Rechtspraak
Uitspraakdatum
19-01-2026
ECLI
ECLI:NL:TADRARL:2026:16
Zaaknummer
25-768/AL/MN
Inhoudsindicatie
De voorzitter verklaart een klacht over de advocaat van de wederpartij kennelijk ongegrond.
Uitspraak
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden van 19 januari 2026 in de zaak 25-768/AL/MN
naar aanleiding van de klacht van:
klager
over
verweerder
De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief met bijlagen van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Midden-Nederland (hierna: de deken) van 6 november 2025 met kenmerk 2386120.
1 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.
1.1 Klager is door zijn werkgever beschuldigd van onregelmatigheden. Deze werkgever wordt bijgestaan door verweerder.
1.2 Klager heeft op 21 augustus 2024 een gesprek (in het Engels) gehad met een medewerker van zijn werkgever en verweerder. In dat gesprek is gesproken over de onregelmatigheden, die klager volgens zijn werkgever heeft begaan. Ook is in dat gesprek gesproken over het sluiten van een vaststellingsovereenkomst naar aanleiding van die onregelmatigheden.
1.3 Klager heeft van dit gesprek, buiten medeweten van de gesprekpartners, geluidsopnamen gemaakt.
1.4 Op 30 oktober 2025 heeft klager bij de deken een klacht ingediend over verweerder.
2 KLACHT
2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door:
a) te dreigen/te chanteren door te zeggen dat zijn werkgever de beschuldigingen tegen hem openbaar zou maken als hij de vaststellingsovereenkomst niet zou ondertekenen;
b) hem weg te houden van juridisch advies.
3 VERWEER
3.1 Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
4 BEOORDELING
Maatstaf
4.1 De klacht heeft betrekking op het handelen van de advocaat van de wederpartij van klager. Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Discipline komt aan deze advocaat een grote mate van vrijheid toe om de belangen van zijn cliënt te behartigen op een wijze die hem, in overleg met zijn cliënt, goeddunkt. Deze vrijheid is niet onbeperkt, maar kan onder meer worden ingeperkt als de advocaat a) zich onnodig grievend uitlaat over de wederpartij, b) feiten poneert waarvan hij weet of redelijkerwijs kan weten dat deze in strijd met de waarheid zijn dan wel c) (anderszins) bij de behartiging van de belangen van zijn cliënt de belangen van de wederpartij onnodig of onevenredig schaadt zonder dat daarmee een redelijk doel wordt gediend.
Beoordelingen van de beide klachtonderdelen
4.2 Uit de stukken blijkt dat klager een gesprek heeft gehad met een medewerker van zijn werkgever en verweerder, de advocaat van zijn werkgever. In dat gesprek is gesproken over onregelmatigheden, die klager volgens zijn werkgever heeft begaan en over het sluiten van een vaststellingsovereenkomst naar aanleiding van die onregelmatigheden.
4.3 Klager stelt dat verweerder hem in dit gesprek heeft gechanteerd door te zeggen dat zijn werkgever de beschuldigingen tegen hem openbaar zou maken als hij de vaststellingsovereenkomst niet zou ondertekenen. Ook zou verweerder hem weg hebben proberen te houden van juridische bijstand. Volgens klager blijkt dit uit de geluidsopnamen. Verweerder heeft deze verwijten betwist.
4.4 De voorzitter is van oordeel dat niet vast is komen te staan dat verweerder klager heeft gechanteerd of onder druk heeft gezet. Uit de (niet altijd goed verstaanbare) verklaringen van klager en verweerder, blijkt dat verweerder de woorden ‘make public’ heeft gebruikt. Verweerder heeft hierover aangevoerd dat het ging om een zakelijke mededeling van de mogelijke gevolgen van het niet tot stand komen van een vaststellingsovereenkomst en dat hij hiermee alleen heeft willen zeggen dat in dat geval anderen (werkzaam bij de werkgever) kennis zouden kunnen nemen van wat klager wordt verweten. Deze uitleg van verweerder over de door hem gebruikte woorden acht de voorzitter aannemelijk, ook gelet op de inhoud en de toon van de rest van het gesprek, waarin van enige dreiging of ontoelaatbare druk door verweerder geen sprake is. Wellicht is er op dit punt sprake van miscommunicatie doordat het gesprek in het Engels was en dit voor niet alle gespreksdeelnemers hun moedertaal is.
4.5 De voorzitter is verder van oordeel dat uit de geluidsopnamen en de door klager gemaakte transcriptie van deze opnamen ook niet blijkt dat verweerder klager van juridische advies heeft willen weghouden. Integendeel, uit die opnamen blijkt dat klager tegen verweerder heeft gezegd: “You also understand that I will now also seek legal advice.”, waarna verweerder als volgt heeft gereageerd: “Of course (…) So please inform your legal advisors about this.” Omdat dit verwijt ook niet uit andere stukken is gebleken en verweerder dit heeft betwist, is ook de juistheid van dit verwijt en daarmee de gegrondheid van dit klachtonderdeel niet vast komen te staan.
4.6 Het voorgaande betekent dat niet vast is komen te staan dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Dat betekent dat de klacht in beide onderdelen kennelijk ongegrond wordt verklaard.
BESLISSING
De voorzitter verklaart:
de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond.
Aldus beslist door mr. M. Jansen, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. W.B. Kok als griffier en uitgesproken in het openbaar op 19 januari 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op : 19 januari 2026
