Rechtspraak
Uitspraakdatum
19-01-2026
ECLI
ECLI:NL:TADRSGR:2026:17
Zaaknummer
25-463/DH/DH
Inhoudsindicatie
Raadsbeslissing. Klacht van advocaat over advocaat. Schending van gedragsregels 21 en 25. Verweerder heeft een brief rechtstreeks aan de cliënten van klager gestuurd, terwijl zij werden bijgestaan door klager. Hij heeft bovendien geen afschrift van de brief aan klager gestuurd. Verweerder heeft klager bovendien geen afschrift van zijn verzoek om doorhaling verzocht. Hoewel verweerder heeft erkend dat een en ander niet goed is gegaan, had hij de gemaakte fouten concreter kunnen erkennen en ook moeten corrigeren. Waarschuwing.
Uitspraak
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 19 januari 2026 in de zaak 25-463/DH/DH naar aanleiding van de klacht van:
klager
over
verweerder
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE 1.1 Op 5 februari 2025 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder. 1.2 Op 14 juli 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk K030 2025 van de deken ontvangen. 1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 24 november 2025. Daarbij waren klager en verweerder aanwezig. 1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de op de bijbehorende inventarislijsten genoemde bijlagen.
2 FEITEN 2.1 Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten. 2.2 Verweerder staat de verhuurder van een woning bij. In mei 2024 heeft verweerder de huurders aangeschreven met het verzoek te verhuizen. 2.3 Klager heeft zich in mei 2024 voor de huurders als behandelend advocaat gesteld en heeft op 24 mei 2024 namens de huurders gereageerd. 2.4 In november 2024 is verweerder een (bodem)procedure gestart. Klager heeft zich op 2 december 2024 als gemachtigde van de huurders in die procedure gesteld. 2.5 Op 3 december 2024 is verweerder een kort geding gestart. Dit kort geding is op 19 december 2024 mondeling behandeld. 2.6 Verweerder heeft het kort geding en de bodemprocedure vervolgens ingetrokken. 2.7 Bij brieven van 23 december 2024 heeft verweerder de cliënten van klager aangeschreven over opzegging van de huurovereenkomst per 1 juli 2025. 2.8 Op 10 januari 2025 heeft klager kopieën van deze brieven aan verweerder gestuurd en daarbij geschreven dat hij meent dat verweerder gedragsregel 25 heeft geschonden. 2.9 Op 14 januari 2025 heeft verweerder hierop gereageerd en onder meer geschreven: “Naar aanleiding van uw opmerking dat de opzegging niet goed was heb ik geprobeerd deze te herstellen. Mocht ik u tekort hebben gedaan dan bied ik u mijn excuses aan. Dat heb ik niet bewust gedaan. Ik wil deze zaak alleen op een correcte manier afhandelen.” 2.10 In januari 2025 heeft verweerder de rechtbank om doorhaling van de bodemprocedure verzocht. Hij heeft klager hier niet van in kennis gesteld. 2.11 Bij brief van 28 januari 2025 heeft klager aan verweerder onder meer geschreven: “Bij brief van 16 januari jl. (…) berichtte de Rechtbank Den Haag mij dat de rechtszaak die u namens uw cliënt tegen mijn cliënten aanhangig heeft gemaakt is doorgehaald en dat de zaak als afgedaan wordt beschouwd. Met mijn e-mailbericht van 23 januari jl., waarvan ik u een kopie zond en dat u kennelijk de volgende ochtend heeft geopend, heb ik de rechtbank om opheldering gevraagd, omdat u mij in ieder geval niet om medewerking bij doorhaling had gevraagd, terwijl u mij evenmin kopie had gezonden van een verzoek om doorhaling. Op dat bericht van 23 januari jl. heb ik, voor zover ik kan nagaan, van u geen reactie ontvangen. (…) Graag ontvang ik van uw verzoek om doorhaling een kopie. Als u van dat verzoek niet gelijktijdig aan mij een kopie heeft gezonden en als uit uw verzoek niet blijkt dat u mij ervan gelijktijdig een kopie heeft gezonden, meen ik dat u Gedragsregel 21 heeft geschonden.” 2.12 Bij brief van dezelfde dag heeft klager aan verweerder laten weten dat hij kan instemmen met het verzoek om doorhaling, mits verweerders cliënt uiterlijk op 6 februari 2025 de kostenvergoeding betaalt. 2.13 Verweerder heeft op de berichten van 28 januari 2025 niet gereageerd.
3 KLACHT 3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerder dat hij in strijd met gedragsregel 21 en 25 heeft gehandeld. 3.2 Klager heeft toegelicht dat verweerder, zonder klagers toestemming, zich rechtstreeks schriftelijk tot klagers cliënten heeft gewend. Verweerder heeft daarbij geen kopie van zijn brieven aan klager gestuurd. Vervolgens heeft verweerder zich zonder klagers toestemming tot de rechter gewend. Verweerder heeft om doorhaling van de door hem aanhangig gemaakte zaak gevraagd, terwijl klager zich in die zaak namens zijn cliënten had gesteld. Verweerder heeft geen kopie van zijn verzoek aan klager gestuurd, ook niet nadat klager hem daarom heeft gevraagd.
4 VERWEER 4.1 Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. 4.2 Verweerder heeft toegelicht dat de communicatie tussen hem en klager door samenloop van omstandigheden niet goed is verlopen. Hij heeft het verloop van de onderliggende zaak geschetst. 4.3 Ten aanzien van de brieven aan de huurders: Verweerder stelt dat zijn cliënt hem in december 2024 verzocht de gestarte procedure in te trekken en nieuwe (correcte) opzegbrieven aan de huurders te versturen. Verweerder had de nieuwe opzegbrieven klaarliggen, maar werd toen ziek. Zijn secretaresse zag de stukken klaarliggen en heeft zonder overleg met verweerder de brieven verzonden. Het was niet de bedoeling om zonder instemming van klager nieuwe brieven naar de huurders te verzenden. Verweerder weet dat hij voor zijn kantoor en de werkzaamheden verantwoordelijk is. Hij betreurt dit ten zeerste en heeft zijn excuses aan klager aangeboden. 4.4 Ten aanzien van de intrekking: Op verzoek van zijn cliënt en na overleg met klager heeft verweerder de dagvaarding in de bodemprocedure op 20 november 2024 aan het kantoor van klager betekend. Kort na de procedure in kort geding heeft verweerders cliënt verweerder uitdrukkelijk verzocht om de dagvaarding in te trekken. Dit is op 19 december 2024 gebeurd. Op dat moment was het voor verweerder niet duidelijk of klager zich had gesteld in de bodemprocedure. Klager had zich op 18 december 2024 in de bodemprocedure gesteld en vervolgens uitstel voor antwoord verzocht. Verder waren er geen handelingen met betrekking tot de bodemprocedure verricht. 4.5 De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
5 BEOORDELING Toetsingskader 5.1 De tuchtrechter dient bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in artikel 10a Advocatenwet. De tuchtrechter toetst daarbij of de advocaat heeft gehandeld met de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwame en redelijke handelende advocaat in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht. Een advocaat dient zich te allen tijde te onthouden van een handelen of nalaten dat een behoorlijk advocaat niet betaamt. 5.2 De gedragsregels beogen invulling te geven aan de eisen die mogen worden gesteld aan een goede taakuitoefening door een behoorlijk handelende advocaat. De tuchtrechter toetst aan de norm van artikel 46 van de Advocatenwet en niet aan de gedragsregels, waarbij de gedragsregels zo nodig wel van betekenis kunnen zijn bij die toets. 5.3 In gedragsregel 21 staat: “1. Het is de advocaat niet geoorloofd zich in een aanhangig geding anders dan tezamen met de advocaat van de wederpartij tot de rechter aan wiens oordeel of de instantie aan wier oordeel de zaak is onderworpen te wenden, tenzij schriftelijk en met gelijktijdige toezending van een afschrift van de mededeling aan de advocaat van de wederpartij en voorts zo tijdig dat die advocaat voldoende gelegenheid heeft om op de mededeling te reageren.” 5.4 In gedragsregel 25 staat: “1. De advocaat stelt zich met een partij betreffende een aangelegenheid, waarin deze naar hij weet door een advocaat wordt bijgestaan, niet anders in verbinding dan door tussenkomst van die advocaat, tenzij deze laatste hem toestemming geeft rechtstreeks met die partij in verbinding te treden. Deze regel geldt onverminderd wanneer de bedoelde partij zich tot de advocaat wendt. 2. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid mag de advocaat die een aanzegging met rechtsgevolg doet, dat rechtstreeks aan een partij doen, mits met gelijktijdige verzending van een afschrift aan diens advocaat en op voorwaarde dat de mededeling aan een partij beperkt blijft tot deze aanzegging met rechtsgevolg. Indien de advocaat het beoogde rechtsgevolg ook kan bereiken door zijn brief alleen aan de advocaat van een partij te zenden, geldt voormelde uitzondering niet.” De brieven aan de huurders (gedragsregel 25) 5.5 Niet ter discussie staat dat klagers beide cliënten een brief van verweerder (gedateerd 23 december 2024) hebben ontvangen. Deze brieven zijn direct aan de cliënten gestuurd, terwijl zij op dat moment werden bijgestaan door klager. Klager heeft bovendien geen kopie van verweerder ontvangen. Dat de brieven blijkbaar zonder overleg met verweerder door verweerders secretaresse verstuurd zijn, kan verweerder niet vrijpleiten. Verweerder is hier verantwoordelijk voor. 5.6 Of sprake is van brieven met daarin een aanzegging met rechtsgevolg kan in het midden blijven. Als sprake is van een aanzegging met rechtsgevolg, had verweerder gelijktijdig een kopie aan klager moeten sturen. Dat is niet gebeurd. Als geen sprake is van een aanzegging met rechtsgevolg, had verweerder de brieven überhaupt niet direct naar de cliënten van klager mogen sturen. Verweerder heeft gehandeld in strijd met gedragsregel 25. Naar het oordeel van de raad heeft hij daarmee ook tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld. De intrekking van de procedure (gedragsregel 21) 5.7 Verweerder heeft om doorhaling van de bodemprocedure verzocht zonder klager daarvan in kennis te stellen. Verweerder wist, of had in ieder geval moeten weten, dat klager zich als advocaat in die procedure gesteld had. Klager had zich immers al op 2 december 2024 in die procedure gesteld. Verweerder had klager dan ook een afschrift van zijn verzoek om doorhaling moeten sturen. Nu hij dat niet heeft gedaan, heeft hij gehandeld in strijd met gedragsregel 21. Daarvan kan hem een tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt. Het verbaast de raad daarbij dat verweerder niet heeft voldaan aan het (alleszins redelijke) verzoek van klager om alsnog een afschrift van het verzoek om doorhaling te mogen ontvangen en dat verweerder evenmin heeft gereageerd op het bericht van klager over de kostenvergoeding. Als het voor hem onduidelijk was, had hij daarover contact kunnen zoeken met klager. Conclusie 5.8 Verweerder heeft gehandeld in strijd met gedragsregel 21 en 25. Daarvan kan hem een tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt. De klacht is gegrond.
6 MAATREGEL 6.1 Verweerder heeft gehandeld in strijd met gedragsregels 21 en 25. Hoewel verweerder in de tuchtprocedure heeft erkend dat een en ander niet goed is gegaan, had hij eerder en concreter de gemaakte fouten kunnen erkennen. Daarbij had hij ook de gemaakte fouten kunnen en moeten corrigeren, bijvoorbeeld door klager alsnog een afschrift van zijn verzoek om doorhaling te sturen. 6.2 De raad is van oordeel dat een zakelijke terechtwijzing nodig is en legt daarom de maatregel van waarschuwing op.
7 GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING 7.1 Omdat de raad de klacht gegrond verklaart, moet verweerder op grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klager betaalde griffierecht van € 50,- aan hem vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden. Klager geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing zijn rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door. 7.2 Nu de raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerder daarnaast op grond van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten: a) € 50,- reiskosten van klager, b) € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en c) € 500,- kosten van de Staat. 7.3 Verweerder moet het bedrag van € 50,- aan reiskosten binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, betalen aan klager. Klager geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing zijn rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door. 7.4 Verweerder moet het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.2 onder b en c genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline" en het zaaknummer. BESLISSING De raad van discipline: - verklaart de klacht gegrond; - legt aan verweerder de maatregel van waarschuwing op; - veroordeelt verweerder tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klager; - veroordeelt verweerder tot betaling van de reiskosten van € 50,- aan klager, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.3; - veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.4.
Aldus beslist door mr. A.E.A.M. van Waesberghe, voorzitter, mrs. A.T. Bol en M.F.H. Broekman, leden, bijgestaan door mr. C.M. van de Kamp als griffier en uitgesproken in het openbaar op 19 januari 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 19 januari 2026
