Rechtspraak
Uitspraakdatum
19-01-2026
ECLI
ECLI:NL:TADRARL:2026:20
Zaaknummer
25-546/AL/MN
Inhoudsindicatie
Raadbeslissing. Klacht over advocaat wederpartij en over verweerder in hoedanigheid van bemiddelaar. Verweerder diende een partijdig belang en kon daarom niet tegelijkertijd optreden als onpartijdig bemiddelaar in het familieconflict. Hij had klager duidelijk moeten laten weten dat hij handelde als belangenbehartiger van zijn cliënt en had klager om die reden moeten adviseren een eigen belangenbehartiger in de arm te nemen. Verweerder heeft zijn onafhankelijkheid in de zin van artikel 2 Advocatenwet hiermee in gevaar gebracht. Klacht deels gegrond. Berisping.
Uitspraak
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem Leeuwarden van 19 januari 2026 in de zaak 25-546/AL/MN
naar aanleiding van de klacht van:
1. [naam]klager
2. [naam]klaagster vertegenwoordigd door klager 1
3. [naam]klaagster vertegenwoordigd door klager 1 tezamen ook: klagers gemachtigde klagers: mr. D. Warnink
over
verweerder gemachtigde: mr. M. Jongkind
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 8 december 2023 hebben klagers bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Midden-Nederland (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.
1.2 Op 15 augustus 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk Z 2285353 van de deken ontvangen.
1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 24 november 2025. Daarbij waren klager, bijgestaan door zijn gemachtigde, en verweerder, bijgestaan door zijn gemachtigde, aanwezig. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.
1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier. Ook heeft de raad kennisgenomen van de brief, met bijlagen, van de gemachtigde van verweerder van 1 september 2025.
2 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.1 Verweerder heeft diverse malen als (huis)advocaat opgetreden van een transportonderneming en familiebedrijf V. B.V. (hierna: familiebedrijf V.) en de daaraan gelieerde (buitenlandse) vennootschappen. Ook heeft verweerder in een gerechtelijke procedure als advocaat opgetreden voor VIT GmbH, (hierna: VIT), een Duitse onderneming van het familiebedrijf.
2.2 Klager 1 is bestuurder van klaagsters 2 en 3. Hij was tot april 2019 bestuurder van VIT, waarna zijn taken zijn overgenomen door de heer B.
2.3 Binnen de familie is onenigheid ontstaan. Er waren twee kampen; enerzijds de vader van klager G. (hierna: vader G.) en de broer van klager E. (hierna: broer E.) en anderzijds klager.
2.4 Onderdeel van het familieconflict was een door klager 1 gestelde en door vader G. en broer E. betwiste vordering van klagers op familiebedrijf V. In verband met deze gestelde vordering heeft klager 1 de kentekenbewijzen van een aantal trucks van VIT op zijn naam laten stellen en de tenaamstellingscodes daarvan als zekerheidsmiddel ontvangen.
2.5 In 2022 heeft VIT een aantal trucks verkocht aan besloten vennootschap T. Trucks B.V. (hierna: T. Trucks), maar kon de tenaamstellingscodes niet leveren, omdat klager 1 deze onder zich hield. Verweerder heeft als advocaat van VIT opgetreden in het geschil met T. Trucks.
2.6 Op 22 augustus 2022 heeft verweerder het volgende WhatsApp-bericht aan klager 1 gezonden:
“(…) ik had daarvoor tel contact met [broer E.] en daar was jouw vader ook bij aanwezig. (…) Ik heb aangegeven waar jouw pijnpunten liggen. (…). Ze gaven mij ook aan dat ze bepaalde stappen van jou kunnen begrijpen maar dat er over gesproken moet worden om gezamenlijke tekst en uitleg te geven. Ze verzochten mij of ik een dergelijk overleg zou kunnen regelen. Ik gaf namelijk aan dat ik geen partij kies maar het gezamenlijk belang van de [V]. B.V.’ s en GmbH voorop stel.”
2.7 Verweerder heeft in september 2022 in een aantal WhatsApp-berichten aan klager 1 meegedeeld dat vader G. bereid is alle geschilpunten met klager te bespreken, maar dat hij dan eerst de tenaamstellingscodes vrij moet geven, zodat VIT de trucks kan leveren en T. Trucks de koopsom zal betalen.
2.8 Omdat klager niet op deze berichten heeft gereageerd, heeft verweerder in zijn e-mail van 29 september 2022 aan hem bericht dat hij zijn bemiddelingswerkzaamheden in ieder geval voorlopig zou staken.
2.9 In het onder 2.3 vermelde onderlinge familieconflict is in oktober 2022 besloten tot een mediationtraject. Verweerder was hier niet bij betrokken. In het verslag van de mediator is vermeld dat is afgesproken dat klager de tenaamstellingscodes zou vrijgeven en dat de koopsom van de trucks, een bedrag van ruim vijf ton, zou worden gestort op een derdengeldenrekening bij een notaris, in afwachting van overeenstemming tussen de familieleden over de verdeling daarvan.
2.10 Nadat de benaderde notaris op 21 oktober 2022 had geweigerd zijn medewerking te verlenen vanwege het ontbreken van een onderliggende zaak, is verweerder door vader G. en broer E. gevraagd of de door T. Trucks te betalen koopsom op zijn derdengeldrekening zou kunnen worden gestort.
2.11 Op 8 november 2022 heeft de vertegenwoordiger van T. Trucks bij verweerder aangedrongen op onverwijlde levering van de trucks en gedreigd VIT aansprakelijk te stellen voor de ontstane vertraging.
2.12 Verweerder heeft op dezelfde dag overlegd met klager 1 en het volgende in zijn e-mail van 8 november 2022 aan hem bevestigd:
“(…) Je gaf mij aan dat je bereid bent om de 9 codes/overschrijvingsbewijzen vrij te geven vandaag aan [T. Trucks] als jij /respectievelijk [klager 3] betaald krijgen de bedragen €8.509 + €459 + €35.485,80 = €44.453,8.
(…) Ik ben op mijn beurt bereid om het bedrag ad € 507k Euro (…) op het rekeningnummer van de Stichting Derdengelden van mijn kantoor te houden, maar op voorwaarde dat jij en [broer E.] gezamenlijk een En/En rekening hebben geopend bij de Rabobank binnen de maand november 2022. Je gaf mij zojuist aan dat je daarmee akkoord bent en hierover ook al contact had met [broer E.].
De bedoeling van die rekening bij de Rabo is dat jullie beiden toegang hebben, maar dat jullie niet zonder elkaar overboekingen kunnen doen. Het bedrag ad € 507k Euro wordt dan door mij overgemaakt naar dat nieuwe rekeningnummer van de Rabobank. (…)”
2.13 Klager 1 heeft op deze e-mail dezelfde dag als volgt gereageerd:
“(…)Jouw bijlage heb ik gefilterd. Volgens mij is het zo juist. Wat mij binnenschoot: op jouw derdengelden rekening tegen finale kwijting van alle kampen over en weer in de vaststellingsovereenkomst. Bevoegden derdengeldrekening: [klager 1] en [broer E.]”
2.14 Vader G. en broer E. hebben ingestemd met betaling van een bedrag van ruim € 35.000 (in plaats van ruim € 44.000) aan klager 1 c.q. klager 3. voor het vrijgeven van de codes.
2.15 Verweerder heeft vervolgens op 8 november 2022 aan het eind van de middag (17.28 uur) per e-mail aan T. Trucks bevestigd dat klager 1 de codes zal leveren nadat T. Trucks de koopsom van ruim vijf ton heeft overgemaakt op de derdengeldenrekening van verweerder. Verder is bevestigd dat T. Trucks heeft toegezegd dat voor de ontstane vertraging finale kwijting zou worden verleend. Verweerder heeft dezelfde dag nog het bedrag van ruim vijf ton op de derdengeldrekening ontvangen, waarna klager de tenaamstellingcodes aan T. Trucks heeft gegeven.
2.16 Klager 1 heeft op 14 november 2022 in zijn e-mail aan zijn broer E., met cc aan verweerder, geschreven dat zij op korte termijn samen de bankrekening bij de Rabobank zullen aanvragen en dat dit ook “de prangende opdracht/insteek van verweerder is”.
2.17 Op 7 december 2022 hebben broer E. en verweerder de Rabobank bezocht. Klager 1 heeft ingebeld bij de bespreking. Klager 1 en zijn broer E. hebben de bank de opdracht gegeven een en/en-rekening te openen. De bankrekening is niet geopend, omdat klager 1 zijn handtekening niet heeft gezet.
2.18 Op 16 december 2022 heeft klager 1 verweerder gesommeerd om de gehele aankoopsom van de trucks van ruim vijf ton naar klager 2 door te storten. Deze sommatie is in december 2022 meerdere malen herhaald.
2.19 Naar aanleiding van de ontvangst van de definitieve factuur heeft T. Trucks in december 2022 een discussie met VIT gekregen over door T. Trucks gestelde schade omdat de BTW niet kon worden verrekend.
2.20 Op 20 december 2022 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen de familieleden, met verweerder als bemiddelaar. In zijn e-mail aan de familieleden van 28 december 2022 heeft verweerder laten weten dat het bedrag op de derdengeldrekening geparkeerd blijft staan, nu meerdere partijen, waaronder T. Trucks, hierop aanspraak maken. Hij heeft hieraan toegevoegd dat hij alleen op basis van een eenduidige instructie tot uitbetaling zal overgaan.
2.21 Op 3 januari 2023 heeft - buiten aanwezigheid van verweerder - een gesprek plaatsgevonden tussen klager 1, de heer B. namens VIT, vader G., broer E. en koper T. Trucks. Klager 1 is daarbij bijgestaan door zijn gemachtigde. Partijen zijn tot overeenstemming gekomen en de gemachtigde van klager heeft een door partijen ondertekende betalingsopdracht aan verweerder gezonden.
2.22 Verweerder heeft op 9 januari 2023 conform de betalingsopdracht een deel van het bedrag doorgestort aan klager 1 (ter grootte van € 362.388,50) en een deel teruggestort aan de kopende partij T. Trucks (ter grootte van € 192.500,00).
2.23 Op 29 februari 2023 heeft de gemachtigde van klagers verweerder aansprakelijk gesteld voor het bedrag dat verweerder heeft teruggestort aan T. Trucks.
3 KLACHT
3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door:
a) op 8 november 2022 een bedrag van € 554.888,50 op de derdengeldrekening van zijn kantoor te ontvangen, zonder een onderliggende zaak of dossier, maar dit bedrag ten onrechte niet door te storten (vergelijk artikel 6.19 van de Verordening op de advocatuur (Voda));
b) pas in januari 2023 over te gaan tot doorstorting van een bedrag van € 362.388,50 waardoor schade is berokkend ter hoogte van € 192.500,00;
c) te handelen in meerdere hoedanigheden, waaronder als advocaat en als bemiddelaar, zonder daarover duidelijkheid te verschaffen (vergelijk artikel 7.4 van de Voda);
d) belangen te verstrengelen in de zin van gedragsregel 15, dan wel zijn onafhankelijkheid in gevaar te brengen in de zin van gedragsregel 2;
e) de derdengeldenrekening van zijn kantoor ter beschikking te stellen en met de daarop gestorte gelden van (de) belanghebbende(n) te bankieren (vergelijk artikel 6.19 van de Voda en artikel 1a lid 4 sub c van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft);
f) niet te bewerkstelligen dat een duidelijke depotovereenkomst tot stand is gekomen.
Toelichting bij de klacht
Aan verweerder wordt door klagers in de kern verweten dat hij een aanzienlijk bedrag heeft ontvangen op zijn derdengeldenrekening en dit bedrag niet onmiddellijk heeft doorgestort aan klagers. Ook wordt verweerder verweten dat hij niet onafhankelijk en niet onpartijdig heeft gehandeld. Klager dacht dat verweerder als bemiddelaar ook zijn belangen behartigde, maar de zekerheid die klager in de vorm van de tenaamstellingscode van de trucks van VIT had, zijn hem door toedoen van verweerder ontfutseld. Verder heeft verweerder volgens klagers in verschillende rollen opgetreden en hebben deze rollen door elkaar gelopen, waarbij hij de onduidelijkheid daarover niet altijd heeft weggenomen.
4 VERWEER
4.1 Verweerder heeft tegen de klacht onder meer het volgende verweer gevoerd.
Klachtonderdelen a), b), e) en f)
4.2 Klager heeft in het mediationtraject - waarbij verweerder niet betrokken is geweest - ermee ingestemd dat het te betalen bedrag door T. Trucks op een derdengeldenrekening zou worden gestort en dat over dit bedrag alleen beschikt zou kunnen worden wanneer binnen de familie over de verdeling daarvan overeenstemming zou zijn bereikt. Verweerder werd hierover pas benaderd nadat een notaris had geweigerd zijn medewerking te verlenen. Er was wel degelijk een onderliggende zaak. Het op de derdengeldenrekening van verweerder te storten bedrag hield immers verband met de werkzaamheden van verweerder als belangenbehartiger van familiebedrijf V. en - in het verlengde hiervan – als bemiddelaar in het onderlinge geschil tussen de familieleden. Om onnodige schade en kosten te voorkomen diende het geschil met T. Trucks zo spoedig mogelijk opgelost te worden en een andere bankrekening waarop het betalen bedrag kon worden gestort ontbrak op het moment dat gehandeld moest worden. Omdat op 8 november 2022 het conflict met T. Trucks dreigde te escaleren, was er geen tijd voor het opmaken van een door alle partijen te ondertekenen depotovereenkomst. Dat hoefde ook niet, omdat dit een vormvrije overeenkomst is. Het waren bovendien beknopte en overzichtelijke afspraken die zich leenden voor een bevestiging per e-mail. Uit de overgelegde correspondentie blijkt duidelijk dat klager wist dat het bedrag niet doorgestort zou worden naar klagers, maar op een bankrekening waarvan hij en broer E. gezamenlijk de bevoegden zouden zijn. Klager heeft bovendien concrete stappen gezet om een en/en-rekening te openen. Ook uit het feit dat klager wilde bedingen dat een bedrag separaat aan hem betaald zou worden voor het vrijgeven van de tenaamstellingscodes blijkt dat hij wist dat niet het gehele bedrag op de derdengeldenrekening naar hem doorgestort zou gaan worden. Desondanks heeft klager medio december 2022 een draai van 180 graden gemaakt door tegen alle afspraken in namens klager 2 aanspraak te maken op betaling van het gehele bedrag op de derdengeldenrekening. Vervolgens bleek het geschil met T. Trucks niet volledig beslecht te zijn. Gelet op zijn onpartijdige rol kon verweerder niets anders doen dan het bedrag op de derdengeldenrekening aan te houden. Hij heeft hierover advies ingewonnen bij de deken. In januari 2023 werd verweerder geconfronteerd met een door de gemachtigde van klagers opgestelde eensluidende, onvoorwaardelijke betalingsopdracht, die geheel buiten hem om tot stand was gekomen. Voordat hij tot afdracht van de derdengelden is overgegaan, heeft verweerder nog geverifieerd of alle betrokkenen daadwerkelijk met de betalingsinstructie hadden ingestemd.
Klachtonderdelen c) en d)
4.3 Verweerder heeft ontkend dat hij onduidelijkheid zou hebben laten bestaan over de hoedanigheden waarin hij handelde. Hij heeft met nadruk betwist dat klager 1 hem heeft benaderd met een verzoek tot bijstand. Er is geen advocaat-cliënt relatie met klager 1 ontstaan. Met medeweten en instemming van de toenmalige bestuurder van VIT, de heer B., is verweerder benaderd door vader G. en broer E. om als advocaat op te treden van familiebedrijf V. inclusief VIT, in het geschil met T. Trucks over de verkoop en levering van de trucks. De declaraties van verweerder zijn verzonden aan het familiebedrijf. Van meet af aan heeft verweerder duidelijk gemaakt dat hij de gezamenlijke belangen behartigde van familiebedrijf V. en dat hij in het onderlinge geschil tussen de familieleden optrad als neutrale bemiddelaar zonder dat hij voor één (of enkele) van hen partij zou kiezen. Hij heeft dit in verschillende WhatsApp-berichten bevestigd. Bij de uitvoering van zijn werkzaamheden heeft verweerder een onafhankelijke houding ingenomen, zowel ten opzichte van het familiebedrijf als ten opzichte van de afzonderlijke familieleden.
5 BEOORDELING
Maatstaf
5.1 Deze zaak betreft klachten over verweerder als advocaat van de wederpartij. Voor alle advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is. Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie te controleren. Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij aan de wederpartij toebrengen. De raad zal het optreden van verweerder aan de hand van deze maatstaf beoordelen.
5.2 Deze zaak betreft ook klachten over verweerder in een andere hoedanigheid, namelijk de hoedanigheid van bemiddelaar. Het tuchtrecht is bedoeld om te waarborgen dat advocaten hun beroep behoorlijk uitoefenen. Het tuchtrecht kan ook volledig gelden wanneer een advocaat optreedt in een andere hoedanigheid dan die van advocaat, terwijl er wel voldoende aanknopingspunten zijn tussen (i) de gedraging waarvan hem een verwijt wordt gemaakt en (ii) de uitoefening van het beroep van advocaat. Zijn die aanknopingspunten er niet, of niet voldoende, dan beoordeelt de tuchtrechter slechts of de advocaat het vertrouwen in de advocatuur heeft geschaad. Nu er in deze zaak naar het oordeel van de raad voldoende aanknopingspunten zijn, is het advocatentuchtrecht volledig van toepassing.
Klachtonderdelen a) en b); bedrag op derdengeldenrekening niet direct en niet volledig doorstorten naar klagers
5.3 De klachtonderdelen a) en b) lenen zich voor een gezamenlijke behandeling.
5.4 Voor zover klachtonderdeel a) betrekking heeft op het verwijt dat het bedrag van ruim vijf ton op de derdengeldenrekening van verweerder heeft gestaan zonder een onderliggende zaak of dossier, oordeelt de raad dat klagers geen belang hebben bij dit onderdeel van hun klacht. Alleen de persoon of de rechtspersoon die door het handelen of nalaten van een advocaat direct in zijn belang wordt of kan worden getroffen, heeft het recht om hierover een klacht in te dienen. Dit staat in de Advocatenwet. Als het in het algemeen belang is dat er een tuchtprocedure komt, dan heeft de deken het recht om te klagen. Hoewel naar het oordeel van de raad wel sprake was van een onderliggend dossier aangezien verweerder in ieder geval als advocaat heeft opgetreden in het geschil tussen VIT en T. Trucks, hebben klagers niet een voldoende eigen en rechtstreeks belang bij dit onderdeel van de klacht en zal de klacht in zoverre niet-ontvankelijk worden verklaard.
5.5 Verder wordt verweerder in deze klachtonderdelen verweten dat hij het bedrag van ruim vijf ton tot 3 januari 2023 in depot heeft gehouden in plaats van direct door te storten naar klagers en tevens dat hij uiteindelijk een lager bedrag naar klagers heeft doorgestort waardoor zij schade hebben geleden. De raad is van oordeel dat verweerder niet kan worden verweten dat hij het bedrag van ruim vijf ton niet direct na vrijgave van de tenaamstellingscodes heeft doorgestort naar klagers. Uit de overgelegde stukken blijkt dat is afgesproken dat het door T. Trucks op de derdengeldenrekening te storten bedrag - afgezien van het bedrag van ruim € 35.000 dat in ruil voor het vrijgeven van de tenaamstellingscodes aan klager 1 zou worden betaald - binnen de maand november 2022 door verweerder zou worden doorgestort naar een te openen en/en-rekening, omdat nog overeenstemming moest worden bereikt over de verdeling ervan. Verweerder heeft in zijn e-mail aan klager 1 van 8 november 2022 om 12.03 uur duidelijk aangegeven wat de afspraak was en klager 1 heeft deze vervolgens in diverse e-mails bevestigd. De raad acht het dan ook niet aannemelijk dat klager 1 niet zou hebben begrepen wat de afspraak inhield dan wel daarmee niet akkoord is gegaan, zoals klager 1 tijdens de zitting van de raad naar voren heeft gebracht. Bovendien heeft klager 1 concrete stappen gezet om een en/en rekening te openen. Verweerder heeft geen uitvoering kunnen geven aan de gemaakte afspraak, omdat klager 1 uiteindelijk geen medewerking heeft verleend aan de opening van de bankrekening. Dit kan verweerder niet worden verweten.
5.6 Klagers kunnen evenmin worden gevolgd in hun verwijt dat verweerder op 3 januari 2023 maar een gedeelte van het in depot gehouden bedrag naar klagers heeft doorgestort. Verweerder heeft immers slechts uitvoering gegeven aan een betalingsopdracht die zonder zijn bemoeienis tot stand is gekomen tussen de betrokken partijen. Klagers zijn daarbij bijgestaan door hun gemachtigde en de betalingsopdracht is medeondertekend door klager 1. Niet valt in te zien op welke grond verweerder zou kunnen worden verweten dat hij uitvoering heeft gegeven aan de door de betrokken partijen ondertekende betalingsopdracht.
5.7 Op grond van het voorgaande, zullen klachtonderdelen a) en b) - afgezien van het gedeelte van klachtonderdeel a) dat niet-ontvankelijk is - ongegrond worden verklaard.
Klachtonderdelen c) en d): onduidelijkheid over meerdere hoedanigheden, belangenverstrengeling en in gevaar brengen van onafhankelijkheid
5.8 De klachtonderdelen c) en d) lenen zich voor een gezamenlijke behandeling.
5.9 Gelet op het verweer en de overgelegde stukken is niet komen vast te staan dat een cliëntrelatie is ontstaan tussen verweerder en klagers. Aangezien alleen kan worden geklaagd over een belangenverstrengeling door de cliënt van een advocaat, hebben klagers onvoldoende eigen en rechtstreeks belang bij hun klacht over belangenverstrengeling, zoals bedoeld in gedragsregel 15. In zoverre zal klachtonderdeel d) voor wat betreft de belangenverstrengeling niet-ontvankelijk worden verklaard.
5.10 De raad constateert dat verweerder heeft opgetreden als advocaat van VIT in het conflict met T. Trucks over de levering van de trucks. Het was in het belang van zijn cliënt VIT dat klager 1 met spoed de in zijn bezit zijnde tenaamstellingscodes aan T. Trucks zou geven, omdat deze dreigde met een aansprakelijkstelling als niet onverwijld geleverd zouden worden. Het probleem binnen de familie in verband waarmee klager 1 de codes als een soort zekerheidstelling onder zich hield, stond de levering aan T. Trucks derhalve in de weg. Verweerder heeft om die reden bij klager 1 aangedrongen op vrijgave van de tenaamstellingscodes. Hij heeft daarmee vanuit de belangen van zijn cliënt VIT gehandeld. Dit betekent dat hij een partijdig belang diende en daarom niet tegelijkertijd kon optreden als onpartijdig bemiddelaar in het familieconflict. Deze belangen liepen immers niet (geheel) gelijk op. Dat klagers indirect uiteindelijk ook belang hadden bij een tijdige levering aan T. Trucks doet hier niet aan af. Verweerder had aan klager 1 duidelijk moeten laten weten dat hij handelde als belangenbehartiger van zijn cliënt VIT en had klager 1 om die reden moeten adviseren een eigen belangenbehartiger in de arm te nemen.
5.11 Uit het voorgaande volgt dat verweerder onvoldoende duidelijkheid heeft verschaft over zijn verschillende hoedanigheden en zijn onafhankelijkheid in de zin van artikel 2 van de Advocatenwet in gevaar heeft gebracht door zich op te werpen als bemiddelaar in een conflict waarin hij tevens advocaat van één van de partijen was. In zoverre zullen klachtonderdelen c) en d) gegrond worden verklaard.
Klachtonderdeel e): bankieren met op derdengeldenrekening gestort geld
5.12 Zoals overwogen onder 5.4, dient een klager een eigen belang te hebben bij een klacht en kan alleen de deken in het algemeen belang een klacht indienen. De raad is van oordeel dat klager een onvoldoende eigen en rechtstreeks belang heeft bij dit klachtonderdeel. Om die reden zal klachtonderdeel e) niet-ontvankelijk worden verklaard.
5.13 Ten overvloede overweegt de raad dat niet valt in te zien wat klager verweerder op dit punt zou kunnen verwijten, nu verweerder mede op verzoek van klager zelf het geld op zijn derdengeldenrekening heeft ontvangen en de derdengeldenbetalingen heeft verricht.
Klachtonderdeel f): geen duidelijke depotovereenkomst
5.14 Klagers verwijten verweerder in dit klachtonderdeel dat hij geen depotovereenkomst heeft opgesteld, waardoor onduidelijkheid is gecreëerd over de vraag ten behoeve van wie en onder welke omstandigheden hij de derdengelden aanhield en T. Trucks een positie heeft gekregen ten aanzien van het op de derdengeldenrekening gestorte bedrag.
5.15 De raad is met verweerder van oordeel dat er geen verplichting is om afspraken over een depot in een depotovereenkomst vast te leggen. Hoewel een schriftelijke vastlegging in een depotovereenkomst de voorkeur verdient, is de raad van oordeel dat in de e-mail van verweerder van 8 november 2022 om 12.03 uur voldoende duidelijk de afspraken over het depot zijn vastgelegd en ook een heldere uitleg is gegeven over de te openen en/en-rekening. Gezien de hoge tijdsdruk kon hiermee worden volstaan.
5.16 De complicatie dat T. Trucks vervolgens in december 2022 vanwege een BTW-kwestie aanspraak heeft gemaakt op het op de derdengeldenrekening in depot gehouden bedrag kwam naar het oordeel van de raad niet voort uit onduidelijkheid over de gemaakte afspraken ten aanzien van het depot, maar uit het feit dat verweerder het in depot gehouden bedrag niet conform afspraak in november 2022 heeft kunnen doorstorten naar een en/en-rekening die door klager 1 en broer E. zou worden geopend. Klachtonderdeel f) zal ongegrond worden verklaard.
6 MAATREGEL
6.1 Klachtonderdeel c) is gegrond en klachtonderdeel d) is deels gegrond. Door tegelijkertijd advocaat voor één van de partijen en bemiddelaar voor alle partijen te zijn, heeft verweerder de kernwaarde van de onafhankelijkheid geschonden. De raad acht dit een ernstig verwijt. Verweerder handelde echter onder hoge tijdsdruk en het is de raad niet gebleken dat hij heeft beoogd klagers te benadelen. Gelet hierop en gelet op het feit dat hij geen tuchtrechtelijk verleden heeft, zal worden volstaan met oplegging van de maatregel van een berisping.
7 GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING
7.1 Omdat de raad de klacht gedeeltelijk gegrond verklaart, moet verweerder op grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klager 1 betaalde griffierecht van € 50,- aan hem vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden. Klager 1 geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing zijn rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.
7.2 Omdat raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerder daarnaast op grond van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten:
a) € 50,- aan forfaitaire reiskosten van klager 1,
b) € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en
c) € 500,- kosten van de Staat.
7.3 Verweerder moet het bedrag van € 50,- aan forfaitaire reiskosten binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, betalen aan klager 1. Klager 1 geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing zijn rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.
7.4 Verweerder moet het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.2 onder b en c genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline" en het zaaknummer.
BESLISSING
De raad van discipline:
- verklaart klachtonderdeel a) voor zover dit het verwijt betreft dat er geen onderliggende zaak of dossier is, klachtonderdeel d) voor zover dit het verwijt van belangenverstrengeling betreft en klachtonderdeel e) niet-ontvankelijk;
- verklaart klachtonderdeel c) en klachtonderdeel d) voor zover dit het verwijt van het in gevaar brengen van de onafhankelijkheid betreft, gegrond;
- verklaart de klacht voor het overige ongegrond;
- legt aan verweerder de maatregel van berisping op;
- veroordeelt verweerder tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klager 1;
- veroordeelt verweerder tot betaling van de reiskosten van € 50,- aan klager 1, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.3;
- veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.4.
Aldus beslist door mr. O.P. van Tricht, voorzitter, mrs. E.J.C. de Jong, L.S. Wachters, E.H.M. Harbers en G.W. Roest, leden, bijgestaan door mr. W.E. Markus-Burger als griffier en uitgesproken in het openbaar op 19 januari 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op : 19 januari 2026
