Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

12-01-2026

ECLI

ECLI:NL:TADRSGR:2026:10

Zaaknummer

25-317/DH/DH

Inhoudsindicatie

Raadsbeslissing.  Klacht over de advocaat van de wederpartij. Verwijt is rauwelijks dagvaarden. Daarvan is geen sprake, omdat verweerder eerder al had aangekondigd tot dagvaarden over te zullen gaan. Door verweersters handelwijze is klaagster niet in haar belangen geschaad. Klacht ongegrond.

Uitspraak

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 12 januari 2026 in de zaak 25-317/DH/DH naar aanleiding van de klacht van:

[…] B.V. gemachtigde: [Z] (directeur) klaagster 

over

verweerster  gemachtigde: mr. O.M. Bos-Steenbergen

1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE 1.1    Op 2 januari 2025 heeft klaagster bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerster. 1.2    Op 12 mei 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk K006 2025 ia/ak van de deken ontvangen.  1.3    De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 17 november 2025. Daarbij was verweerster met haar gemachtigde aanwezig. (Gemachtigde van) klaagster is, hoewel behoorlijk opgeroepen, zonder bericht niet verschenen. 1.4    De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 03 tot en met 07 (inhoudelijk) en 1. tot en met 10. (procedureel). 

2    FEITEN 2.1    Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad uit van de volgende feiten. 2.2    Verweerster staat de heer M. en zijn echtgenote bij met betrekking tot een medio 2020 gerezen geschil over door klaagster uitgevoerde werkzaamheden ter zake van de bouw van hun woonhuis.  2.3    In 2023 hebben de cliënten van verweerster enkele onderzoeken door deskundigen laten uitvoeren. De deskundigenrapportages zijn op 23 augustus 2023 door verweerster aan de advocaat van klaagster gestuurd met het verzoek daarop binnen zeven dagen inhoudelijk te reageren. Tevens is klaagster daarbij aansprakelijk gesteld voor de schade die in die rapportages was vastgesteld. Aangekondigd is dat bij uitblijven van een tijdige reactie rechtsmaatregelen zouden worden getroffen. 2.4    Per e-mail van 24 augustus 2023 heeft de advocaat van klaagster aan verweerster laten weten dat de gestelde termijn van zeven dagen te kort is om te reageren. Bij brief van 1 september 2023 heeft hij vervolgens aan verweerster een aantal vragen gesteld over de rapportages.  2.5    Verweerster heeft deze vragen bij e-mail van 7 september 2023 beantwoord en verzocht om een reactie binnen zeven dagen. Daarbij schrijft verweerster dat bij uitblijven van een tijdige reactie, verweerster opdracht heeft de procedure te starten tenzij een voorstel voor een minnelijke oplossing zou worden gedaan. 2.6    In antwoord op haar e-mail van 7 september 2023 ontving verweerster een automatisch afwezigheidsbericht, waarin was vermeld dat de advocaat van klaagster op 22 september 2023 weer aanwezig zou zijn.  2.7    Verweerster heeft niets meer van de advocaat van klaagster vernomen.  2.8    Op 17 december 2024 heeft verweerster een dagvaarding aan de deurwaarder gezonden met het verzoek deze aan klaagster te betekenen. 2.9    De deurwaarder heeft de dagvaarding op 24 december 2024 aan klaagster betekend. Gedagvaard is te verschijnen op 8 januari 2025. 2.10    Klaagster heeft (bij monde van haar advocaat) verzocht de dagvaarding in te trekken. Verweerster heeft dat geweigerd. Wel heeft zij op 30 december 2024 aangeboden reeds vooraf in te stemmen met een tweede verzoek tot uitstel voor het indienen van de conclusie van antwoord. 2.11    Op 2 januari 2025 heeft klaagster een klacht over verweerster ingediend bij de deken.

3    KLACHT 3.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld zoals bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door, nadat zij anderhalf jaar niets van zich had laten horen, zonder enige aankondiging tot dagvaarding over is gegaan waarbij bovendien ook is gekozen om te dagvaarden één dag voor de kerstdagen. Hiermee worden de belangen van klaagster geschaad. 3.2    De raad zal hierna op de klacht ingaan. 

4    VERWEER  4.1    Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan. 

5    BEOORDELING Toetsingskader 5.1    Naar vaste jurisprudentie van het hof van discipline dient de tuchtrechter bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, onder andere inhoudende dat advocaten zich dienen te onthouden van enig handelen of nalaten dat een behoorlijk advocaat niet betaamt. Artikel 10a van de Advocatenwet bevat de kernwaarden die advocaten bij de uitoefening van hun beroep in acht dienen te nemen.  5.2    De onderhavige klacht betreft het handelen van verweerder als advocaat van de wederpartij. De maatstaf die de raad bij de beoordeling daarvan hanteert, is mede ingegeven door de voor advocaten geldende kernwaarde partijdigheid en houdt het volgende in. Een advocaat geniet een grote mate van vrijheid om de belangen van zijn cliënt te behartigen op de wijze die hem passend voorkomt. Deze vrijheid mag niet ten gunste van een wederpartij worden beperkt, tenzij haar belangen nodeloos en op ontoelaatbare wijze worden geschaad. Zo mag de advocaat (a) zich niet onnodig grievend uitlaten over de wederpartij, (b) geen feiten poneren waarvan hij de onwaarheid kent of redelijkerwijs kan kennen, (c) bij de behartiging van de belangen van zijn cliënt de belangen van de wederpartij niet onnodig of onevenredig schaden zonder redelijk doel. De advocaat hoeft in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat hij voor zijn cliënt wil bereiken met de middelen waarvan hij zich bedient, opweegt tegen het nadeel dat hij daarmee aan de wederpartij toebrengt. Wel moet de advocaat zich onthouden van middelen die op zichzelf beschouwd ongeoorloofd zijn of die, zonder dat zij tot enig noemenswaardig voordeel van zijn cliënt strekken, onevenredig nadeel aan de wederpartij toebrengen. 5.3    Voor de beoordeling van de klacht wordt bij bovenstaande uitgangspunten aansluiting gezocht.  Inhoudelijk 5.4    Klaagster verwijt verweerster kort gezegd dat zij haar rauwelijks heeft gedagvaard. Daarvan is naar het oordeel van de raad geen sprake. Verweerster heeft onweersproken gesteld dat zij (de advocaat van) klaagster zowel op 17 augustus 2023 als op 7 september 2023 had aangekondigd tot dagvaarding te zullen overgaan indien niet binnen de gestelde termijn zou worden gereageerd. Vervolgens heeft verweerster weliswaar ruim een jaar laten verstrijken alvorens de daad bij het woord te voegen, maar dat leidt er niet toe dat zij hiermee de grenzen van het tuchtrecht heeft overschreden. Klaagster was immers op de hoogte van de aankondiging van een procedure. Bovendien staat vast dat de advocaat van klaagster niet meer heeft gereageerd op de laatste e-mail van verweerster.  5.5    Door de handelwijze van verweerster is klaagster niet in haar belangen geschaad. Weliswaar is denkbaar dat klagers het als vervelend hebben ervaren dat de dagvaarding op 24 december is betekend aan hen. Echter, dit is een “gewone’’ werkdag waarop een deurwaarder ambtshandelingen mag verrichten. Daarbij komt nog dat verweerster onweersproken heeft gesteld dat niet zij, maar de deurwaarder, de precieze betekeningsdatum heeft bepaald. Vervolgens heeft verweerster reeds vooraf met een tweede uitstel voor het indienen van de conclusie van antwoord ingestemd. Hierdoor was voor de advocaat van klaagster voldoende tijd beschikbaar om deze conclusie in te dienen.  5.6    Voor zover klaagster tevens bedoelt te betogen dat verweerster zonder opdracht van haar cliënten heeft gehandeld, hetgeen overigens niet uit het dossier is gebleken, merkt de raad op dat het in dat geval aan de cliënten van verweerster zou zijn zich daarover te beklagen. Er blijkt niet dat klaagster op dit punt in enig eigen belang is geschaad.  5.7    Het voorgaande leidt ertoe dat de raad de klacht ongegrond zal verklaren.  5.8    Ten overvloede merkt de raad nog op dat ter zitting met verweerster is gesproken over de gang van zaken en zij heeft medegedeeld dat binnen haar kantoor op de kwestie is gereflecteerd, waarna het beleid binnen het kantoor is aangepast. Indien er veel tijd is verstreken na een laatste contact met een (advocaat van de) wederpartij, wordt - alvorens tot dagvaarden over te gaan - eerst een extra sommatie verzonden. De raad acht dat positief.    

BESLISSING De raad van discipline verklaart de klacht ongegrond. 

Aldus beslist door mr. A. van Luijck, voorzitter, mrs. A.B. Baumgarten, N. de Boer, E.A.L. van Emden en J.G. Colombijn-Broersma, leden, bijgestaan door mr. M.M.C. van der Sanden als griffier en uitgesproken ter openbare zitting van 12 januari 2026.

Griffier    Voorzitter

Verzonden op: 12 januari 2026