Rechtspraak
Uitspraakdatum
12-01-2026
ECLI
ECLI:NL:TAHVD:2026:12
Zaaknummer
250341
Inhoudsindicatie
Beklag artikel 13 Advocatenwet ongegrond. De vangnetbepaling van artikel 13 Advocatenwet is niet bedoeld voor situaties waarin sprake is van verplichte zorg. Daarvoor is er de procedure van artikel 1:7 lid 1 Wvggz. Verder moet een aanwijzingsverzoek op grond van artikel 13 lid 1 Advocatenwet worden gedaan bij de deken in het arrondissement waar de zaak moet dienen. Daarnaast heeft klager, ondanks het verzoek daartoe van de deken, geen (relevante) informatie gegeven, of concrete stukken aangeleverd, waaruit blijkt wat voor procedure klager wenst te beginnen, wat de haalbaarheid van die procedure is, of die procedure in Midden-Nederland gevoerd dient te worden en of daarbij de rechtsbijstand van een advocaat verplicht is. Daarmee heeft klager zijn verzoek onvoldoende onderbouwd en kon de deken niet beoordelen of aan de voorwaarden van artikel 13 Advocatenwet was voldaan, zodat ook dit verzoek door de deken op juiste gronden is afgewezen.
Uitspraak
Beslissing van 12 januari 2026 in de zaak 250341 naar aanleiding van het beklag op grond van artikel 13 Advocatenwet van:
klager tegen: de deken
1 DE PROCEDURE
Bij de deken 1.1 Klager heeft op 6 en 7 november 2024 bij de deken een verzoek ingediend tot aanwijzing van een advocaat als bedoeld in artikel 13 lid 1 Advocatenwet. Vervolgens heeft klager op 27 november 2024 verzocht om aanwijzing van nog een advocaat. Klager heeft daarmee verzocht om aanwijzing van een advocaat voor een drietal procedures, te weten: 1) een advocaat voor WvGGZ-procedures, 2) een advocaat voor civiele procedures, en 3) een advocaat voor een procedure tegen de Staat.
1.2 De deken heeft de verzoeken afgewezen bij beslissing van 9 oktober 2025.
Bij het Hof van Discipline 1.3 Klager heeft direct op 9 oktober 2025 bij het Hof van Discipline (hierna: het hof) een beklag tegen de beslissing van de deken ingediend.
1.4 Verder bevat het dossier het verweer van de deken van 20 oktober 2025, met bijlagen.
1.5 Het hof heeft het verzoek in raadkamer behandeld op basis van de stukken uit het dossier.
2 FEITEN
Het hof stelt de volgende feiten vast:
2.1 Klager heeft op 6 en 7 november 2024 bij de Orde van Advocaten Midden-Nederland verzoeken ingediend tot aanwijzing van een advocaat. De verzoeken houden het volgende in:
"Primair Verzoek: Aanwijzing Advocaat voor WvGGZ-procedures In het bijzonder zoek ik een advocaat die ervaring heeft met WvGGZ-zaken en bij voorkeur gevestigd is in de provincie Limburg. Mocht dit niet mogelijk zijn, dan verzoek ik om een advocaat buiten de regio van de Orde van Advocaten Midden-Nederland. Indien deze opties niet haalbaar zijn, vraag ik om een betrouwbare integere advocaat in de regio Utrecht, die deze en mogelijk andere zaken gaat regelen en ook eventueel een hernieuwde zorgmachtiging aanvecht of verdedigd mijn persoon, echter expliciet niet zijnde de advocaten V(…), S(…) en B(…).
Secundair Verzoek: Aanwijzing Civiele Advocaat Daarnaast verzoek ik om de aanwijzing van een civiele advocaat die ervaren is in het voeren van procedures tegen gemeentes en overheden met betrekking tot bijvoorbeeld onrechtmatige gebiedsverboden en andere overheidszaken op voornamelijk lokaal en regionaal niveau, en mogelijk ook voor schadestaatprocedures. Hierbij dient rekening gehouden te worden met mijn wens tot onafhankelijke juridische ondersteuning in het geval van geschillen met lokale overheden."
2.2 In een e-mail van 27 november 2024 heeft klager meegedeeld nog een derde advocaat toegevoegd te willen krijgen, die een procedure tegen de Staat zou moeten starten.
2.3 In een e-mail van 16 juni 2025 heeft de stafjurist van de Orde van Advocaten Midden-Nederland klager geïnformeerd over de voorwaarden waaraan voldaan moet zijn om in aanmerking te komen voor aanwijzing van een advocaat, als volgt: - het moet gaan om een kwestie, waarbij bijstand/vertegenwoordiging door een advocaat verplicht is; - de zaak moet dienen in het arrondissement Midden-Nederland; - de deken moet ervan overtuigd zijn dat u een voldoende belang bij de zaak hebt; en - u moet er aantoonbaar niet in geslaagd zijn om zelf een advocaat te vinden om u bij te staan.
2.4 In de e-mail van 16 juni 2025 is klager aangeraden de verzoeken 1 en 3 in te trekken. Met betrekking tot verzoek 1 is aan klager meegedeeld dat klager de rechtbank om aanwijzing van een nieuwe stamadvocaat kan verzoeken, omdat op dat moment uit de stukken bleek dat klager tot 4 oktober 2025 een zorgmachtiging had. Daarbij is klager erop gewezen dat de deken niets kan betekenen ten aanzien van de beslissingen van een aantal klachtencommissies die klager bij het verzoek heeft meegestuurd, omdat klager daarvan kennelijk niet binnen de beroepstermijn in beroep is gegaan en rechtsbijstand van een advocaat in die procedures niet verplicht is, terwijl als klager daartegen wel tijdig in hoger beroep was gegaan, de rechtbank dan op grond van artikel 1:7 lid 1 onder d Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (hierna: Wvggz) meteen een last tot toevoeging aan de raad voor rechtsbijstand had gegeven. Met betrekking tot verzoek 3 is klager in de e-mail uitgelegd dat procedures tegen de Staat in het arrondissement Den Haag gestart moeten worden en dat klager daarvoor dan ook bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag om aanwijzing van een advocaat kan verzoeken. Daarbij is klager er voor de volledigheid ook op gewezen dat zijn uitlatingen in de e-mails die hij aan deken heeft gezonden procedures betreffen die verjaard zijn en dat die zaken dan ook niet in aanmerking komen voor aanwijzing van een advocaat. Met betrekking tot verzoek 2 is klager verzocht aan te geven welke zaak hij bij de rechtbank Midden-Nederland aanhangig wenst te maken en waarop dat is gebaseerd, omdat de deken alleen een advocaat kan aanwijzen voor een procedure die in het arrondissement Midden-Nederland aanhangig gemaakt moet worden.
2.5 Klager heeft bij e-mail van 29 juni 2025 om 12.03 uur op de e-mail van 16 juni 2025 gereageerd. In deze reactie heeft klager geen antwoord gegeven op de met betrekking tot verzoek 2 gestelde vraag welke procedure, waarbij de rechtsbijstand van een advocaat nodig zou zijn, bij de rechtbank Midden Nederland aanhangig gemaakt zou moeten worden. Verder blijkt uit de e-mail dat klager de verzoeken 1 en 3 niet intrekt.
2.6 Daarnaast heeft klager bij e-mail van 29 juni 2025 om 12.31 uur een aantal e-mails aan de stafjurist van de deken doorgestuurd, welke e-mails door klager zijn gericht aan de Nationale Ombudsman en de gemeente Utrecht, en waarbij klager heeft aangegeven voor de daarin genoemde procedures ook bijstand van een advocaat te wensen.
2.7 De deken heeft de verzoeken van klager met de beslissing van 9 oktober 2025 afgewezen. Ten aanzien van de verzoeken 1 en 3 heeft de deken herhaald wat daarover in de e-mail van 16 juni 2025 aan klager is meegedeeld. Aan de afwijzende beslissing ten aanzien van verzoek 2 heeft de deken ten grondslag gelegd dat klager, ondanks het verzoek van de stafjurist van 16 juni 2025, geen nadere, relevante informatie heeft verstrekt en/of schriftelijke stukken heeft overgelegd ter onderbouwing van zijn verzoek en de door de stafjurist gestelde vragen niet of niet afdoende heeft beantwoord. Hierdoor ontbreekt inzicht in (de haalbaarheid van) de procedure die klager wenst te beginnen, of die procedure in Midden-Nederland gevoerd dient te worden en of daarbij de rechtsbijstand van een advocaat verplicht is. De deken kan om die reden niet beoordelen of het verzoek van klager voldoet aan de voorwaarden van artikel 13 Advocatenwet. Daarnaast heeft de deken erop gewezen dat klager niet voldoende heeft onderbouwd dat hij zich heeft ingespannen om zelf een advocaat te vinden. De deken heeft op basis van het voorgaande geconcludeerd dat zij geen advocaat kan aanwijzen krachtens artikel 13 Advocatenwet.
3 BEKLAG EN VERWEER
Gronden van het beklag 3.1 Klager stelt dat de deken het verzoek ten onrechte heeft afgewezen. Daartoe voert klager het volgende aan. Klager wijst erop dat de deken bewijs voor lopende procedures in het kader van de GGZ had kunnen ophalen bij hemzelf, bij de heer S(…) (hof: zijn voormalige stamadvocaat), of bij de advocaten V(…) en B(…) (hof: twee voormalige advocaten van klager). Verder heeft klager erop gewezen dat hij op alle e-mails van de stafjurist heeft gereageerd, en dat hij meerdere malen het Juridisch Loket (tot en met klachtenprocedures aan toe), de Rechtbank Utrecht, andere rechtbanken, en heel veel advocaten en de Raad voor de Rechtsbijstand heeft benaderd, en dat hij al in 2024 de communicatie met allerlei advocaten aan zijn verzoeken heeft toegevoegd. Klager wijst in het beklagschrift daarnaast op verschillende omstandigheden die er volgens klager toe leiden dat hij meerdere advocaten nodig heeft en hij eist daarom onmiddellijk een advocaat, onder meer voor een hoorzitting bij de gemeente Utrecht die op “5 oktober/november 2025” zou plaatsvinden naar aanleiding van een bezwaarschrift van klager. Ten slotte is het volgens klager onjuist dat zaken verjaard zouden zijn.
Verweer 3.2 De deken heeft in het verweerschrift de redenen uiteengezet waarom zij de verzoeken van klager heeft afgewezen. De deken meent dat klager in zijn beklagschrift geen feiten of omstandigheden heeft aangevoerd op grond waarvan getwijfeld moet worden aan de juistheid van de beslissing van 9 oktober 2025. Ten aanzien van de hoorzitting bij de gemeente Utrecht, heeft de deken aangegeven dat die procedure geen onderdeel uitmaakte van het oorspronkelijke verzoek van klager en dat bijstand van een advocaat in die procedure bovendien niet verplicht is. Voor zover van belang zal het verweer van de deken hierna verder worden besproken.
4 BEOORDELING
Toetsingskader
4.1 Op grond van artikel 13 Advocatenwet kan een rechtzoekende die niet (tijdig) een advocaat bereid vindt hem bij te staan in een zaak waarin vertegenwoordiging door een advocaat is voorgeschreven of bijstand uitsluitend door een advocaat kan geschieden, zich wenden tot de deken met het verzoek een advocaat aan te wijzen. De deken kan een verzoek op grond van dit artikel alleen wegens gegronde redenen afwijzen. Een dergelijke reden kan onder meer bestaan indien de door klager gewenste procedure geen verplichte procesvertegenwoordiging kent, of indien de procedure geen redelijke kans van slagen heeft.
Overwegingen van het hof
Ten aanzien van de verzoeken 1 en 3 4.2 Het hof is van oordeel dat de deken deze verzoeken op juiste gronden heeft afgewezen. Het hof overweegt daarover het volgende.
4.3 Ten aanzien van verzoek 1 geldt dat voor klager, voor wie een zorgmachtiging was/is afgegeven, voor de aanwijzing van een advocaat een andere procedure openstond dan wel - staat, namelijk de procedure van artikel 1:7 lid 1 Wvggz. De vangnetbepaling van artikel 13 Advocatenwet is niet bedoeld voor situaties waarin sprake is van verplichte zorg. Daarnaast is in beroepsprocedures (door middel van een verzoekschrift bij de rechtbank) tegen beslissingen van een klachtencommissie bijstand van een advocaat niet verplicht. Het beroep kan door de patiënt, zijn vertegenwoordiger of door de zorgaanbieder worden ingesteld.
4.4 Ten aanzien van verzoek 3 merkt het hof op dat in artikel 13 lid 1 Advocatenwet staat dat het aanwijzingsverzoek gedaan moet worden bij de deken in het arrondissement waar de zaak moet dienen. Klager heeft aangegeven een procedure tegen de Staat te willen starten en procedures tegen de Staat moeten bij de rechtbank Den Haag worden aangebracht. Dat betekent dat aanwijzingsverzoeken voor procedures tegen de Staat ook bij de deken in het arrondissement Den Haag moet worden gedaan, en dus niet bij de deken Midden-Nederland.
4.5 De verzoeken 1 en 3 voldoen op grond van wat hiervoor is overwogen niet aan de voorwaarden die artikel 13 Advocatenwet voor aanwijzing van een advocaat stelt, zodat deze verzoeken door de deken op juiste gronden zijn afgewezen.
Ten aanzien van verzoek 2
4.6 Ten aanzien van verzoek 2 stelt het hof vast dat klager, ondanks het verzoek daartoe van de deken, geen (relevante) informatie heeft gegeven, of concrete stukken heeft aangeleverd, waaruit blijkt wat voor procedure klager wenst te beginnen, wat de haalbaarheid van die procedure is, of die procedure in Midden-Nederland gevoerd dient te worden en of daarbij de rechtsbijstand van een advocaat verplicht is. Daarmee heeft klager zijn verzoek onvoldoende onderbouwd en kon de deken niet beoordelen of aan de voorwaarden van artikel 13 Advocatenwet was voldaan, zodat ook dit verzoek door de deken op juiste gronden is afgewezen.
Conclusie
4.7 Het beklag zal ongegrond worden verklaard.
5 BESLISSING
Het Hof van Discipline:
verklaart het beklag van klager tegen de beslissing van 9 oktober 2025 van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Midden-Nederland ongegrond.
Deze beslissing is genomen door mr. J. Blokland, voorzitter, mrs. B.J.R. van Tongeren en G.C. Endedijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.N. Boogers-Keuning, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 12 januari 2026.
griffier voorzitter
De beslissing is verzonden op 12 januari 2026.
