Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

23-01-2026

ECLI

ECLI:NL:TAHVD:2026:17

Zaaknummer

250102

Inhoudsindicatie

Klacht over het optreden van de advocaat wederpartij in een familierechtelijk geschil. Klaagster verwijt verweerster dat zij in processtukken willens en wetens onware mededelingen heeft gedaan over klaagster, dat verweerster zich onnodig grievend en neerbuigend over klaagster heeft uitgelaten en dat verweerster zonder toestemming beeldschermafdrukken met persoonlijke informatie heeft gedeeld met derden. Dit heeft volgens klaagster geleid tot onnodige polarisatie tussen haar en haar ex-echtgenoot. De raad van discipline heeft deze klachten ongegrond verklaard. De klacht dat verweerster rechtstreeks contact heeft opgenomen door een e-mail aan klaagster (cc) te sturen, is wel gegrond verklaard. De raad heeft hiervoor evenwel geen maatregel opgelegd. Het Hof van Discipline bekrachtigt het oordeel van de raad ten aanzien van de klachtonderdelen die de raad ongegrond heeft verklaard.  

Uitspraak

Beslissing van 23 januari 2026 in de zaak 250102

naar aanleiding van het hoger beroep van:

klaagster

tegen:

verweerster

 

 

1    INLEIDING

1.1    Klacht over het optreden van de advocaat wederpartij in een familierechtelijk geschil. Klaagster verwijt verweerster dat zij in processtukken willens en wetens onware mededelingen heeft gedaan over klaagster, dat verweerster zich onnodig grievend en neerbuigend over klaagster heeft uitgelaten en dat verweerster zonder toestemming beeldschermafdrukken met persoonlijke informatie heeft gedeeld met derden. Dit heeft volgens klaagster geleid tot onnodige polarisatie tussen haar en haar ex-echtgenoot. De raad van discipline (hierna: de raad) heeft deze klachten ongegrond verklaard. De klacht dat verweerster rechtstreeks contact heeft opgenomen door een e-mail aan klaagster (cc) te sturen, is wel gegrond verklaard. De raad heeft hiervoor evenwel geen maatregel opgelegd. Het Hof van Discipline (hierna: het hof) bekrachtigt het oordeel van de raad ten aanzien van de klachtonderdelen die de raad ongegrond heeft verklaard.  

1.2    Het hof zet eerst het verloop van de procedure bij de raad en het hof uiteen. Vervolgens zet het hof het volgende op een rij: de feiten, de klacht en de beoordeling van de raad. Daarna volgen de redenen waarom klaagster in beroep is gekomen en hoe het hof daarover oordeelt.  

2    DE PROCEDURE 

Bij de raad van discipline

2.1    De raad in het ressort ‘s-Gravenhage (hierna: de raad) heeft in de zaak tussen klaagster en verweerster (zaaknummer: 24-547/DH/DH) een beslissing genomen op 24 februari 2025. In deze beslissing is de klacht van klager deels gegrond en deels ongegrond verklaard. Aan verweerster is geen maatregel opgelegd. Verder is verweerster veroordeeld tot betaling van het griffierecht. 

2.2    Deze beslissing is onder ECLI:NL:TADRSGR:2025:32 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.

Bij het hof van discipline

2.3    Het beroepschrift van klaagster tegen de beslissing is op 25 maart 2025 ontvangen door de griffie van het hof. 

2.4    Verder bevat het dossier van het hof: -    de stukken van de raad;  -    het verweerschrift van verweerster.    2.5    Het hof heeft de zaak mondeling behandeld tijdens de openbare zitting van 24 november 2025. Daar zijn klaagster (via Teams) en verweerster verschenen. 

3    FEITEN

Het hof gaat uit van de feiten die door de raad zijn vastgesteld nu daartegen geen beroepsgrond is gericht. Het gaat om de volgende feiten.

3.1    Klaagster is verwikkeld (geweest) in een echtscheidingsprocedure. Verweerster staat de wederpartij (de man) bij.

3.2    In oktober 2023 is klaagster een voorlopige voorzieningenprocedure gestart tegen de man.

3.3    Op 15 november 2023 heeft verweerster namens de man een verweerschrift ingediend. Zij heeft daarin onder meer geschreven:

“De man heeft als bewezen onschuldige ook (immateriële) schadevergoeding toegewezen gekregen.”

3.4    Op 16 november 2023 heeft verweerster aan de rechtbank laten weten dat partijen een basis overeenstemming hadden bereikt en dat zij aanhouding van de op 17 november 2023 geplande zitting wensten. Klaagsters advocaat heeft dit bevestigd.

3.5    Op 22 november 2023 heeft verweerster namens de man een verzoek (wijziging) voorlopige voorzieningen ingediend bij de rechtbank. Zij heeft daarin onder meer vermeld:

“5. Naar aanleiding van het ingediende verweer door de man (…), waarin de man aangaf dat de spanningen werden veroorzaakt door het huiselijke geweld dat de inwonende Oekraïense vader van de vrouw (opa [Y]) richting de kinderen heeft gedaan (…) en ook aan de man (aangiftenummer PL 15002023307123V) (…)

13. Partijen hebben elkaar in 2008 in Nederland als studenten aan de VU te Amsterdam leren kennen. De man was destijds Europese Staatsburger en de vrouw had geen verblijfsvergunning. De man is van origine Palestijns en is met zijn ouders gevlucht. (…)

14. (…) De man heeft als bewezen onschuldige ook (immateriële) schadevergoeding toegewezen gekregen. (…) De man is ook volledig onderzocht in Bulgarije en is medisch en mentaal gezond verklaard. Ook de huisarts van de man kan dit bevestigen (productie 6). (…)

27. (…) De man heeft aangifte gedaan van mishandeling (aangiftenummer PL 15002023307123). De politie heeft Veilig Thuis ingeschakeld. (…)

30. Die avond op 30 september 2023 heeft de man de vrouw aangegeven dat het zo niet langer kan met het gedrag van haar vader en dat hij de woning moet verlaten. De vrouw verzocht de man echter de aangifte tegen haar vader in te trekken alsmede het verhaal richting school te wijzigen.”

3.6    De rechtbank heeft bij beschikking bepaald dat klaagster vanaf 1 december 2023 bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning en de man is bevolen de woning uiterlijk op die datum te verlaten. De verdere verzoeken heeft de rechtbank afgewezen, omdat partijen hadden aangegeven dat zij deze punten in onderling overleg zouden proberen op te lossen.

3.7    Op 8 januari 2024 heeft verweerster een e-mail aan klaagsters advocaat gestuurd over de tussen klaagster en de man te maken weekplanning en afspraken. Verweerster heeft haar cliënt, klaagster en twee betrokken hulpverleners een cc van dit bericht gestuurd.

3.8    Op 15 januari 2024 is er een zitting geweest bij de rechtbank over de door verweersters op 28 november 2023 gevraagde voorlopige voorzieningen. Klaagster en haar advocaat, alsmede de man en verweerster waren daarbij aanwezig.

3.9    Op 29 januari 2024 heeft de rechtbank bij beschikking onder meer een voorlopige zorg- en alimentatieregeling vastgesteld.

3.10     Op 18 februari 2024 heeft klaagster bij de deken een klacht over verweerster ingediend.

3.11     Op 26 maart 2024 heeft verweerster gereageerd op de klacht. Zij heeft als bijlage een eigen verklaring van haar cliënt overgelegd waarbij schermafbeeldingen van een IND-dossier zaten met daarin gegevens van klaagster, zowel persoonlijke gegevens als gegevens met betrekking tot klaagsters verblijfsstatus.

4    KLACHT

4.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven en voor zover van belang, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet doordat zij 

a) in haar processtukken willens en wetens onware mededelingen heeft gedaan bij de rechtbank om klaagster te schaden (schending gedragsregel 8). Klaagster wijst op het volgende: - Punten 5, 27 en 30 verzoekschrift: verweerster verwijst naar een aangifte van de man tegen klaagsters vader, maar deze aangifte bestaat niet. De politie heeft geweigerd om die aangifte op te nemen. De man heeft dit in oktober 2023 aan klaagster verteld. Dat de man geen aangifte kon overleggen aan verweerster had voldoende aanleiding voor haar moeten zijn voor twijfel en nadere verificatie. Het is een fantasie van verweerster dat klaagster de man zou hebben verzocht de aangifte in te trekken. De vader heeft juist aangifte gedaan tegen de man. Het zijn valse mededelingen die de eer en goede naam van vader en klaagster aantasten. - Punt 13 verzoekschrift: klaagster stelt dat zij en de man elkaar in 2009 (in plaats van 2008) hebben leren kennen, dat juist zij een verblijfsvergunning had en de man niet. Ook is ten onrechte opgeschreven dat de man van origine Palestijns is, terwijl hij in Egypte is geboren en in Libië is opgegroeid. Klaagster stelt dat uit de door verweerster toegestuurde schermafdrukken blijkt dat zij wel een geldige verblijfsvergunning had. Klaagster stelt dat de man haar zijn correcties op het processtuk heeft laten zien, te weten dat hij het woordje ‘geen’ (voor ‘verblijfsvergunning’) had weggestreept en er ‘tijdelijke’ had bijgeschreven. Verweerster wist hierdoor dus dat het niet klopte wat in haar verzoekschrift stond en had dat moeten aanpassen. - Punt 14 verzoekschrift: klaagster stelt dat de man tot levenslang is veroordeeld wegens een levensmisdrijf en na negen jaar in de gevangenis gratie heeft gekregen. Dat is een heel andere feitelijke situatie dan verweerster beschrijft. Verweerster heeft op 15 januari 2024 bij de rechter verklaard dat de man is vrijgesproken door de (civiele kamer van de) rechtbank Den Haag. Er is geen gerechtelijke instantie die de man heeft vrijgesproken.

b) (…)

c) klaagsters rechten op grond van art. 8 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en op grond van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) heeft geschonden door zonder klaagsters toestemming de beeldschermafdrukken met klaagsters persoonlijke en verblijfsrechtelijke informatie te delen met derden;

d) een neerbuigende en onnodig grievende houding en toon had. Door haar onnodig grievende bewoordingen en onwaarheden heeft zij de situatie verergerd, terwijl zij de-escalerend had moeten optreden (schending gedragsregel 5).

Klaagster stelt dat verweerster met haar uitingen heeft bijgedragen aan de onnodige polarisatie tussen klaagster en de man, terwijl ze ook de belangen van de kinderen in het oog had moeten houden. Verweersters aantijgingen en onjuistheden hebben klaagster onnodige schade berokkend en haar eer en goede naam aangetast.

5    BEOORDELING RAAD

5.1    De raad heeft klachtonderdeel b) gegrond verklaard. Dat klachtonderdeel had betrekking op het verwijt dat verweerster klaagster in de cc van een e-mail had opgenomen. De raad oordeelde dat verweerster klaagster niet rechtstreeks had mogen aanschrijven. De overige klachtonderdelen zijn ongegrond verklaard. Ten aanzien van klachtonderdeel a) heeft de raad overwogen dat op grond van het klachtdossier niet kan worden vastgesteld dat verweerster feiten heeft gesteld waarvan zij de onjuistheid kende of redelijkerwijs kon kennen. Verweerster mocht uitgaan van de informatie die zij van haar cliënt ontving. Van bijzondere omstandigheden die maakten dat verweerster die informatie nader had moeten verifiëren, is niet gebleken. Dat de man geen (afschrift van de) aangifte heeft laten zien aan verweerster betekent niet dat verweerster moest weten of kon vermoeden dat hij geen aangifte had gedaan. Er is geen reden om te twijfelen aan de stelling van verweerster dat zij van haar cliënt had begrepen dat hij aangifte had gedaan, waarbij hij haar ook een proces-verbaalnummer (naar later bleek van een melding) heeft doorgegeven. Verweerster heeft het standpunt van de man over zijn afkomst, de verblijfsvergunning van klaagster en het jaar waarin klaagster en de man elkaar hadden leren kennen, weergegeven, hetgeen haar vrijstond te doen. Een geboorteplaats is niet bepalend voor iemands afkomst en in het dossier zit een geboorteverklaring van de man waarop de Palestijnse nationaliteit staat. De informatie op de schermafdrukken waar klaagster naar verwijst, is bij verweerster pas later bekend geworden. Daarover beschikte verweerster niet op het moment van het indienen van het verzoekschrift en zij was niet gehouden de informatie nader te verifiëren. Klaagsters stelling dat de man wijzigingen had doorgegeven aan verweerster is betwist en heeft de raad niet kunnen vaststellen enkel op basis van de door klaagster overgelegde stukken. 

Ook over de kwestie vrijspraak/gratie heeft verweerster het standpunt van haar cliënt weergegeven, binnen de ruime mate van vrijheid die haar als partijdig belangenbehartiger van haar cliënt toekomt. De raad heeft daarbij niet kunnen vaststellen wat verweerster ter zitting heeft verklaard.

5.2    Ten aanzien van klachtonderdeel c) heeft de raad overwogen dat de tuchtrechter klachten over advocaten toetst aan de betamelijkheidsnorm van artikel 46 Advocatenwet en niet ook aan het EVRM of de AVG. Het staat een advocaat vrij zijn verweer te voeren op een wijze die hem goeddunkt zolang de grenzen van de betamelijkheid niet worden overschreden. Dat verweerster met de bij haar antwoord gevoegde stukken die betamelijkheidsnorm heeft overschreden is niet gebleken. Verweerster heeft de stukken van haar cliënt gekregen en zij heeft deze stukken alleen in deze klachtprocedure ingebracht om haar verweer te onderbouwen. Dat mocht zij doen. Dat de stukken bij derden terecht zijn gekomen, is daarbij niet gebleken. Evenmin is gebleken dat klaagsters belangen nodeloos zijn geschaad door overlegging van de stukken. De raad heeft dit klachtonderdeel ongegrond verklaard. 

5.3    Dit geldt ook voor klachtonderdeel d). Klaagster heeft niet of nauwelijks toegelicht waar verweerster in haar processtukken onnodig grievend over is geweest. De in het klachtdossier aanwezige processtukken van verweerster zijn zakelijk van toon en niet onnodig grievend. Verweerster heeft bovendien, zoals hiervoor door de raad overwogen, niet tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld voor wat betreft de inhoud van de processtukken. Dat verweerster klaagster onnodige schade heeft berokkend en haar eer en goede naam heeft aangetast, is door klaagster verder niet onderbouwd en is de raad niet gebleken. Van schending van gedragsregel 5 en/of 7 is volgens de raad niet gebleken. 

5.4    Voor zover klaagster verweerster ook heeft verweten dat zij op 20 november 2023 een onnodige procedure is gestart, heeft de raad overwogen dat nadat een afspraak gemaakt was over een omgangsregeling al snel daarna deze niet werd nagekomen door klaagster, althans dat verweersters cliënt geen enkel zicht en zekerheid had dat hij zijn kinderen op regelmatige basis zou kunnen zien. Daardoor zag verweerster aanleiding een procedure te starten, welke procedure ook heeft geleid tot een beschikking van de rechtbank. Verweerster mocht dat zo doen. Zij is partijdig advocaat en heeft voldoende onderbouwd waarom het in het belang van haar cliënt was om toch een procedure te starten.

5.5     De raad heeft afgezien van het opleggen van een maatregel, nu verweerster tijdens de zitting de context heeft geschetst waarom zij heeft gehandeld zoals zij heeft gedaan, te weten dat zij alle betrokken partijen (haar cliënt, klaagster en de betrokken hulpverlening) in het kader van transparantie in de communicatie had betrokken. Tijdens de zitting heeft verweerster laten blijken dat zij zich nu realiseert dat zij dit niet had moeten doen en dat zij het in het vervolg ook anders zal doen. Gelet daarop en gezien het blanco tuchtrechtelijk verleden van verweerster heeft de raad  volstaan met de constatering van het gegronde tuchtrechtelijke verwijt, zonder oplegging van een maatregel.

6    BEROEPSGRONDEN EN VERWEER

Beroepsgronden klaagster

6.1    Klaagster voert aan dat sprake is van schending van het beginsel van hoor en wederhoor en het recht op een eerlijk proces (artikel 6 EVRM). De raad heeft klaagsters klacht behandeld zonder haar op de zitting te horen. Klaagster had voorafgaand aan de zitting laten weten dat zij gehoord wilde worden, maar dat zij op het tijdstip van de mondelinge behandeling een andere zitting had op dezelfde locatie. Klaagster heeft verzocht om aanhouding of wijziging van het tijdstip van de behandeling, maar dat verzoek is zonder reden afgewezen. Daarnaast kan deze handelwijze als discriminatoir worden beschouwd, aangezien er geen objectieve rechtvaardiging was om klaagster niet te horen. Dit is in strijd met de fundamentele beginselen van gelijke behandeling en toegang tot de rechter.  De raad heeft geoordeeld dat verweerster mocht afgaan op de verklaringen van haar cliënt, ondanks dat er duidelijke aanwijzingen waren dat deze verklaringen onjuist waren. Ten onrechte heeft de raad overwogen dat er geen bijzondere omstandigheden waren die verweerster tot nader onderzoek hadden moeten aanzetten. Zo heeft de civiele kamer van de rechtbank Den Haag vastgesteld dat haar cliënt ernstige psychische schade heeft geleden na zijn bijna negenjarige gevangenschap. De raad heeft onvoldoende gemotiveerd waarom verweerster ondanks alle aanwijzingen mocht uitgaan van de juistheid van de (zoals later gebleken, onware) mededelingen van haar cliënt. Bovendien heeft de raad in zijn beslissing betreffende de kwestie vrijspraak/gratie een veel te summiere stelling ingenomen. Een advocaat mag geen feiten poneren waarvan hij de onwaarheid kent of redelijkerwijs kan kennen en moet het fundamentele verschil tussen gratie en vrijspraak kennen. Door deze twee begrippen door elkaar te gebruiken heeft verweerster een onjuiste en misleidende voorstelling van de feiten gegeven.  De raad heeft geoordeeld dat geen sprake was van onnodig grievend taalgebruik en polarisatie. Dit is echter onjuist, aangezien verweerster misleidende en grievende uitlatingen heeft gedaan over klaagsters familie en achtergrond en zij niet heeft gehandeld met de terughoudendheid die in familiezaken vereist is, waardoor de verhouding tussen partijen verder is verslechterd. Het doelbewust verstrekken van onjuiste en misleidende informatie in processtukken is per definitie grievend, omdat het klaagster in een kwaad daglicht heeft gesteld en haar eer en goede naam heeft aangetast. Verweerster heeft klaagsters vader neergezet als gewelddadig en ongeschikt voor de omgang met de kinderen, zonder enige grondslag of enig bewijs. Door suggestieve en feitelijk onjuiste aantijgingen te poneren worden klaagsters integriteit en geschiktheid als ouder in twijfel getrokken. Meerdere stellingen van verweerster, die klaagster uitgebreid heeft benoemd en beschreven in haar pleitnota onder 3 hebben geen relevantie voor de echtscheidingszaak, maar leken uitsluitend bedoeld te zijn om haar te kwetsen of in diskrediet te brengen. Door deze beoordeling niet grondig te motiveren, heeft de raad de kern van haar klacht niet serieus genomen.  Ten aanzien van het onnodig voeren van een procedure is de raad niet ingegaan op de kern van klaagsters bezwaar, namelijk dat er geen concreet bewijs is aangevoerd dat zij de eerder gemaakte afspraken niet zou zijn nagekomen. Er wordt geen duidelijkheid gegeven over welke verplichting klaagster binnen drie dagen zou hebben geschonden en waarom deze vermeende schending zodanig ernstig was dat deze een extra juridische procedure rechtvaardigde. De raad had moeten onderzoeken of de noodzaak voor de tweede procedure daadwerkelijk bestond, in plaats van het standpunt van verweerster over te nemen.  Voorts heeft verweerster zonder klaagsters toestemming schermafbeeldingen van haar IND-dossier gedeeld met derden, waaronder informatie over haar verblijfsgeschiedenis. Dat is een ernstige privacy-schending, die de raad ten onrechte als niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft beoordeeld. De raad had wél moeten beoordelen of het zonder toestemming delen van gevoelige persoonsgegevens betamelijk was. Dat de raad geen maatregel heeft opgelegd, ondermijnt de tuchtrechtelijke normstelling en heeft geen afschrikwekkend effect. Een waarschuwing was op zijn minst passend geweest. Klaagster verzoekt het hof dan ook de beslissing van de raad te vernietigen, de klacht alsnog geheel of gedeeltelijk gegrond te verklaren en een passende maatregel op te leggen. 

Verweer verweerster

6.2    Verweerster heeft gemotiveerd verweer gevoerd in beroep. Waar dat relevant is, bespreekt het hof dit bij de beoordeling van het beroep.

7    BEOORDELING HOF

Maatstaf

7.1    Deze zaak betreft een klacht tegen de advocaat van de wederpartij. De maatstaf die het hof bij de beoordeling daarvan aanlegt is mede ingegeven door de voor advocaten geldende kernwaarde partijdigheid en houdt het volgende in. Een advocaat geniet een grote mate van vrijheid om de belangen van zijn cliënt te behartigen op de wijze die hem passend voorkomt. Deze vrijheid mag niet ten gunste van een wederpartij worden beperkt, tenzij haar belangen nodeloos en op ontoelaatbare wijze worden geschaad. Zo mag de advocaat (a) zich niet onnodig grievend uitlaten over de wederpartij, (b) geen feiten poneren waarvan hij de onwaarheid kent of redelijkerwijs kan kennen, (c) bij de behartiging van de belangen van zijn cliënt de belangen van de wederpartij niet onnodig of onevenredig schaden zonder redelijk doel. Daarbij geldt verder dat de advocaat de belangen van zijn cliënt dient te behartigen aan de hand van het feitenmateriaal dat zijn cliënt hem verschaft, en dat hij in het algemeen mag afgaan op de juistheid daarvan en slechts in uitzonderingsgevallen gehouden is de juistheid daarvan te verifiëren. De advocaat hoeft in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat hij voor zijn cliënt wil bereiken met de middelen waarvan hij zich bedient, opweegt tegen het nadeel dat hij daarmee aan de wederpartij toebrengt. Wel moet de advocaat zich onthouden van middelen die op zichzelf beschouwd ongeoorloofd zijn of die, zonder dat zij tot enig noemenswaardig voordeel van zijn cliënt strekken, onevenredig nadeel aan de wederpartij toebrengen.

7.2    Daarbij geldt dat een advocaat in familiekwesties als de onderhavige in het algemeen moet waken voor onnodige polarisatie tussen de ex-echtelieden; van hem mag een bepaalde mate van terughoudendheid worden verwacht, juist omdat ook andere belangen in die procedures een grote rol kunnen spelen, met name belangen van kinderen. Die terughoudendheid heeft zowel betrekking op het doen van uitlatingen over de wederpartij, die deze naar redelijke verwachting als kwetsend zal ervaren, als op het entameren van procedures. De advocaat moet daarbij van geval tot geval afwegen: –           het belang van zijn cliënt bij het voeren van de procedure, –           het belang van de wederpartij én dat van de kinderen bij het voorkomen daarvan, –           het verloop van het geschil tot dan toe, –           en de kans op succes van een procedure. Het hof beoordeelt de klacht en de tegen de beslissing van de raad gerichte beroepsgronden aan de hand van de hiervoor geformuleerde maatstaven.

Beoordeling  beroepsgronden

7.3    Klaagster voert aan allereerst aan dat sprake is van schending van het beginsel van hoor en wederhoor en het recht op een eerlijk proces (artikel 6 EVRM), doordat de raad klaagsters klacht heeft behandeld zonder haar te horen. Het hof volgt klaagster niet hierin. Uit het proces-verbaal van de zitting bij de raad volgt dat bij het plannen van een datum voor de zitting rekening is gehouden met de verhinderdata van klaagster. Klaagster is dus in de gelegenheid gesteld om verhinderdata op te geven. Van de raad kon niet verwacht worden, dat toen klaagster kort voor de zitting alsnog verhinderd bleek te zijn wegens werkzaamheden elders, dat hij de zaak zou aanhouden. Immers de raad plant de zaken – rekening houdend met de verhinderdata van partijen, maar ook met zijn eigen agenda – in en kan deze niet (op het laatste moment) verschuiven. Daarnaast had verweerster ook tijd vrijgemaakt voor de behandeling van de zaak. Verder is nog relevant dat klaagster haar pleitnota had opgestuurd naar de raad en dat de voorzitter deze tijdens de zitting (gedeeltelijk, want hij was te lang) aan verweerster heeft voorgehouden. Van schending van de beginselen van gelijke behandeling en toegang tot de rechter is dan ook geen sprake. Afgezien van dit alles zal het hof deze beroepsgrond alleen al ongegrond verklaren omdat klaagster in hoger beroep haar kant van de zaak voldoende naar voren heeft kunnen brengen, zodat zij geen belang meer heeft bij deze grond. 

7.4    Klaagster klaagt voorts dat verweerster in haar processtukken willens en wetens onware mededelingen heeft gedaan om klaagster te schaden. Ook hierin volgt het hof klaagster niet. Het hof sluit zich aan bij de beoordeling van de raad en neemt die over. Hetgeen in hoger beroep nog (aanvullend) naar voren is gebracht, leidt niet tot een ander oordeel. Daarbij merkt het hof nog op dat verweerster geen enkele aanleiding had om te twijfelen aan het verhaal van haar client toen zij het verweerschrift en kort daarna het verzoekschrift wijziging voorlopige voorzieningen in november 2023 opstelde. Verweerster heeft niet de term ‘vrijspraak’ gebezigd, maar zij heeft gesproken over ‘onschuldig’. Verder heeft het hof niet kunnen vaststellen dat verweerster neerbuigend en/of onnodig grievend taalgebruik heeft gebruikt in haar processtukken. Verweerster heeft het standpunt van haar cliënt weergegeven en de situatie beschreven zoals die volgens haar cliënt was/zich heeft afgespeeld. Dat dit heeft geleid tot polarisatie tussen klaagster en haar ex-partner en/of dat de eer en goede naam van klaagster heeft doen aantasten, is onvoldoende aannemelijk geworden. Verweerster heeft gehandeld binnen de grenzen van wat van haar als een advocaat in een familierechtelijke procedure verwacht mag worden. Het beroep tegen de klachtonderdelen a) en d) zal dan ook ongegrond worden verklaard.

7.5    Onder klachtonderdeel c) verwijt klaagster verweerster dat zij haar rechten ex artikel 8 EVRM en de AVG heeft geschonden door zonder klaagsters toestemming beeldschermafdrukken met klaagsters persoonlijke en verblijfsrechtelijke informatie te delen met derden.  Vooropgesteld wordt dat het hof (en ook de raad) toetst aan artikel 46 Advocatenwet. Een advocaat heeft rekening te houden met de belangen van anderen (waaronder die van de wederpartij), waardoor het handelen van een advocaat ook getoetst worden kan aan de AVG of het EVRM.  Het klachtonderdeel ziet op het delen van informatie door verweerster na het indienen van de klacht (en daarmee als reactie op de klacht) met de deken (en dus uiteindelijk ook met de raad en het hof). Verweerster heeft de stukken als verweer tegen de klacht overgelegd. Onvoldoende onderbouwd is dat de beeldschermafdrukken met derden zijn gedeeld. Dit maakt dat niet is komen vast te staan dat de belangen van klaagster door het overleggen van die stukken onnodig zijn geschaad. Ook het beroep tegen dit klachtonderdeel kan dan ook niet slagen.

7.6    Tot slot verwijt klaagster verweerster nog dat zij na drie dagen een tweede voorlopige voorziening is gestart zonder dat daarvoor een gegronde reden was. De raad heeft dit kennelijk als ‘aanvullend’ klachtonderdeel opgevat en het aldus ongegrond verklaard. 

7.7    Verweerster heeft aangegeven dat klaagster afspraken niet nakwam en het partijen niet lukte om een (zorg)regeling te treffen, zodat het starten van een nieuwe procedure tot het treffen van een voorlopige voorziening volgens haar (en haar cliënt) noodzakelijk was. Behalve wanneer sprake is van een uitzonderlijke situatie, zoals wanneer een advocaat kennelijk zonder enige grond of slechts om de wederpartij te schaden een gerechtelijke procedure begint, is het aan de raad noch aan het hof om nader te onderzoeken of de noodzaak voor die tweede procedure daadwerkelijk bestond. Het was de rechtbank die had te oordelen over de gegrondheid van het verzoek. Dat zich de bedoelde uitzonderlijke situatie voordoet, heeft klaagster niet gesteld. Het beroep tegen dit aanvullende klachtonderdeel zal dus ook ongegrond worden verklaard.  

Slotsom

7.8    Nu niet is gebleken dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld, zal het hof de beslissing van de raad bekrachtigen voor wat betreft de klachtonderdelen a), c), d) en het aanvullende klachtonderdeel.

8    BESLISSING

Het Hof van Discipline:

bekrachtigt de beslissing van 24 februari 2025 van de Raad van Discipline in het ressort ’s-Gravenhage, gewezen onder nummer 24-547/DH/DH, voor wat betreft de klachtonderdelen a), c), d) en het aanvullende klachtonderdeel.

Deze beslissing is genomen door mr. J. Blokland, voorzitter, mrs. R. Verkijk en A. Groenewoud, leden, in tegenwoordigheid van mr. B.J.M. Vermulst, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 23 januari 2026.

griffier    voorzitter             

De beslissing is verzonden op 23 januari 2026.