft verweerder klager toen zelf rechtstreeks benaderd. Hij was na alle jaren zonder regeling met klager gefrustreerd en verbolgen over de gang van zaken, wat zijn toonzetting in zijn e-mail verklaart. 

 

5    BEOORDELING

5.1    Het tuchtrecht is bedoeld om te waarborgen dat advocaten hun beroep behoorlijk uitoefenen. Ook wanneer een advocaat optreedt in een andere hoedanigheid, bijvoorbeeld in privé, kan het advocatentuchtrecht voor hem blijven gelden. Als hij zich in die andere hoedanigheid gedraagt op een wijze waardoor het vertrouwen in de advocatuur wordt geschaad, zal in het algemeen sprake zijn van handelen of nalaten in strijd met hetgeen een behoorlijk advocaat betaamt als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. De advocaat zal in dat geval een tuchtrechtelijk verwijt gemaakt kunnen worden. Privégedragingen van een advocaat kunnen alleen dan tuchtrechtelijk van belang zijn, indien er voldoende verband bestaat met de praktijkuitoefening, of als de gedraging voor een advocaat in het licht van zijn beroepsuitoefening absoluut ongeoorloofd moet worden geacht en het vertrouwen in de advocatuur ondermijnt.

5.2    De aan verweerder verweten gedragingen zien op het optreden van verweerder in zijn hoedanigheid van (mede)bestuurder van de stichting die de CV bestuurde en waarvan klager een appartement huurde. Ook ziet het op het optreden van verweerder namens de beheerder van het aan klager verhuurde appartement. Vaststaat dat de verhuurder vanaf het begin van het geschil met klager door verschillende advocaten is bijgestaan. Verder staat vast dat verweerder als gemachtigde namens de verhuurder bij een aantal zittingen aanwezig is geweest en een aantal keer namens de verhuurder/beheerder heeft gecorrespondeerd met (de advocaat van) klager. Deze handelingen van verweerder hebben plaatsgevonden in de privésfeer en tussen die handelingen en de praktijkuitoefening van verweerder bestaat naar het oordeel van de raad geen verband. Datzelfde geldt voor de e-mail van verweerder van 23 februari 2024 die verweerder vanaf zijn privé e-mailadres rechtstreeks aan klager heeft gestuurd. De inhoud daarvan is naar het oordeel van de raad onvoldoende om tot de conclusie te komen dat er voldoende verband bestaat tussen deze privé-gedraging en de praktijkvoering van verweerder. 

5.3    Nu er aldus naar het oordeel van de raad onvoldoende aanknopingspunten zijn tussen de privé-gedragingen van verweerder met zijn praktijkuitoefening geldt de beperkte maatstaf of de gedraging van verweerder in het licht van zijn beroepsuitoefening absoluut ongeoorloofd moet worden geacht en of daarmee het vertrouwen in de advocatuur is geschaad. De raad overweegt daarover als volgt. 

Klachtonderdeel a)

5.4    Verweerder heeft betwist dat hij (gerechtelijke) uitspraken niet is nagekomen en zich ten onrechte op verrekening heeft beroepen en dat klager daardoor onnodig op kosten zou zijn gejaagd. Verweerder heeft in dit kader tijdens de zitting van de raad verklaard dat klager 1,5 jaar geen huur en te weinig servicekosten heeft betaald en na zijn huuropzegging niet meewerkte aan een financiële afwikkeling met de advocaat van de verhuurder. Ondanks verschillende pogingen van de advocaat van de verhuurder is het niet gelukt om daarover met (de advocaat van) klager afspraken te maken. De advocaat van de verhuurder heeft daarop berekend dat de verhuurder, na verrekening van verschuldigde bedragen over en weer, nog een bedrag van € 9.000,- aan klager verschuldigd was. Op basis van dit juridische advies heeft verweerder namens de verhuurder genoemd bedrag aan klager betaald. Voor zover klager het daarmee niet eens was, lag het volgens verweerder op de weg van klager om een procedure tegen de verhuurder te starten en een executoriale titel te verkrijgen. Volgens verweerder lopen er geen procedures tussen klager en de verhuurder en probeert klager via deze oneigenlijke weg alsnog zijn gelijk te behalen. 

5.5    Naar het oordeel van de raad is dit handelen van verweerder als verhuurder in het licht van zijn beroepsuitoefening niet te kwalificeren als absoluut ongeoorloofd handelen. Tussen klager en de verhuurder is een geschil over de verrekening ontstaan. Omdat partijen daarover gedurende een langere periode niet tot een vergelijk konden komen, heeft de verhuurder het juridisch advies van de eigen advocaat opgevolgd en een bedrag van € 9.000,- aan klager betaald. Als klager zich daarin niet kon vinden, dan had het op zijn weg gelegen om tegen de verhuurder een procedure te beginnen voor een gerechtelijk oordeel. Uit de stukken is de raad bovendien niet gebleken dat verweerder niet integer heeft gehandeld door zélf gedane toezeggingen of gerechtelijke uitspraken namens de verhuurder niet na te komen. 

5.6    Nu verweerder zich als verhuurder niet zodanig heeft gedragen dat het vertrouwen in de advocatuur is geschaad, kan verweerder tuchtrechtelijk geen verwijt worden gemaakt. De raad zal klachtonderdeel a) dan ook ongegrond verklaren. 

Klachtonderdeel b)

5.7    De raad stelt vast dat sprake is van tegengestelde standpunten tussen klager en de verhuurder  over de (terugbetaling van de) borgsom. Uit de stukken is de raad niet gebleken dat hierover al tussen partijen een onherroepelijke uitspraak is gedaan. Evenmin is uit de stukken gebleken dat verweerder over de borgsom enige afspraak met (de advocaat van) klager heeft gemaakt die hij vervolgens niet is nagekomen. Dit is een civielrechtelijk geschil. Het behoort niet tot de taak van de tuchtrechter om in een civielrechtelijk geschil een oordeel te geven, dat is voorbehouden aan de civiele rechter. Dit zou anders zijn indien verweerder in zijn hoedanigheid van de verhuurder in het licht van zijn beroepsuitoefening daarbij absoluut ongeoorloofd heeft gehandeld. Daarvan is de raad op grond van het dossier echter niets gebleken. Feiten die dat onderbouwen, ontbreken. 

5.8    Op grond van het vorenstaande kan verweerder tuchtrechtelijk geen verwijt worden gemaakt. De raad zal klachtonderdeel b) eveneens ongegrond verklaren.   Klachtonderdeel c)

5.9    Naar het oordeel van de raad valt niet in te zien waarom verweerder de e-mail van 10 april 2023 niet aan klager mocht sturen. Verweerder trad in die e-mail op als gemachtigde van de beheerder van het door klager gehuurde en tegen 1 september 2023 opgezegde appartement. Dat de echtgenote van verweerder de beheerder was, is voor het handelen van verweerder tuchtrechtelijk bezien niet relevant. 

5.10    Vast staat dat verweerder op 23 februari 2024 namens de verhuurder een e-mail aan klager heeft gestuurd. Tijdens de zitting van de raad heeft verweerder toegelicht dat klager zijn toezegging tijdens de zitting bij het gerechtshof op 13 februari 2024 om kort daarna met een schikkingsvoorstel te komen, niet nakwam. Omdat dat voorstel uitbleef, heeft de advocaat van de verhuurder op 21 februari 2024 een voorstel aan de advocaat van klager gedaan, die meteen is afgewezen. Op de vraag van de advocaat van de verhuurder om een tegenvoorstel te doen, is inhoudelijk niet eens meer gereageerd. Deze gang van zaken heeft bij verweerder tot zo’n frustratie geleid dat hij klager rechtstreeks heeft aangeschreven tijdens de vakantie van de advocaat van de verhuurder met de bedoeling om alsnog tot een regeling te komen. 

5.11    Naar het oordeel van de raad mocht verweerder als partij - als bestuurder van de CV - de andere partij - klager - zelf aanschrijven. De vraag die vervolgens voorligt is of verweerder zich daarvan had moeten onthouden. Uit de stukken volgt dat de advocaat van de verhuurder de advocaat van klager op 21 en 22 februari 2024 over hetzelfde heeft aangeschreven zonder resultaat en daarna op vakantie was. Alhoewel de scherpe toonzetting in de e-mail van verweerder van 23 februari 2024 niet de schoonheidsprijs verdient, verweerder heeft dat tijdens de zitting van de raad ook ingezien, wordt de inhoud daarvan door de raad niet als absoluut ongeoorloofd gekwalificeerd. 

5.12    Dat klager zich door de rechtstreeks van verweerder ontvangen twee e-mails extra onder druk gezet heeft gevoeld, kan zo zijn, maar dat alleen is onvoldoende om verweerder daarvan tuchtrechtelijk een verwijt te maken. 

5.13    Op grond van het voorgaande is de raad van oordeel dat verweerder tuchtrechtelijk geen verwijt treft. Ook klachtonderdeel c) zal de raad ongegrond verklaren. 

BESLISSING

De raad van discipline:

-    verklaart de klacht in alle onderdelen ongegrond. Aldus beslist door mr. F.M.C. Boesberg, voorzitter, mrs. M.M. Kuyp, A.E. Mulder, S.H.G. Swennen, S.J. de Vries, leden, bijgestaan door mr. M.M. Goldhoorn als griffier en uitgesproken in het openbaar op 19 januari 2026.

Griffier    Voorzitter  

Verzonden op : 19 januari 2026