Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

12-01-2026

ECLI

ECLI:NL:TADRARL:2026:12

Zaaknummer

25-477/AL/MN

Inhoudsindicatie

Klacht over advocaat wederpartij. Naar het oordeel van de raad mocht verweerder zonder nader onderzoek afgaan op de van zijn cliënte ontvangen feitelijke informatie en als partijdige belangenbehartiger stellingen innemen zoals gedaan. Of verweerder bevoegd was om namens het nieuwe bestuur van klaagster op te treden in geschillen tegen het oude bestuur is een juridische vraag waarover tussen partijen procedures zijn gevoerd. Ongegrond.

Uitspraak

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem‑Leeuwarden

van 12 januari 2026

in de zaak 25-477/AL/MN

naar aanleiding van de klacht van:

 

klaagster

 

over

 

verweerder

 

1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE 

1.1 Op 27 oktober 2024 heeft klaagster bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Midden-Nederland (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.

1.2 Op 21 juli 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 2385623 van de deken ontvangen.

1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 3 november 2025. Daarbij waren de heer N namens klaagster en verweerder aanwezig. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.

1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier. Ook heeft de raad kennisgenomen van de e-mail van 30 juli 2025 namens klaagster maar geen kennisgenomen van de audio-opnames.

 

2 FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.

2.1 Klaagster is een vereniging waarvan een moskee onderdeel uitmaakt.

2.2 Op 8 september 2024 heeft een Algemene Ledenvergadering plaatsgevonden. Na stemming is een nieuw bestuur c.q. een interim-bestuur bij klaagster benoemd.

2.3 Daarna zijn er verschillende procedures gevoerd over de vraag of het nieuwe bestuur van klaagster een rechtsgeldig bestuur was. Klaagster vertegenwoordigt daarin het oude bestuur en is in rechte bijgestaan door mr. A. Verweerder stond daarin het nieuwe bestuur van klaagster bij.

2.4 In het vonnis van 9 januari 2025 heeft de voorzieningenrechter in kort geding geoordeeld dat geen geldige besluiten zijn genomen tijdens de Algemene Ledenvergadering op 8 september 2024. In het vonnis van 11 juni 2025 heeft de rechtbank geoordeeld dat het oude bestuur het rechtsgeldige bestuur van klaagster is omdat geen rechtsgeldige besluiten zijn genomen tijdens de Algemene Ledenvergadering. Tegen dit vonnis is geen hoger beroep ingesteld.

 

3 KLACHT

De klacht houdt in, zakelijk weergegeven, dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door:

a) zowel in als buiten rechte feitelijke informatie te verstrekken waarvan hij wist, althans behoorde te weten, dat deze onjuist was;

Toelichting: Verweerder heeft zich herhaaldelijk op het standpunt gesteld (sub i) dat tijdens de Algemene Ledenvergadering van 8 september 2024 het zittende c.q. oude bestuur is ontslagen en geroyeerd en dat hij optrad voor het nieuwe bestuur van klaagster. Dit standpunt heeft hij onder meer ingenomen in een eerdere klachtzaak van klaagster over verweerder bij de raad en ook in hoger beroep in een bericht aan het Hof van Discipline. Datzelfde standpunt heeft verweerder ook ingenomen in berichten aan de voormalige advocaat van het oude bestuur van klaagster en in een procedure bij de rechtbank. Het oude bestuur van klaagster heeft verweerder er meermaals op gewezen dat het zogenaamd nieuwe bestuur niet rechtsgeldig was aangesteld tijdens de Algemene Ledenvergadering. Verweerder was ook op de hoogte van de discussies die daarover al langere tijd binnen de vereniging speelden. Verweerder had bij het aannemen van de opdracht van zijn nieuwe cliënte een eigen onderzoeksplicht waaraan hij niet heeft voldaan. Hij had zich, gezien de hem bekende discussies binnen de vereniging, terughoudender moeten opstellen in zijn standpunt dat hij klaagster vertegenwoordigde. Verweerder heeft daarnaast in berichten in de door hem namens zijn cliënte aangespannen rechtszaak tegen het oude bestuur van klaagster op het standpunt gesteld (sub ii) dat het nieuwe bestuur was aangesteld met (ook) als doel de toen lopende tuchtklacht van het oude bestuur van klaagster over verweerder in te trekken. Ook dat was feitelijk onjuiste informatie van verweerder en riekt naar een persoonlijk belang van verweerder en belangenverstrengeling;

b) zonder opdracht van het bevoegde bestuur van klaagster op te treden als advocaat van het bestuur.

Toelichting: Het oude bevoegde bestuur van klaagster heeft verweerder nooit opdracht gegeven om namens de vereniging op te treden. Verweerder heeft het vermeende nieuwe bestuur eind 2024 bovendien in het Handelsregister ingeschreven. Dat heeft tot onrust en kosten geleid wegens de daartegen te starten bezwaarprocedure. Het handelen van verweerder heeft er ook toe geleid dat het oude bestuur een kort geding moest starten tegen de vermeende nieuwe bestuursleden. Als verweerder wel bevoegd was om namens het nieuwe bestuur op te treden, dan handelde verweerder niet in het belang van klaagster gezien de incidenten die in de moskee zijn voorgevallen. Daarnaast heeft verweerder niet de-escalerend opgetreden door niet te reageren op sommaties.

 

4 VERWEER

Verweerder betwist dat hij in procedures of aan derden feitelijke onjuiste informatie heeft verstrekt zoals hem dat wordt verweten. Uit de van zijn cliënte verkregen informatie mocht hij afleiden dat op 8 september 2024 een rechtsgeldige besluitvorming had plaatsgevonden en dat een nieuw interim-bestuur van klaagster was benoemd. Hij had geen reden om aan de juistheid van die informatie te twijfelen. Dit nieuwe bestuur heeft hem de opdracht gegeven om hun belangen te behartigen en een procedure te starten. Het was aan de rechter om te oordelen of er rechtsgeldige besluitvorming binnen klaagster heeft plaatsgevonden. Verweerder betwist dat hij een persoonlijk belang had bij zijn optreden voor het interim-bestuur. Dat hij op sommaties niet heeft gereageerd, wil niet zeggen dat hij daardoor niet de-escalerend zou hebben opgetreden.

 

5 BEOORDELING

Maatstaf

5.1 Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is. Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie te controleren.  Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij aan de wederpartij toebrengen.

Klachtonderdeel a)

5.2 Naar het oordeel van de raad mocht verweerder zonder nader onderzoek afgaan op de van zijn cliënte ontvangen feitelijke informatie. Ook mocht hij in de verschillende procedures en in zijn uitlatingen richting derden als partijdige belangenbehartiger namens zijn cliënte de stellingen en feiten naar voren brengen zoals door hem gedaan. Klaagster heeft tegen die vermeende onjuistheden en feiten ook verweer kunnen voeren. Dat heeft geresulteerd in een onherroepelijke uitspraak van de rechtbank waarbij het oude bestuur van klaagster in het gelijk is gesteld. Dat verweerder zich daarnaast feitelijk onjuist heeft uitgelaten over hetgeen onder (sub ii) staat vermeld kan de raad, tegenover de betwisting daarvan door verweerder en onvoldoende concrete onderbouwing daarvan door klaagster, niet vaststellen.

5.3 Op grond van het voorgaande is de raad van oordeel dat van een tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen door verweerder geen sprake is. Klachtonderdeel a) wordt ongegrond verklaard.

Klachtonderdeel b)

5.4 Dit verwijt ziet op de vraag of verweerder bevoegd was om namens het nieuwe bestuur van klaagster op te treden in geschillen tegen het oude bestuur. Over die juridische vraag zijn tussen partijen procedures gevoerd. Het behoort niet tot de taak van de tuchtrechter om over de juistheid van standpunten in een civielrechtelijk geschil een oordeel te geven. Dat is voorbehouden aan de civiele rechter, tenzij duidelijk is dat de verwerende advocaat de hierboven onder 5.1 genoemde maatstaf heeft overtreden. Daarvan is de raad echter niet gebleken. Feiten of omstandigheden die dat standpunt onderbouwen, ontbreken.

5.5 Nu van een tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen door verweerder niet is gebleken, wordt klachtonderdeel b) ongegrond verklaard.

 

BESLISSING

De raad van discipline:

 

-    verklaart de klacht in alle onderdelen ongegrond.

 

Aldus beslist door mr. F.M.C. Boesberg, voorzitter, mrs. G.W. Roest, A.E. Mulder, S.H.G. Swennen, S.J. de Vries, leden, bijgestaan door mr. M.M. Goldhoorn als griffier en uitgesproken in het openbaar op 12 januari 2026.

 

Griffier                                                                            Voorzitter

 

Verzonden op: 12 januari 2026