Rechtspraak
Uitspraakdatum
20-01-2026
ECLI
ECLI:NL:TADRSHE:2026:9
Zaaknummer
25-841/DB/OB
Inhoudsindicatie
Voorzittersbeslissing. Klacht over de advocaat van de wederpartij in beide onderdelen kennelijk ongegrond. Niet gebleken dat verweerder klagers valselijk heeft beschuldigd van bedreiging en zich denigrerend jegens klagers heeft uitgelaten, noch dat hij in strijd heeft gehandeld met gedragsregel 5.
Uitspraak
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort ’s-Hertogenbosch van 20 januari 2026
in de zaak 25-841/DB/OB
naar aanleiding van de klacht van:
klagers
over:
verweerder
De voorzitter van de raad van discipline heeft kennisgenomen van het e-mailbericht van 4 december 2025 van de (voormalig) deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Oost-Brabant (hierna: de deken) en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 8.
1 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.
1.1 Tussen de aan klager sub 1 gelieerde vennootschap klaagster sub 2 enerzijds en D anderzijds is sprake (geweest) van een geschil over de levering van een printer.
1.2 In de met dit geschil samenhangende gerechtelijke procedure is klaagster sub 2 bijgestaan door mr. S, advocaat, terwijl D is bijgestaan door verweerder. De rechtbank Oost-Brabant heeft bij vonnis van 21 november 2024 de overeenkomst ontbonden en klaagster sub 2 veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding en in de proceskosten. Klaagster sub 2 heeft hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis.
1.3 In de appelprocedure heeft op 4 juni 2025 een comparitie na aanbrengen plaatsgevonden. Bij deze comparitie zijn D, bijgestaan door verweerder, en klaagster sub 2, vertegenwoordigd door klager sub 1 en bijgestaan door mr. S, verschenen. Deze comparitie is geschorst teneinde partijen in de gelegenheid te stellen om op de gang van het gerechtsgebouw te bezien of een minnelijke regeling tot stand kon worden gebracht. Op de gang van het gerechtsgebouw heeft tussen klager sub 1 en verweerder een woordenwisseling plaatsgevonden. Een minnelijke regeling is niet tot stand gekomen.
1.4 Bij e-mail van 5 juni 2025 heeft klager sub 1 verweerder als volgt bericht:
“(…) Toen ik gisterenochtend na een schorsing de deur van de zaal aanvankelijk middels gebruikmaking van de klink wenste te openen i.p.v. te kloppen zoals was verzocht was dat voor u wederom aanleiding om een opmerking in mijn richting te maken. Was dat een normale reactie in een normale toon geweest dan zou ik daar geen probleem van gemaakt hebben, de toon van uw opmerking was echter wederom uiterst denigrerend. Ik heb u daar direct op aangesproken en u verzocht dat soort “smart-ass-opmerkingen” achterwege te laten en aangegeven dat ik van de toon van uw opmerking niet gediend was. Mijn opmerking was niet meer dan dat: een opmerking (zij het met een toon waaruit ondubbelzinnig kon worden opgemaakt dat ik niet gediend ben van uw uitlatingen). Deze “opmerking” gedaan in de aanwezigheid van mijn advocaat en uw cliënt was voor u vervolgens aanleiding mij er (nota bene in een paleis van justitie) van te beschuldigen u te hebben bedreigd. Ik heb u inderdaad in niet mis te verstane bewoordingen aangesproken op uw gedrag, ik heb u echter op geen enkele wijze bedreigd; niet met woorden, niet met de toonzetting en niet met mijn gedrag. De door u geuite beschuldiging ontbeert elke grondslag, was ongepast en is voor mij volstrekt onaanvaardbaar. Excuses uwerzijds zijn hier alleszins op zijn plaats.
Ik heb al aangegeven te overwegen een klacht in te dienen over uw handelwijze. Een eventueel in te dienen klacht zal in eerste aanleg zien op schending van regels 1 en 7 van de gedragsregels advocatuur. Daarnaast lijkt uw handelwijze in dit dossier naar mijn oordeel mogelijk ook in te gaan tegen regel 5 en artikel 46 van de Advocatenwet (onbetamelijk gedrag).
Alvorens een definitief besluit te nemen over het al dan niet indienen van een klacht richt ik mij middels deze email rechtstreeks tot u teneinde u in de gelegenheid te stellen te reageren. Het zal van uw reactie (of het uitblijven daarvan) afhangen of ik mijn klacht ga doorzetten of niet.”
1.5 Op 10 juni 2025 heeft verweerder een e-mail gestuurd aan klagers advocaat met de volgende tekst:
"Onderstaande e-mail ontving ik van [klager sub 1].
Het is naar mijn visie niet klachtwaardig om iemand erop te attenderen dat de rechter heeft aangegeven dat als men naar binnen wil er op de deur moet worden geklopt. De reactie van [klager sub 1] daarop – stemverheffend, vingerwijzend, houding en boze blik – is jammer en ervaarde ik op dat moment als driegend en dat heb ik ook direct aangegeven. Ik laat dat verder voor wat het is, omdat ik het graag zakelijk wil houden. Voor wat betreft de overige klachten van [klager sub 1]; mijn mails zijn zakelijk en gepast. Dat meneer dat anders ervaart, betreur ik. Hoe dan ook, ook hiervan ben ik van mening dat dit niet klachtwaardig is.
Laten we ons concentreren op de inhoud en de procedure.
Mocht [klager sub 1] alsnog een klacht willen indienen, dan zou dat jammer zijn – van zijn tijd, en mijn tijd -, maar dat staat hem dan uiteraard vrij.”
1.6 Bij e-mail van 11 juni 2025 heeft klagers advocaat verweerder als volgt bericht:
“Ik heb uw onderstaande e-mail doorgestuurd aan [de heer S] en besproken met [de heer S]. [De heer S] heeft kennis genomen van uw e-mail en of hij wel of geen klacht indient daar sta ik verder buiten.”
1.7 Op 28 juni 2025 heeft klager sub 1, mede namens klaagsters sub 2, tegen verweerder een klacht ingediend bij de deken.
2 KLACHT
2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klagers verwijten verweerder het volgende:
1. Verweerder heeft klagers valselijk beschuldigd van bedreiging en zich denigrerend jegens klagers uitgelaten (gedragsregels 1 en 7);
2. Verweerder heeft in strijd gehandeld met gedragsregel 5.
3 VERWEER
3.1 Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
4 BEOORDELING
4.1 Toetsingskader
Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is. Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie te controleren. Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij aan de wederpartij toebrengen.
4.2 Klachtonderdeel 1 – onbetamelijk gedrag of onnodig grievende uitlatingen?
Klagers verwijten verweerder dat hij klagers valselijk heeft beschuldigd van bedreiging en zich denigrerend jegens klagers heeft uitgelaten (gedragsregels 1 en 7). Verweerder heeft dit klachtonderdeel weersproken. Verweerder heeft betwist dat hij klagers heeft beschuldigd van bedreiging en dat hij zich denigrerend jegens klagers heeft uitgelaten. In dergelijke gevallen, waarin de lezingen van partijen omtrent de inhoud van de klacht uiteen lopen en niet goed kan worden vastgesteld welke van beide lezingen het meest aannemelijk is, kan die klacht c.q. dat klachtonderdeel in beginsel niet gegrond worden verklaard. Dit berust niet hierop dat het woord van klagers minder geloof verdient dan het woord van verweerder maar op de omstandigheid dat voor het oordeel dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld eerst voldoende aannemelijk moet zijn dat het verweten handelen feitelijk heeft plaatsgevonden. Dat nu is in deze zaak niet het geval. Vast staat dat er op de gang van het gerechtsgebouw een woordenwisseling heeft plaatsgevonden, maar wat er precies door wie is gezegd kan de voorzitter op grond van de overgelegde stukken niet vaststellen. Verweerder heeft naar eigen zeggen op de gang van het gerechtsgebouw gezegd dat hij het optreden van klager sub 1 als “dreigend” heeft ervaren, maar daaruit blijkt naar het oordeel van de voorzitter niet dat verweerder klagers valselijk heeft beschuldigd van bedreiging en onnodig grievend is een dergelijke uitlating evenmin. Ook overigens is de voorzitter niet van onnodig grievende uitlatingen van verweerder gebleken.
4.3 De voorzitter kan op grond van de overgelegde stukken kortom niet feitelijk vaststellen dat verweerder klagers valselijk heeft beschuldigd van bedreiging en zich denigrerend jegens klagers heeft uitgelaten. Omdat de feitelijke grondslag ontbreekt, zal de voorzitter dit klachtonderdeel kennelijk ongegrond verklaren.
4.4 Klachtonderdeel 2 – schending gedragsregel 5?
Klagers verwijten verweerder voorts dat hij heeft gehandeld in strijd met gedragsregel 5. Verweerder heeft ook dit klachtonderdeel weersproken, in welk verband hij naar voren heeft gebracht dat hij uitvoerig met zijn cliënt heeft gesproken over de mogelijkheden tot het treffen van een regeling en dat klagers voorstellen na zorgvuldige afweging zijn afgewezen.
4.5 De voorzitter overweegt als volgt. Gedragsregel 5 bepaalt dat de advocaat voor ogen dient te houden dat een regeling in der minne veelal de voorkeur verdient boven een proces. Hoewel een advocaat daar waar mogelijk en in het belang van zijn cliënt om een geschil door middel van een schikking op te lossen in het oog moet houden, behelst regel 5 geen absolute verplichting daartoe; het gaat erom dat een advocaat zich voldoende inzet om tussen partijen tot een oplossing te komen. Een wederpartij kan dus niet verlangen dat een advocaat in elke situatie tracht een regeling in der minne te treffen. Dit is ter vrije beoordeling van de advocaat en zijn cliënt. Indien zij menen dat een regeling in der minne niet haalbaar is, kan de advocaat niet door de wederpartij dan wel door de gedragsregels worden verplicht alsnog een regeling in der minne te beproeven (Vz RvD Den Haag 24 april 2014, ECLI:NL:TADRSGR:2014:96). Indien het niet lukt om een regeling te bereiken en de cliënt wil procederen, is het alleszins gerechtvaardigd dat de advocaat aan die wens van zijn cliënt tegemoetkomt (RvD ’s-Hertogenbosch 26 augustus 2013, ECLI:NL:TADRSHE:2013:42).
4.6 Zoals uit het voorgaande volgt, betekent het enkele feit dat geen minnelijke regeling is tot stand gekomen, niet automatisch dat verweerder in strijd met gedragsregel 5 heeft gehandeld. Naar het oordeel van de voorzitter blijkt uit de overgelegde stukken evenmin dat verweerder de totstandkoming van een minnelijke regeling heeft gefrustreerd. Van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen is kortom niet gebleken. Ook klachtonderdeel 2 is derhalve kennelijk ongegrond.
4.7 De voorzitter komt tot de slotsom dat uit de overgelegde stukken niet is gebleken dat verweerder de grenzen van de aan hem, in zijn hoedanigheid van advocaat van de wederpartij, toekomende vrijheid heeft overschreden. De voorzitter zal de klacht op grond van het voorgaande in beide onderdelen kennelijk ongegrond verklaren.
BESLISSING
De voorzitter verklaart:
de klacht, met toepassing van artikel 46j lid 1 aanhef en sub c Advocatenwet, in beide onderdelen kennelijk ongegrond.
Aldus beslist door mr. E. Loesberg, voorzitter, bijgestaan door mr. T.H.G. Huber- van de Langenberg, als griffier en uitgesproken in het openbaar op 20 januari 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 20 januari 2026
