Rechtspraak
Uitspraakdatum
12-01-2026
ECLI
ECLI:NL:TAHVD:2026:9
Zaaknummer
250062
Inhoudsindicatie
Klaagsters hebben een klacht ingediend tegen de advocaat van de wederpartij in een procedure bij de Ondernemingskamer. In hoger beroep is niet in geschil dat verweerder meerdere brieven naar de Ondernemingskamer heeft gestuurd, zonder daarvan een afschrift te sturen aan de wederpartij en daarmee tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Verweerder is echter van mening dat de klacht over dit handelen niet-ontvankelijk is, omdat sprake is van schending van het ne bis in idem-beginsel. Verder voert verweerder in hoger beroep aan dat, als de klacht al ontvankelijk is, aan hem een te zware maatregel is opgelegd. Het hof oordeelt dat niet sprake is van ne bis in idem. Met betrekking tot de maatregel staat feitelijk vast dat verweerder met opzet de naar de Ondernemingskamer gestuurde brieven niet aan de wederpartij heeft gestuurd om deze op achterstand te zetten. Het hof acht deze opzet verzwarend voor de maatregel. De maatregel wordt bevestigd.
Uitspraak
Beslissing van 12 januari 2026 in de zaak 250062
naar aanleiding van het hoger beroep van:
verweerder
gemachtigde: mr. M. Boender-Radder, advocaat te Den Haag
tegen:
klaagsters
gemachtigde: mr. B.W. Brouwer, advocaat te Amsterdam
1 INLEIDING
1.1 Klaagsters hebben een klacht ingediend tegen de advocaat van de wederpartij in een procedure bij de Ondernemingskamer. In hoger beroep is niet in geschil dat verweerder meerdere brieven naar de Ondernemingskamer heeft gestuurd, zonder daarvan een afschrift te sturen aan de wederpartij en daarmee tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Verweerder is echter van mening dat de klacht over dit handelen niet-ontvankelijk is, omdat sprake is van schending van het ne bis in idem-beginsel. Verder voert verweerder in hoger beroep aan dat, als de klacht al ontvankelijk is, aan hem een te zware maatregel is opgelegd. Het hof oordeelt dat niet sprake is van ne bis in idem. Met betrekking tot de maatregel staat feitelijk vast dat verweerder met opzet de naar de Ondernemingskamer gestuurde brieven niet aan de wederpartij heeft gestuurd om deze op achterstand te zetten. Het hof acht deze opzet verzwarend voor de maatregel. De maatregel wordt bevestigd.
1.2 Het hof zet eerst het verloop van de procedure bij de raad en het hof uiteen. Vervolgens zet het hof het volgende op een rij: de feiten, de klacht en de beoordeling van de raad. Daarna volgen de redenen waarom verweerder in beroep is gekomen en hoe het hof daarover oordeelt.
2 DE PROCEDURE
Bij de raad van discipline
2.1 De Raad van Discipline in het ressort ‘s-Hertogenbosch (hierna: de raad) heeft in de zaak tussen klager en verweerder (zaaknummer: 24-476/DB/OB) een beslissing genomen op 20 januari 2025. In deze beslissing is de klacht van klager deels gegrond verklaard. Aan verweerder is de maatregel van voorwaardelijke schorsing in de uitoefening van de praktijk voor de duur van zes weken opgelegd. Verder is verweerder veroordeeld tot betaling van het griffierecht, reiskosten en proceskosten.
2.2 Deze beslissing is onder ECLI:NL:TADRSHE:2025:12 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.
Bij het hof van discipline
2.3 Het beroepschrift van verweerder tegen de beslissing is op 18 februari 2025 ontvangen door de griffie van het hof.
2.4 Verder bevat het dossier van het hof: - de stukken van de raad; - het verweerschrift van klaagsters. 2.5 Het hof heeft de zaak mondeling behandeld tijdens de openbare zitting van 14 november 2025. Daar zijn de heer C vertegenwoordiger van klaagsters, bijgestaan door de gemachtigde van klaagsters, en verweerder, bijgestaan door zijn gemachtigde, verschenen. Partijen hebben hun standpunt toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen, die onderdeel uitmaken van het dossier van het hof.
3 FEITEN
3.1 Het hof gaat uit van de feiten die door de raad zijn vastgesteld nu daartegen geen beroepsgrond is gericht. Het gaat om de volgende feiten.
3.2 Verweerder heeft sinds 2019 voormalig bestuurders van klaagsters bijgestaan in een geschil met klaagsters.
3.3 Klaagster sub 2 heeft bij de Ondernemingskamer van het Gerechtshof Amsterdam een procedure aanhangig gemaakt. Klaagster sub 2 wordt bijgestaan door mr. BB, advocaat (en tevens de gemachtigde van klaagsters in de onderhavige klachtprocedure), en mr. P, advocaat. In deze procedure is klaagster sub 1 als belanghebbende aangemerkt. Bij beschikking van 16 januari 2020 heeft de Ondernemingskamer een onderzoek bevolen naar het beleid en de gang van zaken van klaagster sub 2. Bij beschikking van 17 januari 2020 heeft de Ondernemingskamer mr. R als onderzoeker aangewezen.
3.4 Op 31 januari 2023 is het conceptverslag van de onderzoeker aan partijen gestuurd met het verzoek om commentaar.
3.5 Op 10 maart 2023 heeft verweerder namens zijn cliënten een verzoek tot ontheffing van de onderzoeker ingediend. Aan dit verzoek was gehecht een inhoudelijke reactie op het conceptverslag met het verzoek aan de Ondernemingskamer om daarvan kennis te nemen.
3.6 Op 11 maart 2023 heeft mr. Van B via een ‘reply all’ verzonden e-mail gereageerd op de op 10 maart 2023 door verweerder verzonden e-mail aan de Ondernemingskamer. De reactie van mr. Van B is aldus verzonden aan alle geadresseerden van de op 10 maart 2023 door verweerder verzonden e-mail aan de Ondernemingskamer. Mr. Van B was niet als advocaat gesteld in de procedure bij de Ondernemingskamer.
3.7 De mondelinge behandeling van het verzoek tot ontslag werd bepaald op 25 maart 2023.
3.8 Op 2 mei 2023 heeft verweerder een brief aan de Ondernemingskamer gestuurd. Aan deze brief waren stukken gehecht.
3.9 Op 2 mei 2023 heeft verweerder een tweede brief aan de Ondernemingskamer gestuurd. Deze brief bevatte een inhoudelijk betoog. In deze brief heeft verweerder de Ondernemingskamer – onder meer - als volgt bericht:
‘Omwille van strategische redenen zend ik deze stukken nog niet in aan de overige partijen, nu u uiterlijk 4 mei a.s. van betrokkenen nog een standpunt wenst te ontvangen. Ik wens te voorkomen dat men de inhoud van de brieven van heden al ‘meeneemt’.’
3.10 Op 4 mei 2023 heeft verweerder een brief aan de Ondernemingskamer gestuurd. Deze brief bevatte een inhoudelijk betoog.
3.11 Verweerder heeft niet gelijktijdig van de in randnummers 3.8, 3.9 en 3.10 genoemde brieven van 2 en 4 mei 2023 een afschrift gestuurd aan (de advocaat van) klaagsters.
3.12 Bij e-mail van 8 mei 2023 aan – onder meer – mrs. BB en P heeft de secretaris van de Ondernemingskamer een opsomming gegeven van alle stukken die tot op dat moment door partijen waren uitgewisseld. In die opsomming werden brieven van verweerder vermeld van 2 en 4 mei 2023. In deze e-mail heeft de secretaris het volgende medegedeeld:
‘Van [verweerder] begreep ik dat hij de door hem ingediende stukken niet alle rechtstreeks aan [mr. BB] en [de onderzoeker] heeft toegestuurd. [Verweerder] heeft toegezegd dat zo spoedig mogelijk alsnog te doen.’
3.13 Eveneens op 8 mei 2023 heeft verweerder afschriften van de brieven van 2 en 4 mei 2023 aan mr. BB toegestuurd.
3.14 Mr. P heeft de Ondernemingskamer primair verzocht om de brieven van 2 en 4 mei 2023 buiten beschouwing te laten en subsidiair om zijn cliënten toe te staan om uiterlijk op 19 mei 2023 op de brieven te reageren. De Ondernemingskamer heeft daarop mrs. BB en P in de gelegenheid gesteld om uiterlijk op 17 mei 2023 met een akte op de brieven van 2 en 4 mei 2023 te reageren.
3.15 Op 25 mei 2023 heeft de mondelinge behandeling bij de Ondernemingskamer plaatsgevonden. Verweerder heeft een pleitnota voorgedragen waarin citaten uit het conceptverslag van de onderzoeker waren opgenomen.
3.16 Eveneens op 25 mei 2023 heeft de Ondernemingskamer mondeling uitspraak gedaan en het verzoek tot ontheffing afgewezen. De Ondernemingskamer overwoog onder meer het volgende:
‘De Ondernemingskamer stelt het volgende voorop. Op grond van artikel 2:351 lid 4 BW wordt een (deel van een) conceptverslag eerst aan partijen toegestuurd, zodat zij daarop hun commentaar kunnen leveren en daarbij de onderzoeker van eventuele onjuistheden op de hoogte kunnen brengen. Eventuele onjuistheden kunnen dan hersteld worden voordat het verslag het daglicht ziet. Het is van groot belang dat de geheimhoudingsplicht uit artikel 2:351 lid 4 BW wordt nageleefd om te voorkomen dat een onjuist verslag openbaar wordt. De Ondernemingskamer weegt bij haar beoordeling mee dat [de cliënten van verweerder] ten onrechte een inbreuk hebben gemaakt op die geheimhoudingsplicht door in hun verzoek tot ontheffing van de onderzoeker te citeren uit het conceptverslag en het conceptverslag bij het verzoek te overleggen.’
3.17 Op 3 juli 2023 heeft de gemachtigde van klaagsters namens klaagsters tegen verweerder een klacht ingediend bij de deken.
3.18 Op 18 oktober 2023 heeft de deken een dekenbezwaar ingediend over verweerder. Het dekenbezwaar is behandeld op de zitting van de raad van 18 december 2023. Op 26 februari 2024 heeft de raad een beslissing (ECLI:NL:TADRSHE:2024:37) gegeven. De raad heeft onder meer het volgende geoordeeld:
‘(2.27) Tegen verweerder zijn twee klachten ingediend rondom een procedure bij de Ondernemingskamer. Verweerder heeft erkend het wettelijk voorschrift tot geheimhouding in die procedure te hebben overtreden. (…) (5.17) Ten tweede wordt verweerder verweten dat hij zijn geheimhoudingsplicht heeft geschonden in de procedure bij de Ondernemingskamer. Verweerder heeft erkend dat hij zich ervan bewust was dat hij de geheimhoudingsplicht heeft geschonden. Daarmee heeft verweerder dus niet integer gehandeld en de raad vindt dit een ernstig tuchtrechtelijk verwijt. Dat verweerder bewust de afweging heeft gemaakt ten behoeve van zijn cliënten, dat de Ondernemingskamer de schending ook al heeft meegewogen in het oordeel en dat de wederpartij er geen nadeel van heeft ondervonden, maakt deze schending van een belangrijke bij de Ondernemingskamer geldende regel niet minder ernstig. (…) (6.1) (…) De raad acht met name schokkend dat verweerder welbewust ervoor kiest om zijn geheimhoudingsplicht bij de Ondernemingskamer te schenden en dat door zijn toedoen een uit de hand gelopen arbeidsconflict is ontstaan met zijn eigen advocaat-stagiaire, die hij kennelijk zelfs heeft willen ontslaan en het loon niet heeft willen doorbetalen. Die twee zaken zijn tekenend voor het beeld dat verweerder niet weet hoe hij zijn onafhankelijkheid dient te bewaken ten opzichte van de belangen van zijn cliënten, maar ook zijn persoonlijke belangen wanneer hij namens zijn eigen kantoor optreedt.(…)
(6.3) De raad acht het onder deze omstandigheden passend en geboden dat aan verweerder de maatregel van schorsing wordt opgelegd voor de duur van 30 weken, waarvan 26 weken voorwaardelijk.(…)’
3.19 Tegen de beslissing van de raad van 26 februari 2024 is geen appel ingesteld.
4 KLACHT
4.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven en voor zover van belang in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagsters verwijten verweerder het volgende:
1. Verweerder heeft opzettelijk gedragsregel 20 lid 1, gedragsregel 21 lid 1 en het beginsel van fair play geschonden doordat hij op 2 mei 2023 twee brieven en op 4 mei 2023 een brief heeft gestuurd aan de Ondernemingskamer, zonder daarvan een afschrift te sturen aan klaagsters. Hierdoor heeft verweerder opzettelijk de belangen van klaagster veronachtzaamd, met het doel om ongerechtvaardigd voordeel te behalen ten opzichte van klaagsters;
2. (…)
5 BEOORDELING RAAD
5.1 Ten aanzien van klachtonderdeel 1 heeft de raad geoordeeld dat, voor zover verweerder zich op het standpunt heeft gesteld dat hij bij zijn eerste brief van 2 mei 2023 alleen in achtvoud reeds bij partijen bekende stukken heeft overgelegd zodat ten aanzien van die brief geen sprake is van schending van gedragsregels 20 en 21, een advocaat ook van een dergelijke brief afschrift aan zijn wederpartij dient te doen. Daarbij overweegt de raad dat een van de bij die brief gevoegde bijlagen een onderbouwing betrof van de relevantie van de overgelegde stukken, zodat van enkel ‘fourneren’ geen sprake was. Door deze brief niet in afschrift aan de wederpartij te sturen, heeft verweerder in strijd gehandeld met gedragsregel 20 en 21.
5.2 Verder staat als uitdrukkelijk door verweerder erkend vast dat verweerder gedragsregel 20 lid 1 en 21 lid 1 heeft geschonden doordat hij de tweede brief van 2 mei 2023 en de brief van 4 mei 2023 aan de Ondernemingskamer heeft gestuurd, zonder daarvan een afschrift te sturen aan de wederpartij. De raad is van oordeel dat verweerder met deze schendingen tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Dat verweerder – na ingrijpen van de Ondernemingskamer – alsnog afschriften aan de wederpartij heeft verzonden, de wederpartij in de gelegenheid is gesteld om op de stukken te reageren en verweerder voor zijn handelen zijn excuses heeft aangeboden doet aan het onbetamelijke karakter van verweerders handelen niet af. De raad heeft daarbij in aanmerking genomen dat verweerder, zo blijkt uit de passage uit de tweede brief van 2 mei 2023, bewust heeft gehandeld en de kennelijke bedoeling heeft gehad om de wederpartij in de procedure op achterstand te plaatsen en daarmee in haar processuele belangen te schaden. De raad heeft klachtonderdeel 1 dan ook gegrond verklaard.
5.3 Op grond van de ernst van dit tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen en het feit dat verweerder reeds meerdere malen tuchtrechtelijk is veroordeeld heeft de raad de oplegging van een voorwaardelijke schorsing voor de duur van zes weken passend en geboden geacht.
6 BEROEPSGRONDEN EN VERWEER
Beroepsgronden verweerder
Schending van het ne bis in idem-beginsel 6.1 Verweerder voert aan dat de raad bij de beslissing van 26 februari 2024 beslist heeft op een ambtshalve klacht van de deken. In deze dekenklacht heeft de deken geschreven dat hij naar aanleiding van diverse nader te benoemen incidenten heeft besloten afzonderlijke klachten tegen verweerder te formuleren. Onder randnummer 31 van het dekenbezwaar beschrijft de deken vervolgens het volgende incident:
‘31. In de kwestie ‘[klaagsters]/mr. [verweerder]’ spelen twee klachten waarvan de tweede klacht ziet op het overtreden van een wettelijk voorschrift tot geheimhouding. Deze klacht bevindt zich weliswaar nog pas in de onderzoeksfase, maar verweerder heeft al wel laten weten dat hij de door hem gemaakte fouten erkent (productie 12). Ondergetekende is voorts van oordeel dat deze gedragingen een zo fundamentele inbreuk maken op de regels die gelden in een procedure bij de Ondernemingskamer van het Gerechtshof Amsterdam, dat ze ook kunnen worden gerubriceerd onder het kopje (gebrek aan) kwaliteit van de dienstverlening.’
De genoemde productie 12 betreft een brief van 3 juli van mr. BB, waarin hij namens klaagsters over gedragingen van verweerder in de enquêteprocedure bij de Ondernemingskamer klaagt. In deze brief schrijft mr. BB:
‘1.7 Cliënten dienen naar aanleiding van recente gedragingen van mr. [verweerder] in een enquêteprocedure bij de Ondernemingskamer van het gerechtshof te Amsterdam eveneens twee klachten. De klachten zien op opzettelijke schending van het fair play-beginsel (neergelegd in gedragsregels 20 en 21 lid 1) en doorbreking van de wettelijke geheimhouding van artikel 2:351 lid 4 BW, hetgeen op grond van artikel 272 Sr een strafbaar feit oplevert.’
6.2 Verweerder betoogt dat klachtonderdeel 1 hiermee ten grondslag is gelegd aan de ambtshalve dekenklacht, waarover reeds door de tuchtrechter is geoordeeld. Verweerder wijst daarbij op de volgende passage uit het dekenbezwaar:
‘37. In het bovenstaande zijn diverse voorvallen en gedragingen benoemd waarbij verweerder betrokken is geweest, die moeten worden gekwalificeerd als enig handelen door verweerder in strijd met de in artikel 46 Advocatenwet genoemde norm. Verweerder heeft zich op verschillende momenten onbetamelijk gedragen. De verweten gedragingen vormen ieder voor zich en tezamen een inbreuk op het bepaalde in artikel 46 Advocatenwet en op de kernwaarden als bedoeld in artikel 10a Advocatenwet.’
6.3 Verweerder concludeert dat klachtonderdeel 1 ten grondslag is gelegd, althans onderdeel is van het procesdossier, dat tot de beslissing van de raad van 26 februari 2024 heeft geleid. De raad heeft in de beoordeling van het dekenbezwaar niet alleen klachtonderdeel 2 maar ook klachtonderdeel 1 meegenomen, aldus verweerder. Indien klachtonderdeel 1 in deze procedure ontvankelijk zou worden verklaard, heeft dat volgens verweerder tot gevolg dat hij tweemaal voor hetzelfde feitencomplex wordt berecht, hetgeen in strijd is met het ne bis in idem-beginsel. Voor zover het hof zou oordelen dat klachtonderdeel 1 toch ontvankelijk is, is verweerder van mening dat het ne bis in idem-beginsel eraan in de weg staat om een afzonderlijke maatregel op te leggen. De raad heeft bij de beoordeling van klachtonderdeel 1 ten onrechte geen rekening gehouden met de eerdere door de raad opgelegde maatregel bij de beslissing van 26 februari 2024. Van bijzondere omstandigheden die een nieuwe maatregel zouden kunnen rechtvaardigen blijkt niet uit de beslissing van de raad.
Disproportionaliteit van de maatregel 6.4 Verweerder stelt voorwaardelijk, namelijk voor het geval het hof het ne bis in idem-beginsel niet van toepassing acht, dat de door de raad opgelegde maatregel te zwaar is. Volgens verweerder had de raad rekening moeten houden met hetgeen is overwogen en beslist in de beslissing van de raad van 26 februari 2024. Verweerder voert aan dat de maatregel van een voorwaardelijke schorsing met een proeftijd van twee jaar niet in verhouding staat tot de ernst van de gedraging op zichzelf en de context waarin de gedraging heeft plaatsgevonden. Deze gedraging mag niet worden opgeteld bij het tuchtrechtelijk verleden van verweerder, omdat daarmee al in de ambtshalve klacht van de deken rekening is gehouden bij de oplegging van de maatregel. Verweerder erkent zijn fouten, heeft zijn excuses aangeboden en heeft aantoonbaar inspanningen verricht om zijn professionele handelen te verbeteren door begeleiding te zoeken en aanvullende (tuchtrechtelijke) opleidingen te volgen. Verweerder wijst er verder op dat de deken in zijn visie van 23 mei 2024 zelf heeft geadviseerd om klachtonderdeel 1 gegrond te verklaren zonder oplegging van een maatregel, mede afgezet tegen de uitkomst van het dekenbezwaar. Daarbij wordt met de voorwaardelijke schorsing volgend op de onvoorwaardelijke schorsing die naar aanleiding van het dekenbezwaar is opgelegd, de wettelijke maximale proeftermijn verlengd met een jaar naar drie jaar.
Verweer klaagsters
6.5 Klaagsters hebben gemotiveerd verweer gevoerd in beroep. Waar dat relevant is, bespreekt het hof dit bij de beoordeling van het beroep.
7 BEOORDELING HOF
Overwegingen hof
Ne bis in idem 7.1 Het hof stelt het volgende voorop. In artikel 47b lid 1 Advocatenwet is bepaald dat niemand in gevolge de bepalingen in deze paragraaf andermaal tuchtrechtelijk kan worden berecht voor een handelen of nalaten waarvoor ten aanzien van hem een onherroepelijk geworden tuchtrechtelijke eindbeslissing is genomen.
7.2 Met een beroep op deze bepaling betoogt verweerder dat klaagsters niet-ontvankelijk zijn in hun klacht over schending van gedragsregels 20 en 21 (klachtonderdeel 1). Verweerder stelt daartoe dat de raad in de beslissing van 26 februari 2024 al over de gedragingen van verweerder die tot dat klachtonderdeel hebben geleid, heeft geoordeeld.
7.3 Het hof volgt verweerder hierin niet. In de beslissing van 26 februari 2024 (zie 3.18) heeft de raad geoordeeld dat verweerder de wettelijke geheimhoudingsplicht van artikel 2:351 lid 4 BW heeft geschonden. Deze schending van de geheimhoudingsplicht betreft een andere gedraging dan het nalaten van verweerder om zijn twee brieven van 2 mei 2023 en de brief van 4 mei 2023 aan de Ondernemingskamer gelijktijdig in afschrift aan de wederpartij te zenden. Dit laatste nalaten is geen onderdeel van het dekenbezwaar en is ook niet door de raad beoordeeld in de procedure die heeft geleid tot de beslissing van 26 februari 2024. Van schending van het ne bis in idem-beginsel is dan ook geen sprake.
De maatregel 7.4 Naast het beroep op schending van het ne bis in idem-beginsel richt het hoger beroep van verweerder zich alleen tegen de door de raad opgelegde maatregel van voorwaardelijke schorsing voor de duur van zes weken. Verweerder meent dat deze maatregel te zwaar is. Het hof volgt verweerder daar niet in. Verweerder heeft in strijd met de gedragsregels 20 en 21 lid 1 gehandeld doordat hij op 2 mei 2023 twee brieven en op 4 mei 2023 een brief heeft gestuurd aan de Ondernemingskamer, zonder daarvan een afschrift te sturen aan (de advocaat van) klaagsters. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat verweerder, zoals blijkt uit zijn brief van 2 mei 2023 (zie 3.9), deze gedragsregels met opzet – dat wil zeggen: willens en wetens - heeft overtreden, met het oogmerk de wederpartij in de procedure op achterstand te plaatsen. Het hof acht het feit dat verweerder deze gedraging met opzet heeft begaan verzwarend voor de bepaling van een maatregel die passend en geboden is. Het hof weegt daarnaast in het nadeel van verweerder mee dat hij reeds meerdere malen tuchtrechtelijk is veroordeeld, waarbij een waarschuwing, vier maal een berisping en een schorsing van 30 weken (waarvan 26 weken voorwaardelijk) is opgelegd. Omdat deze laatste schorsing, opgelegd bij de onder 3.18 bedoelde beslissing van 26 februari 2024, betrekking heeft op een andere klacht ziet het hof in die schorsing geen aanleiding om de maatregel in deze zaak te verlagen, zoals verweerder bepleit. Alles overziende acht het hof, met de raad, de maatregel van een voorwaardelijke schorsing voor de duur van zes weken passend en geboden.
8 PROCESKOSTEN
8.1 Omdat het hof een beslissing bekrachtigt waarin een maatregel is opgelegd, zal het hof verweerder op grond van artikel 48ac, eerste lid, Advocatenwet veroordelen in de kosten voor de procedure bij het hof conform de Richtlijn kostenveroordeling Hof van Discipline 2021: a) € 50,- kosten van klaagsters (forfaitair); b) € 1.050,- kosten voor rechtsbijstand van klaagsters; c) € 1.000,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten; d) € 1.000,- kosten van de Staat.
8.2 Verweerder moet op grond van artikel 48ac lid 4 Advocatenwet het bedrag van € 1.100,- aan kosten van klaagsters binnen vier weken na deze beslissing betalen aan klaagsters. Klaagster geven binnen twee weken na de datum van deze beslissing hun rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.
8.3 Verweerder moet op grond van artikel 48ac lid 4 Advocatenwet het bedrag van € 2.000,- binnen vier weken na deze uitspraak overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van ‘kostenveroordeling hof van discipline’ en het zaaknummer.
9 BESLISSING
Het Hof van Discipline:
9.1 bekrachtigt de beslissing van 20 januari 2025 van de Raad van Discipline in het ressort ‘s-Hertogenbosch, gewezen onder nummer 24-476/DB/OB;
9.2 veroordeelt verweerder tot betaling van de kosten in de procedure bij het hof van € 1.100,- aan klaagsters, op de manier en binnen de termijn zoals hiervóór bepaald;
9.3 veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten in de procedure bij het hof van € 2.000,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn zoals hiervóór bepaald.
Deze beslissing is genomen door mr. drs. P. Fortuin, voorzitter, mrs. J.C.A.T. Frima, K. Teuben, I.P.A. van Heijst en J.M. Louwrier, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.R. Sijses, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 12 januari 2026.
griffier voorzitter
De beslissing is verzonden op 12 januari 2026.
