Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

12-01-2026

ECLI

ECLI:NL:TAHVD:2026:8

Zaaknummer

250320

Inhoudsindicatie

Verzet na afwijzende verwijzing ongegrond. Het hof ziet op basis van het onderzoek in verzet geen aanleiding om tot een andere beoordeling van de klacht te komen dan de voorzitter. Het klachtrecht is er niet voor bedoeld om te klagen over de werkwijze van de deken bij het al dan niet in behandeling nemen van een klacht. Klaagster heeft ook geen belang meer bij dit klachtonderdeel nu de klacht door de deken in behandeling is genomen. In zoverre is de klacht ook prematuur, aangezien nu eerst de procedure bij verweerder moet worden doorlopen, voordat klaagster de mogelijkheid heeft dit aan de orde te stellen bij de raad. Het klachtrecht is er ook niet voor bedoeld is om te klagen over de klachtomschrijving. Daar is de procedure bij de raad voor. Bovendien heeft verweerder ook klaagsters bezwaren tegen de klachtomschrijving in het onderzoek naar de klacht heeft betrokken. Gelet daarop is ook deze klacht prematuur en niet bedoeld voor onderhavige klachtprocedure.

Uitspraak

Beslissing  van 12 januari 2026  in de zaak 250320

naar aanleiding van het verzet  tegen de beslissing van de voorzitter van het hof  van 9 oktober 2025 in de klacht van:

 

klaagster

gemachtigde: mr. G.F.M.G. Heutink

tegen:

verweerder

 

1    DE PROCEDURE 

1.1    Met de beslissing van 9 oktober 2025 heeft de plaatsvervangend voorzitter van het hof het verzoek van klaagster tot verwijzing van een tweetal klachten over verweerder afgewezen.  Deze beslissing is onder ECLI:NL:TAHVD:2025:192 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.

1.2    Het verzet van klaagster tegen de beslissing is op 13 oktober 2025 ontvangen door de griffie van het hof. Behalve het verzetschrift bevat het dossier de stukken die in verband met het verwijzingsverzoek aan het hof zijn verstrekt. Het dossier bevat daarnaast: - het verweerschrift van verweerder, met bijlagen, van 23 oktober 2025; - de repliek van klager van 23 oktober 2025; - een e-mail van verweerder van 11 november 2025, waarin verweerder meedeelt geen inhoudelijke reactie te zullen geven op de repliek van klager. 

1.3    Het hof heeft het verzet behandeld in raadkamer. 

2    FEITEN

2.1    Het hof stelt de volgende feiten vast.

2.2    Bij brief van 17 september 2025 heeft de gemachtigde van klaagster namens klaagster een klacht ingediend tegen verweerder. Bij brief van 25 september 2025 is namens klaagster een aanvullende klacht over verweerder ingediend. Daarbij is namens klaagster verzocht een andere Raad van Discipline aan te wijzen of de klachten te verwijzen naar een andere deken om de klachten in behandeling te nemen. 

2.3    In de beslissing van 9 oktober 2025 heeft de plaatsvervangend voorzitter van het hof overwogen dat op grond van het bepaalde in artikel 46c lid 5 Advocatenwet een klacht tegen een deken in beginsel dient te worden verwezen naar een deken van een andere orde. De plaatsvervangend voorzitter heeft hiertoe in deze zaak echter niet besloten en de verzoeken tot verwijzing afgewezen. Daartoe is het volgende overwogen:

“2.2    Naar het oordeel van de voorzitter zijn de klachten/de verwijzingsverzoeken prematuur. 2.3    Bij brief van 12 september 2025 heeft verweerder aan de gemachtigde van klaagster laten weten dat hij zich vrij voelt de klacht van klaagster over mr. P in behandeling te nemen. Daarbij heeft verweerder verwezen naar een bericht van 9 september 2025 van de gemachtigde, waaruit verweerder heeft opgemaakt dat klachtbehandeling via de interne klachtenregeling van mr. P niet gewenst is, en dat de gemachtigde wenst dat verweerder de klacht onderzoekt. In dezelfde brief heeft verweerder de klacht vervolgens samengevat en mr. P de gelegenheid gegeven daarop te reageren. Daarmee heeft verweerder de klacht over mr. P in onderzoek genomen. 2.4    Ten aanzien van de klachtomschrijving heeft verweerder bij e-mail van 23 september 2025 aan de gemachtigde van klaagster en aan mr. P laten weten dat de e-mail van 15 september 2025 niet dient te leiden tot aanpassing van de klachtomschrijving in de brief van 12 september 2025, maar verweerder heeft mr. P verzocht hetgeen daarin is opgenomen mee te nemen in zijn reactie op de klacht. De voorzitter begrijpt dit aldus dat verweerder ook dit bij zijn onderzoek naar de klacht over mr. P zal betrekken. 2.5    Indien de klacht over mr. P in het traject bij verweerder uiteindelijk niet naar tevredenheid van klaagster wordt opgelost, kan klaagster de klacht, na betaling van het griffierecht, voorleggen aan de raad van discipline en laten beoordelen door de tuchtrechter. Binnen de kaders van die procedure kan klaagster desgewenst ook naar voren brengen dat verweerder de klacht aanvankelijk ten onrechte niet in behandeling wilde nemen en dat het onderzoek door verweerder op onjuiste wijze is verricht, doordat van een onjuiste klachtomschrijving is uitgegaan, dan wel op welke andere punten het onderzoek door verweerder naar de mening van klaagster niet deugt. Daarom zal de voorzitter de klachten over de deken niet verwijzen.”

3    HET VERZET

De gronden van verzet 3.1    Klaagster heeft aan het verzet ten grondslag gelegd dat het bepaalde in artikel 46c lid 5 Advocatenwet niet de vrijheid biedt om van verwijzing van een klacht over een deken af te zien. Met de beslissing van 9 oktober 2025 is de plaatsvervangend voorzitter van het hof naar klaagster stelt dan ook buiten zijn bevoegdheden getreden.  Klaagster voert verder aan dat in de beslissing van 9 oktober 2025 ten onrechte is overwogen dat de klachten/de verwijzingsverzoeken prematuur zijn. Klaagster wijst erop dat weliswaar juist is dat verweerder de klacht over mr. P alsnog in behandeling heeft genomen, maar dat de klacht betrekking heeft op het daaraan voorafgaande, naar klaagster stelt, klachtwaardige handelen van verweerder. Dat is met het in behandeling nemen van de klacht niet weggenomen, aldus klaagster, en klaagster wijst erop dat verweerder de klacht ook pas in behandeling heeft genomen nadat verweerder door klaagster op zijn - naar klaagster stelt - onjuiste handelen was gewezen.                                  Verder voert klaagster aan dat verweerder de volgens klaagster apert onjuiste klachtomschrijving niet heeft aangepast, terwijl dat wel had gemoeten. Volgens klaagster kan zij bij het eventuele vervolg van de procedure bij de tuchtrechter niet meer klagen over wat zij verweerder verwijt. Bovendien zijn de laatste overwegingen in de beslissing van 9 oktober 2025 volgens klaagster niet op een lijn te brengen met het oordeel dat de klachten prematuur zijn.                              Klaagster verzoekt het hof dan ook de klachten over verweerder alsnog te verwijzen naar een deken van een andere orde, teneinde de klachten te onderzoeken en af te handelen.

Het verweer 3.2    Wat verweerder aanvoert komt in de kern op het volgende neer. Dat verweerder na ontvangst van de klachten klaagster eerst heeft verwezen naar de interne klachtenregeling van mr. P, is in lijn met de Leidraad dekenaal klachtonderzoek 2025 en daarmee niet klachtwaardig. Omdat de klachten over mr. P inmiddels door verweerder in behandeling zijn genomen, heeft klaagster naar verweerder stelt bovendien geen belang meer bij een klacht hierover. Verder heeft verweerder erop gewezen dat de klachtomschrijving waar klaagster in de aanvullende klacht op doelt, door verweerder letterlijk is overgenomen uit de klachtbrief van klaagster met betrekking tot mr. P van 3 september 2025. Daarbij heeft verweerder opgemerkt dat mr. P is verzocht de aanvulling dan wel aanpassing van de klacht door klaagster mee te nemen bij zijn verweer, zodat ook dit onderdeel uitmaakt van het onderzoek naar de klacht door de deken. Verweerder concludeert dat de klacht van klaagster over de klachtomschrijving gelet daarop prematuur is en feitelijk onjuist. Ten overvloede merkt verweerder op dat klaagster in het kader van de klachtprocedure bij de deken voldoende mogelijkheden heeft om te klagen over de manier waarop klachten door de deken worden begrepen, en dat wanneer klaagster desondanks van mening is dat verweerder de klacht onjuist blijft opvatten, klaagster de mogelijkheid heeft dit aan de orde te stellen bij de Raad van Discipline. Verweerder concludeert op grond van het vorenstaande dat klaagster misbruik maakt van het klachtrecht door prematuur, dan wel zonder redelijke grond, te klagen over de wijze waarop de klachten in behandeling zijn genomen, en dat de beslissing van 9 oktober 2025 op juiste gronden is genomen.

4    BEOORDELING 

Verzet mogelijk?  4.1    De beslissing van 9 oktober 2025 heeft betrekking op de situatie als bedoeld in artikel 46c lid 5 Advocatenwet. In dit artikel is bepaald dat de voorzitter klachten over dekens verwijst naar een deken van een andere orde om de klacht te laten onderzoeken en af te handelen. De wet voorziet niet in de mogelijkheid van afwijzing van het verzoek en ook niet in een bijbehorend rechtsmiddel tegen die afwijzing. Het hof is echter van oordeel dat verzet mogelijk moet zijn als de voorzitter het verwijzingsverzoek afwijst. Om die reden heeft het hof de mogelijkheid van verzet tegen afgewezen verwijzingsverzoeken vastgelegd in artikel 13 van het procesreglement.

Maatstaf 4.2    Een verzet is alleen gegrond als in redelijkheid moet worden betwijfeld of de beslissing van de voorzitter juist is. Twijfel kan bijvoorbeeld bestaan als de voorzitter een verkeerde maatstaf (toetsingsnorm) heeft toegepast of de beslissing heeft gebaseerd op onjuiste of onvolledige feiten.

Het oordeel van het hof 4.3    Het hof is van oordeel dat artikel 46c lid 5 Advocatenwet de voorzitter in beginsel verplicht om klachten over een deken door te verwijzen naar een andere deken en dat de (plaatsvervangend) voorzitter in beginsel niet de vrijheid heeft dat te weigeren. In beginsel wil zeggen dat weigeren alleen in uitzonderlijke gevallen aan de orde is, zoals wanneer er sprake is van misbruik van procesrecht/klachtrecht. Afwijzing van het verwijzingsverzoek is daarnaast aan de orde bij onnavolgbare klachten of ongepast taalgebruik, of wanneer een klacht over de deken wordt ingediend op een wijze of voor een doel waarvoor de tuchtrechtelijke procedure niet is bedoeld. Dat kan het geval zijn als er voor de klacht een andere procedure is.  

4.4    Dat laatste is in deze zaak aan de orde.  Klaagsters eerste klachtonderdeel ziet op de werkwijze van verweerder en het (aanvankelijk) niet in behandeling nemen van haar klacht. Verweerder is na aandringen van klaagster afgeweken van zijn werkwijze en heeft de klacht alsnog in behandeling genomen en is het onderzoek naar de klachten van klaagster over mr. P gestart. Naar het oordeel van het hof is de klacht terecht niet doorverwezen en heeft de voorzitter daarbij de juiste maatstaf gehanteerd, althans bedoeld te hanteren. Voor de klacht van klaagster (het niet eens zijn met de werkwijze van de deken) is immers de tuchtrechtelijke procedure tegen verweerder niet bedoeld en daarbij heeft klaagster ook geen belang meer bij dit klachtonderdeel nu zoals gezegd de klacht in behandeling is genomen. In zoverre is de klacht ook prematuur, aangezien nu eerst de procedure bij verweerder moet worden doorlopen, voordat klaagster de mogelijkheid heeft dit aan de orde te stellen bij de Raad van Discipline.  

4.5    Ten aanzien van het tweede klachtonderdeel heeft klaagster aangevoerd dat verweerder de klachtomschrijving had moeten aanpassen en dat zij in het vervolg van de behandeling van de klacht over mr. P niet kan klagen over hetgeen zij verweerder over de klachtomschrijving verwijt. Ook hier geldt dat het klachtrecht er niet voor bedoeld is om te klagen over de klachtomschrijving. Daar is de procedure bij de raad voor. Het is immers de tuchtrechter die de klachtomschrijving vaststelt. De plaatsvervangend voorzitter heeft dat in zijn beslissing met zoveel woorden ook verwoord in overweging 2.5. Daarbij komt nog dat is gebleken dat verweerder ook klaagsters bezwaren tegen de klachtomschrijving in het onderzoek naar de klacht heeft betrokken, nu mr. P. door verweerder is gevraagd daar in het verweerschrift op te reageren. Gelet daarop is ook deze klacht prematuur en niet bedoeld voor onderhavige klachtprocedure. 

Slotsom 4.6    Het hof ziet op basis van het onderzoek in verzet geen aanleiding om tot een andere beoordeling van de klacht te komen dan de plaatsvervangend voorzitter. Het hof sluit zich aan bij de beoordeling van de plaatsvervangend voorzitter en neemt die over. Wat in verzet naar voren is gebracht, leidt niet tot een ander oordeel.

4.7     Het hof verklaart het verzet van klager daarom ongegrond.

5    BESLISSING

Het Hof van Discipline:

verklaart het verzet ongegrond.

Deze beslissing is genomen door mr. J. Blokland, voorzitter, mrs. B.J.R. van Tongeren en G.C. Endedijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.N. Boogers-Keuning, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 12 januari 2026.                                                                                                      griffier                                         voorzitter

De beslissing is verzonden op 12 januari 2026.