Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

19-01-2026

ECLI

ECLI:NL:TADRARL:2026:14

Zaaknummer

25-803/AL/NN

Inhoudsindicatie

Voorzittersbeslissing. Klacht over deken. Dat de deken een opmerking in het webformulier met verzoek om aanwijzing van een advocaat voor klager in de doofpot heeft gestopt, is onvoldoende concreet onderbouwd. Uit de stukken is de voorzitter niet gebleken dat verweerster strikvragen heeft gesteld of anderszins met haar handelen het vertrouwen in de advocatuur heeft geschaad. Kennelijk ongegrond.

Uitspraak

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden van 19 januari 2026 in de zaak 25-803/AL/NN

naar aanleiding van de klacht van:

klager gemachtigde: [naam]

over

verweerster

 

 

 

De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief met bijlagen volgens de inventarislijst van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Noord-Nederland (hierna: de deken) van 19 november 2025 met kenmerk 2025 KNN059 / 2499240.

 

1    FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.

1.1    Op 19 april 2025 is namens klager middels het webformulier een verzoek ingediend tot aanwijzing van een advocaat bij de Orde van Advocaten Den Haag. Daarin is onder meer vermeld: [Klager] zoekt een advocaat in verband met het instellen van een turbo-kort geding op dinsdag 22 april 2025. [Klager] is gedaagde in een lopend kort geding (uitspraak 23 april 2025) , er wordt een dwangsom van maximaal 10 miljoen euro geëist. [Klager] heeft 5 afwijzingen van advocaten [namen] ontvangen. Belangrijke informatie voor de aan te wijzen advocaat: Ik verwijs u naar twee linkjes van twee beeld- en geluidsopnames (…). In verband met het turbo-kort geding zijn deze twee opnames de best mogelijke informatie die [klager] aan u kan geven. (…).   Op de vraag in het webformulier “Wilt u nog iets toevoegen dat van belang is voor uw verzoek?” is namens klager vermeld:  er is sprake van het in de doofpot stoppen van strafbare handelingen die in de rechtbank zijn gepleegd.

1.2    Door het ordebureau is de ontvangst van dit webformulier bevestigd en is aan de gemachtigde van klager onder meer het volgende bericht: 

Namens de deken, [verweerster], bericht ik u dat uw verzoek niet kan worden beoordeeld, omdat daartoe noodzakelijke informatie ontbreekt. Concreet heb ik de volgende informatie nog van u nodig: 

• is uw bedoeling om te voorkomen dat er morgen (op 23 april 2025) door de rechtbank uitspraak wordt gedaan in het kort geding dat tegen [klager] aanhangig is gemaakt; 

• of wilt u graag dat er zo spoedig mogelijk tegen het vonnis hoger beroep wordt aangetekend nu [klager] het niet eens zal zijn met de beslissing van de rechter; 

• kunt u puntsgewijs en beknopt aangeven waarom er geen uitspraak kan worden gedaan dan wel waarom hoger beroep dient te worden aangetekend.

1.3    Namens klager is onder meer als volgt gereageerd: 

Zojuist heb ik ruggespraak gehad met [klager]. Hij wil weten of er vandaag een advocaat beschikbaar is. Indien dat het geval is wil hij met deze advocaat eerst overleg voeren inzake het turbo-kort geding. Daarna kan hij een terugkoppeling aan het Bureau Haagse Orde van Advocaten geven.

1.4    Namens verweerster is daarna gemaild dat eerst de vragen uit haar eerdere e-mail dienden te worden beantwoord, voordat het verzoek kan worden beantwoord. 

1.5    Klager heeft daarop gemaild: 

persoonlijk wil ik even een vraag stellen over één van uw vragen: is het mogelijk om via een turbo-kort geding een uitspraak van een rechter te voorkomen c.q. tegen te houden?

1.6    Daarop is namens verweerster aan de gemachtigde van klager bericht dat voor zover verweerster bekend een uitspraak van een rechter niet kan worden voorkomen dan wel tegengehouden door een turbo kort geding.

1.7    Daarop heeft klager onder meer als volgt gereageerd: 

Uw strikvraag ervaar ik als obstructie van de rechtsgang. Ik acht uw handel- en werkwijze als beklagwaardig c.q. aangifte-waardig. Hierbij verzoek ik u nogmaals om met spoed een advocaat aan [klager] toe te wijzen t.b.v. een turbo-kort-geding dat vandaag (dinsdag 22 april 2025) zal moeten plaatsvinden.

1.8    Vervolgens heeft klager verweerster onder meer gemaild, met de rechtbank in CC:

uw concrete vragen zijn niet de bedoeling van het turbo-kort-geding dat [klager] aanvraagt. De echte bedoelingen wenst [klager] te bespreken met de door u toegewezen advocaat. Het turbo-kort geding dient vandaag doorgang te vinden, de belangen zijn namelijk zeer hoog voor [klager] en zijn kinderen. Het draait om 57 miljoen euro en twee keer tien miljoen euro dwangsom. T.a.v. team handel afdeling kort geding: - gelieve de turbo-kortgeding-kamer per ommegaande gereed te zetten. - gelieve het tijdstip van het turbo-KG per ommegaande naar mij te mailen - gelieve rekening te houden met 1 uur reistijd van [klager]. Het turbo-kort-geding dient vandaag behandeld te worden. Ik verneem graag per ommegaande.  

1.9    In een brief van 22 april 2025 heeft verweerster het verzoek om aanwijzing van een advocaat aan klager afgewezen. Als afwijzingsgrond heeft verweerster het volgende vermeld: 

Uit de e-mails volgt dat u wenst dat u vandaag wordt geadviseerd over een proceshandeling die volgens u vandaag ook dient plaats te vinden. Die tijd is te kort om een advocaat aan te wijzen - die dan ook nog het dossier zou moeten bestuderen en een processtuk zou moeten opstellen. Dat kan niet van mij als deken en niet van een aan te wijzen advocaat worden gevraagd.  

1.10    Op 31 mei 2025 heeft de gemachtigde namens klager bij het Hof van Discipline een klacht ingediend over verweerster in haar hoedanigheid van deken. Bij beslissing van 19 juni 2025 heeft de voorzitter van het Hof van Discipline die klacht voor onderzoek en afhandeling verwezen naar de deken en de klacht als volgt samengevat: 

- verweerster gaat niet in op de opmerking van klager dat er sprake is van het in de doofpot stoppen van strafbare handelingen die in de rechtbank zijn gepleegd; 

- verweerster stelt strikvragen bij de behandeling van zijn verzoek tot aanwijzing van een advocaat wat klager ervaart als obstructie van de rechtsgang. 

1.11    Op 23 juni 2025 heeft de deken aan klager gemaild:

Het eerste klachtonderdeel in uw e-mail van 31 mei 2025 en het klachtonderdeel zoals vermeld in de beslissing van het Hof van Discipline zijn niet identiek. Om misverstanden te voorkomen verzoek ik u om mij te berichten of de beschrijving van het eerste klachtonderdeel door het hof juist is. Indien dit niet het geval is dan verzoek ik u vriendelijk ten aanzien van het eerste klachtonderdeel nader toe te lichten welk handelen en/of nalaten van [verweerster] ten aanzien van uw opmerking u als klachtwaardig beschouwd.  

Hierop is namens klager gereageerd dat hij verwees naar zijn e-mail van 31 mei 2025.

 

2    KLACHT

De klacht houdt in, zakelijk weergegeven, dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door:

a)    niet in te gaan op de opmerking namens klager in het webformulier van 19 april 2025 dat er sprake is van het in de doofpot stoppen van strafbare handelingen die in de rechtbank zijn gepleegd. Toelichting: Volgens klager heeft rechter mr. V onder meer gelogen tegen zijn collega’s van de wrakingskamer. Verweerster heeft genoemde opmerking in de doofpot gestopt;

b)    strikvragen te stellen bij de behandeling van het verzoek tot aanwijzing van een advocaat wat klager ervaart als obstructie van de rechtsgang.

 

3    VERWEER

De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

 

4    BEOORDELING

Maatstaf

4.1    Het tuchtrecht is bedoeld om te waarborgen dat advocaten hun beroep behoorlijk uitoefenen. Het tuchtrecht kan ook volledig gelden wanneer een advocaat optreedt in een andere hoedanigheid dan die van advocaat, terwijl er wel voldoende aanknopingspunten zijn tussen (i) de gedraging waarvan hem een verwijt wordt gemaakt en (ii) de uitoefening van het beroep van advocaat. Zijn die aanknopingspunten er niet, of niet voldoende, dan beoordeelt de tuchtrechter slechts of de advocaat het vertrouwen in de advocatuur heeft geschaad.

Klachtonderdeel a)

4.2    Het verwijt namens klager dat verweerster zijn opmerking in het webformulier in de doofpot heeft gestopt, is onvoldoende concreet onderbouwd. Door het ontbreken van een feitelijke grondslag kan de voorzitter de juistheid van dit verwijt niet vaststellen en evenmin de gegrondheid ervan. Daarom wordt klachtonderdeel a) kennelijk ongegrond verklaard.

Klachtonderdeel b)

4.3    Uit de stukken is de voorzitter gebleken dat verweerster vragen aan de gemachtigde van klager heeft gesteld om het aanwijzingsverzoek te kunnen beoordelen. Het staat een deken vrij om dat te doen omdat beoordeeld moet worden of een terecht beroep wordt gedaan op artikel 13 Advocatenwet. Dat verweerster strikvragen heeft gesteld, is de voorzitter uit de stukken niet gebleken. Nu aldus niet is gebleken dat verweerster met haar handelen het vertrouwen in de advocatuur heeft geschaad, wordt ook klachtonderdeel b) kennelijk ongegrond verklaard. 

 

BESLISSING

De voorzitter verklaart: 

de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond.

Aldus beslist door mr. S.C. Hagedoorn, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. M.M. Goldhoorn als griffier en uitgesproken in het openbaar op 19 januari 2026.

Griffier         Voorzitter

 

Verzonden op : 19 januari 2026