Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

12-01-2026

ECLI

ECLI:NL:TAHVD:2026:7

Zaaknummer

250068

Inhoudsindicatie

Klager heeft een klacht ingediend tegen de advocaat van de wederpartij bij het leggen van pandhoudersbeslag. Klager verwijt verweerder dat hij artikel 21 Rv heeft geschonden door cruciale informatie weg te laten uit het verzoekschrift ex artikel 496 lid 2 Rv. Het hof oordeelt dat de klacht gegrond is. Het hof ziet echter aanleiding de aan verweerder opgelegde maatregel van schorsing te wijzigen in een berisping. Voor zover verweerder heeft aangevoerd dat de raad buiten de klachtomschrijving is getreden volgt het hof hem niet. De in dit kader door verweerder aangevoerde punten maken onderdeel uit van de motivering van de maatregel. Het staat de tuchtrechter vrij feiten en omstandigheden in aanmerking te nemen die niet ten grondslag liggen aan de gegrondverklaring van een klacht om te komen tot een passende maatregel.

Uitspraak

Beslissing van 12 januari 2026 in de zaak 250068

naar aanleiding van het hoger beroep van:

verweerder

gemachtigden: mr. B.D.W. Martens en mr. S.A.A. Hendrickx, advocaten te Den Haag 

tegen:

klager

gemachtigde: mr. J.J.M. Cliteur, advocaat te Rosmalen

 

 

1    INLEIDING

1.1    Klager heeft een klacht ingediend tegen de advocaat van de wederpartij bij het leggen van pandhoudersbeslag. Klager verwijt verweerder dat hij artikel 21 Rv heeft geschonden door cruciale informatie weg te laten uit het verzoekschrift ex artikel 496 lid 2 Rv. Het hof oordeelt dat de klacht gegrond is. Het hof ziet echter aanleiding de aan verweerder opgelegde maatregel van schorsing te wijzigen in een berisping. 

1.2    Het hof zet eerst het verloop van de procedure bij de raad en het hof uiteen. Vervolgens zet het hof het volgende op een rij: de feiten, de klacht en de beoordeling van de raad. Daarna volgen de redenen waarom verweerder in beroep is gekomen en hoe het hof daarover oordeelt.  

2    DE PROCEDURE 

Bij de raad van discipline

2.1    De Raad van Discipline in het ressort ‘s-Hertogenbosch (hierna: de raad) heeft in de zaak tussen klager en verweerder (zaaknummer: 24-514/DB/LI) een beslissing genomen op 20 januari 2025. In deze beslissing is de klacht van klager gegrond verklaard. Aan verweerder is de maatregel van schorsing voor de duur van vier weken, waarvan twee weken voorwaardelijk, opgelegd. Verder is verweerder veroordeeld tot betaling van het griffierecht, reiskosten en proceskosten. 

2.2    Deze beslissing is onder ECLI:NL:TADRSHE:2025:10 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.

Bij het hof van discipline

2.3    Het beroepschrift van verweerder tegen de beslissing is op 19 februari 2025 ontvangen door de griffie van het hof. 

2.4    Verder bevat het dossier van het hof: -    de stukken van de raad, -    de e-mail van de gemachtigde van klager van 31 oktober 2025 met bijlagen.    2.5    Het hof heeft de zaak mondeling behandeld tijdens de openbare zitting van 14 november 2025. Daar zijn klager, bijgestaan door zijn gemachtigde, en verweerder, bijgestaan door zijn gemachtigden, verschenen. De gemachtigden van verweerder hebben het standpunt van verweerder toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen, die onderdeel uitmaken van het dossier van het hof. 

3    FEITEN

3.1    Het hof stelt de volgende feiten vast.

3.2     In 2021 is verweerder benaderd door C om een samenwerkingsovereenkomst tussen C en klager en een pandakte ten gunste van C en ten laste van klager op te stellen. Nadat verweerder de documenten heeft opgesteld, is verweerder vervolgens niet betrokken bij de ondertekening of registratie daarvan.

3.3    Op 5 mei 2022 is klager slachtoffer geworden van een gewelddadige roofoverval (zie 3.24), waarbij een groot aantal (kunst)voorwerpen uit zijn woning is ontvreemd. Aan de hand van camerabeelden is onder meer C als verdachte aangemerkt. Het Openbaar Ministerie is vervolgens overgegaan tot vervolging van onder meer C.

3.4    Op 11 oktober 2022 is klager bij de rechtbank Gelderland een schadevergoedingsprocedure gestart tegen de partijen die hij beschuldigde van de overval, waaronder C (zie 3.23).

3.5    Op 25 januari 2023 heeft C bij conclusie van antwoord in de schadevergoedingsprocedure een beroep gedaan op verrekening met een gestelde vordering op klager. In dat verband heeft C gewezen op de samenwerkingsovereenkomst en de pandakte van 23 juli 2021. C werd in die procedure bijgestaan door mr. V, werkzaam bij een ander advocatenkantoor dan het kantoor van verweerder.

3.6    Op 31 januari 2023 heeft mr. V de pandakte namens C laten registreren bij de Belastingdienst.

3.7    Ter zitting van 17 mei 2023 van de rechtbank Gelderland is namens klager betwist dat C de vordering zou kunnen verrekenen:

’Voor de volledigheid laten cliënten weten dat zij betwisten dat C op enigerlei wijze een vordering op hen heeft. Daarbij is in het bijzonder van belang dat de door deze gedaagde overgelegde samenwerkingsovereenkomst en de pandakte (producties 4 en 5 C) niet door of namens cliënten zijn ondertekend, dat het hier valse handtekeningen betreft en dat op basis van deze stukken niet kan worden vastgesteld dat gedaagde C in privé een vordering op [klager] in privé heeft.’

3.8    Medio juni 2023 heeft C zich weer tot verweerder gewend voor bijstand bij het leggen van pandhoudersbeslag.

3.9    Op 29 juni 2023 heeft verweerder namens C een ‘verzoekschrift van pandhouder tot verlof voor het onder zich nemen van verpande roerende zaken ex artikel 496 lid 2 Rv’ ingediend bij de voorzieningenrechter van de rechtbank Oost-Brabant. Aan het verzoekschrift worden de samenwerkingsovereenkomst en de pandakte ten grondslag gelegd. In het verzoekschrift is geen melding gemaakt van het feit dat klager de geldigheid van de samenwerkingsovereenkomst en de pandakte heeft betwist.

3.10     Op 30 juni 2023 heeft de voorzieningenrechter het gevraagde verlof verleend. Verweerder heeft de beschikking aan C doorgestuurd en heeft zich niet beziggehouden met de beslaglegging op grond van het verlof.

3.11     Op 26 juli 2023 heeft de deurwaarder de beschikking van 30 juni 2023 aan klager betekend en zijn ongeveer 197 roerende zaken uit de woning in beslag genomen, waaronder klagers meubels, auto’s, kunst en wielrenfietsen. De beslagen zaken zijn afgegeven aan C.

3.12     Nadat de deurwaarder de voorwerpen in beslag had genomen, heeft klagers gemachtigde zich tot het kantoor van verweerder gewend:

’Onder verwijzing naar ons gesprek van zojuist zou ik het op prijs stellen als u mij nog kunt voorzien van uw verzoekschrift ex artikel 496 lid 2 Rv aan de voorzieningenrechter in de rechtbank Oost-Brabant alsmede van het door de voorzieningenrechter gegeven verlof op dat verzoekschrift. Voor zover dat verzoekschrift is gebaseerd op een beweerdelijk door cliënt getekende pandakte van 23 juli 2021 laat ik u weten dat cliënt de authenticiteit van zijn handtekening onder die akte betwist. Ook in de tussen cliënt en uw cliënt bij de rechtbank Gelderland lopende procedure is deze akte door uw cliënt (als productie 5 bij antwoord) overgelegd. In die procedure heeft cliënt ook laten weten dat zijn handtekening onder dat document vervalst is. Cliënt behoudt zich met betrekking tot de gevolgen die voortvloeien uit het gebruik van zijn vervalste handtekening alle rechten voor. (…)’

3.13     Op 28 juli 2023 heeft de gemachtigde van klager aan verweerders kantoorgenoot/gemachtigde geschreven:

’Dank voor de toezending van de stukken die de basis vormen voor het pandbeslag dat gisteren ten aanzien van mijn cliënt, [klager], is uitgevoerd.

Op 5 mei 2022 heeft op de woning van cliënt een roofoverval plaatsgevonden waarbij onder meer uw cliënt is betrokken. Het Openbaar Ministerie heeft mij in het kader van de hierna te noemen civiele procedure tot verhaal van de tijdens die overval bij cliënt ontstane schade bevestigd dat ook uw cliënt tot de groep van verdachten behoort die voor deze woningoverval wordt vervolgd.

Onder rolnummer HA ZA 22/536 is door cliënt onder meer tegen uw cliënt een procedure tot verhaal van de tijdens die overval ontstane schade gestart bij de rechtbank Gelderland. In die procedure zijn door uw cliënt ook de stukken die de basis vormen voor het pandbeslag waarop op 30 juni jl. verlof voor is verleend overgelegd, waaronder de pandakte. Op die stukken is door cliënt uitvoerig verweer gevoerd. Onder meer is namens mijn cliënt het standpunt ingenomen dat meerdere stukken, waaronder de pandakte, valselijk zijn opgemaakt en dat de handtekeningen die door mijn cliënt onder die stukken zouden zijn gezet niet van hem afkomstig zijn.

U heeft mij, tijdens ons telefoongesprek dat wij gisteren met elkaar, in aanwezigheid van [verweerder], voerden, op mijn expliciete vraag daarover laten weten dat [verweerder] bekend was met het feit dat mr. [V], met wie de samenwerking nog voor de comparitie van partijen bij de rechtbank Gelderland op 7 mei jl, werd beëindigd, eerder voor uw cliënt had opgetreden.

(…)

Mede gelet op het bepaalde in artikel 21 Rv verzoek ik u mij te laten weten om welke reden bovenstaande informatie in het verzoekschrift en de bij dit verzoekschrift gevoegde producties niet is vermeld.’

3.14     Diezelfde dag heeft de kantoorgenoot/gemachtigde van verweerder gereageerd:

’In antwoord op uw brief van zojuist bericht ik u als volgt.

Los van de vraag of hetgeen u stelt juist is (hetgeen immers kennelijk ter beoordeling aan de rechter voorligt), is het irrelevant, nu mijn cliënt de goederen als pandhouder onder zich heeft genomen.

Anders dan u stelt, heb ik tijdens ons telefoongesprek ook niet laten weten dat [verweerder] bekend was met het feit dat mr. [V] eerder voor mijn cliënt had opgetreden, Dat zou ook vreemd zijn, nu [verweerder] zelf deelnemer was aan ons gesprek en ik niet namens hem antwoord, zeker niet in gesprekken waarin hij zelf deelnemer is. Wel heb ik (namens mijzelf) aan u verteld dat ik weet dat mr. [V] in het verleden voor mijn cliënt heeft opgetreden. Die informatie is mij overigens eerst recentelijk ter orde gekomen.

Van enige schending van artikel 21 Rv is dan ook geen sprake. Dat wil echter niet zeggen dat we deze zaak niet pragmatisch zouden kunnen benaderen. In dat kader is cliënt bereid twee opties voor te leggen, te weten. (…)’

3.15     Nadat het pandbeslag was gelegd, is klager een kort geding gestart tegen C strekkende tot teruggave van de meegenomen zaken.

3.16     Op 9 augustus 2023 heeft C aan klagers gemachtigde geschreven dat verweerder(s kantoor) hem niet bijstaat in ‘deze kwestie’.

3.17     Op 11 augustus 2023 heeft klagers gemachtigde aan verweerders kantoorgenoot/gemachtigde geschreven:

‘Graag verwijs ik u naar de bijlage: nu ik van u niet de bevestiging heb ontvangen dat u niet langer optreedt voor de heer C zend ik bijgaand de aanvraag voor het eerder aangekondigde kort geding in deze zaak.’

3.18     Op 11 augustus 2023 heeft verweerders kantoorgenoot/gemachtigde aan klagers gemachtigde bevestigd dat hij C niet bijstaat in ‘deze aangelegenheid’ en dat de correspondentie rechtstreeks aan C mag worden gericht.

3.19     Op de zitting in kort geding van 21 september 2023 is C in persoon verschenen, zonder advocaat. Ter zitting is gebleken dat C een dag voor de zitting een conclusie van antwoord heeft ingediend, waarvan klager geen kopie heeft gekregen. Desgevraagd heeft C verteld dat de conclusie van antwoord is opgesteld door verweerder. De initialen van verweerder worden ook genoemd in de voettekst van de conclusie van antwoord. In de conclusie van antwoord is over de schending van artikel 21 Rv het volgende naar voren gebracht:

‘34. [Klager] meent dat C artikel 21 Rv heeft geschonden, door niets op te merken over de (vermeende) roofoverval. C zou deze informatie hebben verzwegen om te voorkomen dat [klager] gehoord zou worden en/of onderzoek zou plaatsvinden naar de authenticiteit van de pandakte en andere stukken ingebracht door C.

35. Zoals reeds opgemerkt kloppen de feiten en omstandigheden, zoals door [klager] naar voren gebracht, niet. Er is geen sprake geweest van een roofoverval. Daarvoor is geen enkele aanleiding. C heeft dit in de civiele procedure overigens ook al inhoudelijk betwist. Het is dan ook niet relevant om hier iets over op te merken. Voorts is het belang voor het vermelden van de vermeende roofoverval zeer beperkt. Wat heeft de overval met het pandhoudersbeslag te maken? Helemaal niets. Er is aldus geen sprake van een schending van artikel 21 Rv, zodat het gevorderde niet op basis hiervan kan worden toegewezen.

36. De door [klager] naar voren gebrachte feiten en omstandigheden doen overigens ook niets af aan de authenticiteit van de stukken die door C naar voren zijn gebracht. Er is geen enkele reden om aan de authenticiteit van de documenten te twijfelen. [Klager] voert hiervoor ook niets aan. Hij stelt enkel dat C niet de gehele voorgeschiedenis naar voren heeft gebracht, maar [klager] laat na om te onderbouwen waarom dit afbreuk doet aan de authenticiteit van de documenten. Dit kort geding is niet geschikt om de authenticiteit van de documenten nader te onderzoeken, aangezien dit een ander nader feitenonderzoek en/of bewijslevering vergt waarvoor in dit kort geding geen ruimte is. Thans kan uitgegaan worden van de authenticiteit van de documenten, zo meent C.’

3.20     Bij vonnis van 6 oktober 2023 heeft de voorzieningenrechter klager in het gelijk gesteld en C geboden om de in het kader van het pandhoudersbeslag meegenomen zaken terug te geven. Daarbij heeft de voorzieningenrechter overwogen:

‘4.4. C heeft in het door hem op 29 juni 2023 ingediende verzoek tot het verkrijgen van verlof tot het leggen van pandhoudersbeslag, waarbij hij zich beroept op - met een pandrecht gesecureerde - vorderingen uit hoofde van (onder andere) de samenwerkingsovereenkomst van 23 juli 2021, géén melding gemaakt van deze procedure noch van het verweer in die procedure van [klager], voor zover inhoudende dat hij de echtheid van de handtekeningen onder de pandakte en samenwerkingsovereenkomst gemotiveerd betwist. De voorzieningenrechter acht, gelet op de duidelijke en ondubbelzinnige instructie van artikel 21 Rv zoals nader uitgewerkt in de Beslagsyllabus, niet voor redelijke betwisting vatbaar dat (de advocaat van) C heeft moéten begrijpen dat dit standpunt van [klager] ten aanzien van de - aan het beslagrekest ten grondslag gelegde - pandrechten van belang was voor de voorzieningenrechter die moest oordelen op het gevraagde verlof om pandhoudersbeslag te mogen leggen en dat hij die informatie daarom in het verzoekschrift ter verkrijging van verlof tot het leggen van pandhoudersbeslag had moeten vermelden.

4.5. De voorzieningenrechter is van oordeel dat C zich daarmee in het verzoekschrift van 29 juni 2023 niet aan de waarheidsplicht heeft gehouden: hij heeft geen opgave gedaan van de lopende bodemprocedure bij de rechtbank Gelderland, noch het standpunt van [klager] in die procedure aangaande de echtheid van de pandakte en samenwerkingsovereenkomst opgenomen als het hem ten tijde van de indiening van het verzoekschrift bekende verweer tegen de aan het verzoek ten grondstag gelegde pandrechten. Dit verzuim levert een flagrante schending op van het voorschrift van artikel 21 Rv zoals nader uitgewerkt in de Beslagsyllabus. Door dit verweer achterwege te laten (en deze zelfs in het geheel niet te noemen) heeft C de voorzieningenrechter onvolledig geïnformeerd als gevolg waarvan de voorzieningenrechter bij het nemen van zijn beslissing van 30 juni 2023 op het verkeerde been is gezet. De achtergehouden informatie was - nu zij betrekking had op de echtheid van de pandakte - evident van wezenlijk belang voor de beoordeling van het verzoek.

4.6. De voorzieningenrechter acht de handelwijze van C zodanig in strijd met de goede procesorde dat hij aanleiding ziet om - met gebruikmaking van de hem bij schending van artikel 21 Rv gegeven bevoegdheid - de primaire vordering van [klager] tot afgifte van de zaken als vermeld in het proces-verbaal van pandhoudersbeslag van 26 juli 2023 toe te wijzen als volgt. Daargelaten dat reeds de enkele schending van artikel 21 Rv aanleiding kán opleveren om het beslag op te heffen acht de voorzieningenrechter ook aannemelijk dat bij een juiste en volledige informatieverstrekking in het verzoekschrift het verlof zou zijn geweigerd, althans - tenminste - aanleiding zou hebben opgeleverd om [klager] op het verzoek te horen, nu met de betwisting van de echtheid van de pandakte, voorshands niet van een bestaan van een pandrecht kan worden uitgegaan. Op grond van artikel 159 lid 2 Rv levert immers een onderhandse akte waarvan de ondertekening door de partij tegen welke zij dwingend bewijs zou opleveren stellig wordt ontkend, geen bewijs op zolang niet bewezen is van wie de ondertekening afkomstig is. Indien het verlof was geweigerd door de voorzieningenrechter, hetgeen de voorzieningenrechter in de onderhavige situatie niet onaannemelijk voorkomt, waren de zaken niet in de macht van [klager] gekomen, zodat de vordering tot afgifte van die zaken om die reden voor toewijzing gereed ligt.’

3.21     Op 8 januari 2024 heeft C een verklaring opgesteld naar aanleiding van de tuchtklacht. Daaruit volgt onder meer:

‘(…) Ik heb u medio 2021 gevraagd om voor mij een samenwerkingsovereenkomst op te stellen die mede ten doel had de bestaande en nieuwe afspraken die ik en mijn BV hadden op [klager] vast te leggen. Onderdeel van die afspraken betrof onder andere de vestiging van een pandrecht ten gunste van mij. U heeft daarvoor een pandakte opgemaakt.

U bent verder niet betrokken geweest bij de ondertekening van deze overeenkomst. Een andere advocaat, mr. [V], heeft mij uiteindelijk geattendeerd op het feit dat deze pandakte ook ter registratie aangeboden moest worden bij de belastingdienst. Vandaar dat er enige tijd tussen ondertekening en aanbieding aan de belastingdienst is.

In 2023 heb ik u wederom benaderd en gevraagd een pandhoudersbeslag te verzoeken aan de Rechtbank omdat ik dit zelf niet kon. U heeft het verzoekschrift opgesteld en nadien de beschikking aan mij verstrekt. Ikzelf heb de verdere afwikkeling met de deurwaarder geregeld. U bent daar niet bij betrokken geweest.

Voor de goede orde wil ik heel duidelijk verklaren dat ik u niet in kennis heb gesteld van een andere procedure die in de tussentijd door [klager] tegen mij (en 5 andere) was aangespannen en waarin ik werd bijgestaan door mr. [V.] (…) Mijns inziens was dit niet relevant daar dit een compleet andere zaak betrof. (…)

Pas toen u mij informeerde dat de advocaat [klager] de opheffing van het beslag vorderde, werd mij pas duidelijk wat de relevantie van die procedure was. Het stond mij niet eens meer bij dat er door de advocaat van [klager] tijdens de zitting werd gezegd dat de handtekening van [klager] vals zou zijn (hetgeen ik overigens stellig ontken). In de inmiddels ingebrachte bodemprocedure gaan we dit ook bewijzen. (…)’

3.22     Op 18 september 2024 heeft de rechtbank Gelderland een eindvonnis gewezen in de schadevergoedingsprocedure. De rechtbank heeft in dit vonnis, voor zover van belang, overwogen dat niet gebleken is dat inbreuk is gemaakt op het eigendomsrecht van klager zodat niet aan de vereisten voor onrechtmatig handelen dan wel groepsaansprakelijkheid is voldaan. De rechtbank heeft de schadevergoedingsvorderingen van klager dan ook afgewezen.

3.23     In een vonnis van 7 mei 2025 heeft de meervoudige kamer van de rechtbank Midden-Nederland (ECLI:NL:RBMNE:2025:2596) bewezen verklaard dat C - samengevat weergegeven - tezamen en in vereniging met anderen schilderijen, beelden en kunstboeken die geheel of ten dele aan klager toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om deze zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen klager. C is in dit vonnis veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden en tot een taakstraf van 240 uren. Verder heeft de rechtbank de vordering benadeelde partij van klager, die zag op vergoeding van immateriële schade, toegewezen tot een bedrag van € 1.550,-. 

4    KLACHT

4.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerder in strijd met artikel 21 Rv cruciale informatie te hebben weggelaten uit het verzoekschrift ex artikel 496 lid 2 Rv. Verweerder heeft hiermee in strijd gehandeld met de kernwaarde integriteit en gedragsregel 8. 

5    BEOORDELING RAAD

De klacht

5.1    De raad heeft vastgesteld dat verweerder op het moment van het (laten) schrijven van het verzoekschrift ex artikel 496 lid 2 Rv de beschikking had over de conclusie van antwoord in de schadevergoedingsprocedure. Verweerder had uit die conclusie van antwoord moeten opmaken dat er al een procedure liep tussen dezelfde partijen en had daarom, juist nu hij niet bekend was met de voorgeschiedenis van het geschil, extra informatie moeten opvragen bij zijn cliënt. Omdat het om een verstrekkend verzoek tot het leggen van pandhoudersbeslag ging, met verstrekkende gevolgen voor klager, wordt er van verweerder als advocaat meer verwacht dan dat hij enkel als doorgeefluik fungeert voor de cliënt. Dit betreft naar het oordeel van de raad dan ook een uitzonderingssituatie op het algemene uitgangspunt dat een advocaat kan uitgaan van de juistheid en volledigheid van de informatie die hij van zijn cliënt ontvangt. 

5.2    Dat verweerder de ontvangen stukken niet heeft gelezen, het schrijven van het verzoek bij een kantoorgenoot heeft neergelegd en dit processtuk vervolgens heeft ingediend bij de rechtbank zonder zich er op gedegen wijze te vergewissen van de inhoud daarvan, komt volgens de raad voor verweerders rekening. Verweerder had dan ook kennis behoren te hebben van de schadevergoedingsprocedure en de betwisting van de echtheid van de handtekeningen. Hoewel hij de schending van artikel 21 Rv en daarmee ook gedragsregel 8 wellicht niet bewust heeft veroorzaakt, kan deze schending hem volgens de raad worden aangerekend. Verweerder heeft immers nagelaten om zich voldoende in de procedure te verdiepen. De raad heeft de klacht daarom gegrond verklaard. 

De maatregel

5.3    De raad heeft overwogen dat verweerder niet alleen een verweerschrift heeft laten opstellen door een collega en dit vervolgens bij de voorzieningenrechter heeft ingediend zonder zich te vergewissen van de inhoud van dat processtuk aan de hand van het dossier, maar dat hij tevens onvoldoende oog heeft gehad voor de gevolgen van zijn handelen. Verweerders handelen heeft ertoe geleid dat nagenoeg al klagers roerende zaken zijn meegenomen door de deurwaarder op basis van een door verweerder veroorzaakte onjuiste informatieverstrekking aan de rechter. 

5.4    De raad heeft uit het dossier opgemaakt dat verweerder zijn diensten vaker op diezelfde wijze aan zijn cliënt heeft verleend. Zo heeft verweerder in 2021 een samenwerkingsovereenkomst en een pandakte en in 2023 een conclusie van antwoord voor C opgesteld zonder dat verweerder ook maar enigszins zicht heeft gehouden op wat C met deze stukken heeft gedaan. Verweerder acht het volgens de raad kennelijk toelaatbaar om op verzoek juridische stukken op te stellen, zonder zich te bekommeren wat er vervolgens met die stukken gebeurt. Daartoe bestond met name bij de conclusie van antwoord die in september 2023 aan de voorzieningenrechter is overgelegd alle aanleiding toe. Als achteraf blijkt dat een advocaat door een cliënt onvolledig of onjuist is geïnformeerd, dan past het een advocaat niet om de zaak (opnieuw) op zijn beloop te laten en zich door zijn cliënt te laten lenen voor het (wederom) opstellen van stukken zonder er verder zicht op te hebben hoe deze verder gebruikt gaan worden. 

5.5    Verweerder dient naar het oordeel van de raad niet alleen vanuit de kernwaarde partijdigheid te handelen in het belang van zijn cliënt, maar dient ook het vertrouwen dat in hem wordt gesteld, gelet op zijn geprivilegieerde positie binnen het rechtsbestel, te waarborgen. Het ‘over de toonbank’ verlenen van zijn dienstverlening past daar niet bij en schaadt het vertrouwen in de advocatuur. Uit de wijze waarop verweerder heeft gereflecteerd op deze klacht, maakt de raad niet op dat het voor hem inzichtelijk is geworden dat hij hiermee onbetamelijk handelt. 

5.6    Stuitend acht de raad bovendien de wijze waarop verweerder met deze klacht is omgegaan. Hij heeft zich aanvankelijk op het standpunt gesteld dat hij geheel geen kennis had kunnen hebben van de schadevergoedingsprocedure. Daarop heeft klager hem erop gewezen dat grote delen uit zijn verzoekschrift vrijwel identiek zijn aan de conclusie van antwoord in de schadevergoedingsprocedure. Verweerder heeft daarop schoorvoetend moeten erkennen dat hij dat stuk tóch in zijn dossier had zitten. Daarmee kan de raad enkel concluderen dat verweerder niet de moeite heeft genomen om de klacht op adequate wijze te bestuderen aan de hand van het dossier. De raad neemt die minachting van de deken en de tuchtrechter hoog op. 

5.7    Hoewel verweerder niet eerder met het tuchtrecht in aanraking is gekomen, acht de raad het noodzakelijk om aan verweerder een schorsing op te leggen. De raad heeft een schorsing van vier weken, waarvan twee weken voorwaardelijk, passend en geboden geacht. 

6    BEROEPSGRONDEN EN VERWEER

Beroepsgronden verweerder

Beroepsgrond 1 6.1    Verweerder voert aan dat de raad bij de beoordeling van de klacht buiten de grenzen van de klacht is getreden en is uitgegaan van onjuiste feiten en omstandigheden. De raad heeft ten onrechte als feit opgenomen dat klager slachtoffer is geworden van een gewelddadige roofoverval, maar volgens verweerder betreft dit slechts een stelling van klager. Verweerder wijst er daarbij op dat de vorderingen van klager in de schadevergoedingsprocedure in een vonnis van 18 september 2024 zijn afgewezen, omdat de beweerdelijke overvallers in werkelijkheid eigenaren waren van nagenoeg alle goederen die uit de woning van klager zijn gehaald, zodat geen sprake is van inbreuk op een eigendomsrecht van klager en daarmee van onrechtmatig handelen. 

6.2    Verweerder voert verder aan dat het zo moge zijn dat in de spreekaantekeningen van de gemachtigde van klager in de schadevergoedingsprocedure is opgenomen dat klager betwist de samenwerkingsovereenkomst en pandakte te hebben ondertekend, maar dat verweerder C tijdens deze procedure niet bijstond, en dus ook niet van deze spreekaantekeningen kennis heeft kunnen nemen. C heeft daarbij verklaard dat het hem niet meer bijstond dat de gemachtigde van klager tijdens de zitting had gesteld dat de handtekeningen van klager vervalst waren, zodat het onaannemelijk is dat C hiervan melding zou hebben gemaakt indien verweerder bij hem had doorgevraagd over de inhoud van de schadevergoedingsprocedure. Van belang is daarbij dat klager in de schadevergoedingsprocedure zelf werd beschuldigd van het vervalsen van handtekeningen. 

6.3    Verweerder wijst verder op het verzoekschrift tot het leggen van conservatoir beslag dat de curator in het faillissement van de onderneming van C heeft ingediend. De curator schrijft daarin dat, hoewel klager de ondertekening van de samenwerkingsovereenkomst betwist, hij niet uitdrukkelijk de afspraken betwist zoals die in de samenwerkingsovereenkomst staan weergegeven. Verder schrijft de curator dat klager heeft gesteld dat op basis van de samenwerkingsovereenkomst en de pandakte niet kan worden vastgesteld dat C in privé een vordering op klager in privé heeft, maar dat klager tot op heden niet heeft betwist dat de onderneming van C een vordering heeft op (onder andere) klager in privé. Verder schrijft de curator bekend te zijn met meerdere getuigenverklaringen, waarin de bewuste personen verklaren dat klager op 23 juli 2023 wel degelijk de samenwerkingsovereenkomst en de pandakte heeft ondertekend. Verweerder voert aan dat, indien hij op de hoogte was geweest van de betwisting van de echtheid van de handtekening van klager, de hiervoor genoemde argumenten hem ook ten dienste hadden gestaan en hij dit zou hebben aangevoerd in het verzoekschrift tot verkrijging van verlof voor het leggen van pandbeslag. 

Beroepsgrond 2 6.4    Verweerder voert aan dat de raad bij de beoordeling van de klacht niet het toetsingscriterium heeft toegepast dat geldt bij de beoordeling van een klacht tegen de advocaat van de wederpartij. Verweerder stelt vast dat de raad aan de beslissing ten grondslag legt dat verweerder meerdere malen als doorgeefluik heeft gefungeerd, dat hij geen verantwoordelijkheid neemt voor de inhoud van de door hem ingediende processtukken en dat hij de deken en de raad heeft geminacht. Verweerder betwist de deken of de raad te minachten. Hij voert aan dat hij bij het opstellen van zijn schriftelijke reactie op de klacht weliswaar in eerste instantie uit zijn geheugen heeft geput, maar dat hij daarmee geen blijk van desinteresse of minachting heeft gegeven. Verweerder wijst erop dat hij in deze periode te maken heeft gekregen met een burn-out die nog altijd voortduurt. Toen verweerder duidelijk werd dat de feiten anders lagen dan hij veronderstelde, heeft hij bij dupliek toegegeven dat zijn reactie nuancering behoefde. Verweerder begrijpt niet hoe de raad dit als minachting heeft kunnen opvatten. Verweerder heeft juist ruiterlijk toegegeven dat hij zich had vergist, maar heeft ook aangevuld dat dat niet maakt dat hij moedwillig informatie heeft achtergehouden en daarmee bewust artikel 21 Rv heeft geschonden. 

6.5    Met de constatering van de raad dat verweerder de onjuiste informatieverstrekking in het verzoekschrift heeft veroorzaakt, treedt de raad naar de mening van verweerder buiten de grenzen van de klacht. Het verwijt was namelijk dat verweerder onvolledig is geweest bij het opstellen van het verzoekschrift. Van onjuiste informatie was geen sprake. Bovendien geldt dat het niet de roerende zaken van klager, maar de roerende zaken van derden waren die in beslag zijn genomen. 

6.6    Verweerder betwist als doorgeefluik te hebben gefungeerd en stelt wel degelijk verantwoordelijkheid te nemen voor de door hem ingediende processtukken. Verweerder meent dat het niet zijn verantwoordelijkheid is om het beslag te leggen dan wel om zich ervan te vergewissen dat de door hem opgestelde stukken ook daadwerkelijk worden ondertekend. 

Beroepsgrond 3 6.7    Verweerder voert aan dat hij bij het opstellen van het verzoekschrift tot het leggen van pandbeslag niet wist dat er sprake was van een discussie over de echtheid van de handtekening onder de samenwerkingsovereenkomst en de pandakte tussen klager en C. Of hij die kennis had behoren te hebben, zoals door de raad is geoordeeld, is volgens verweerder maar zeer de vraag. In de conclusie van antwoord in de schadevergoedingsprocedure wordt niet gerept over de vermeende valse handtekening. De mededeling daarover is gedaan door de advocaat van klager tijdens de zitting, in de pleitaantekeningen, waarover verweerder en zijn kantoorgenoot niet beschikten bij het opstellen van het verzoekschrift tot het verkrijgen van verlof voor het leggen van pandbeslag. Ook indien verweerder extra onderzoek zou hebben gedaan, kan niet met zekerheid worden vastgesteld dat verweerder de informatie over de betwisting van de echtheid van de handtekening zou hebben gekregen. Uit de verklaring van C blijkt dat hij niet meer scherp had dat de echtheid van de handtekeningen door klager werd betwist. Verweerder erkent echter dat hij bij het opstellen van het verzoekschrift meer informatie had kunnen en moeten verzamelen bij zijn cliënt over datgene wat zich al tussen partijen had afgespeeld. Verweerder wil benadrukken dat zijn bedoelingen goed zijn geweest. 

6.8    Volgens verweerder gaat het in deze zaak enkel om het feit dat hij onopzettelijk informatie niet heeft genoemd in een verzoekschrift, omdat hij daar zelf niet van op de hoogte was. Hij had dat mogelijkerwijs wel kunnen zijn en dat hij geen nader onderzoek heeft gedaan kan hem worden aangerekend, net als dat hij in bepaalde opzichten te veel is afgegaan op de mededelingen van zijn cliënt. Dit rechtvaardigt naar de mening van verweerder niet dat de beoordeling van zijn handelwijze door de raad en de maatregel zoals die is opgelegd. Verweerder wijst er verder op dat hij tijdens de zitting bij de raad, als gevolg van zijn burn-out, weinig energiek is overgekomen en dat de raad dit wellicht als onverschilligheid heeft opgevat. Verweerder wil benadrukken dat hij zich het gebeurde enorm heeft aangetrokken en dat hij een dergelijke kwestie in de toekomst heel anders zou aanpakken.

Verweer klager

6.9    Klager heeft ter zitting verweer gevoerd in beroep. Waar dat relevant is, bespreekt het hof dit bij de beoordeling van het beroep.

7    BEOORDELING HOF

Maatstaf

7.1    De tuchtrechter dient bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in artikel 10a Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen wel van belang zijn, gezien ook het open karakter van de behoorlijkheidsnorm in artikel 46 Advocatenwet. Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld.

7.2    Deze zaak betreft een klacht tegen de advocaat van de wederpartij. De maatstaf die het hof bij de beoordeling daarvan aanlegt is mede ingegeven door de voor advocaten geldende kernwaarde partijdigheid en houdt het volgende in. Een advocaat geniet een grote mate van vrijheid om de belangen van zijn cliënt te behartigen op de wijze die hem passend voorkomt. Deze vrijheid mag niet ten gunste van een wederpartij worden beperkt, tenzij haar belangen nodeloos en op ontoelaatbare wijze worden geschaad. Zo mag de advocaat (a) zich niet onnodig grievend uitlaten over de wederpartij, (b) geen feiten poneren waarvan hij de onwaarheid kent of redelijkerwijs kan kennen, (c) bij de behartiging van de belangen van zijn cliënt de belangen van de wederpartij niet onnodig of onevenredig schaden zonder redelijk doel. Daarbij geldt verder dat de advocaat de belangen van zijn cliënt dient te behartigen aan de hand van het feitenmateriaal dat zijn cliënt hem verschaft, en dat hij in het algemeen mag afgaan op de juistheid daarvan en slechts in uitzonderingsgevallen gehouden is de juistheid daarvan te verifiëren. De advocaat hoeft in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat hij voor zijn cliënt wil bereiken met de middelen waarvan hij zich bedient, opweegt tegen het nadeel dat hij daarmee aan de wederpartij toebrengt. Wel moet de advocaat zich onthouden van middelen die op zichzelf beschouwd ongeoorloofd zijn of die, zonder dat zij tot enig noemenswaardig voordeel van zijn cliënt strekken, onevenredig nadeel aan de wederpartij toebrengen.

Overwegingen hof

De raad buiten de klacht getreden? 7.3    In het hoger beroepsschrift heeft verweerder aangevoerd dat de raad buiten de klachtomschrijving is getreden. In de spreekaantekeningen heeft verweerder, onder verwijzing naar HvD  27 juni 2025, ECLI:NL:TAHVD:2025:114, deze beroepsgrond nader uitgewerkt. Het oordeel van de raad dat verweerder onvoldoende zorgvuldig heeft gehandeld in de wijze waarop verweerder de werkzaamheden voor zijn client heeft verricht maakt volgens verweerder geen onderdeel uit van de klacht. Het verwijt van de raad dat verweerder zijn diensten vaker op een in ogen van de raad verwijtbare wijze heeft verleend maakt ook geen onderdeel uit van de klachtomschrijving, en mag dan ook niet worden meegenomen bij de beoordeling van de klacht of het bepalen van de maatregel, aldus verweerder. De verwijten van de raad dat verweerder zijn diensten over ‘de toonbank’ zou verlenen en dat verweerder de deken en de tuchtrechter zou minachten gaan volgens verweerder de klachtomschrijving te buiten.

7.4    Het hof constateert dat de door de verweerder benoemde punten onderdeel uitmaken van de motivering van de maatregel en door de raad niet ten grondslag zijn gelegd aan de gegrondverklaring van de klacht. De beroepsgrond van verweerder dat de raad buiten de klacht is getreden slaagt dan ook niet. Bij het vaststellen van een maatregel die passend en geboden is dient de tuchtrechter (mede) uit te gaan van feiten en omstandigheden ten tijde van de beslissing en niet alleen van de feiten en omstandigheden ten tijde van het handelen of nalaten dat ten grondslag ligt aan de klacht. Het staat de tuchtrechter dus vrij feiten en omstandigheden in aanmerking te nemen die niet ten grondslag liggen aan de gegrondverklaring van een klacht om te komen tot een passende maatregel. Of in dit geval de raad een passende, en geboden, maatregel heeft opgelegd komt hierna aan de orde.

Inhoudelijk 7.5    Verweerder heeft een verzoekschrift tot verlof voor het onder zich nemen van verpande roerende zaken ex artikel 496 lid 2 Rv voor zijn cliënt C ingediend. Ten tijde van het opstellen van dit verzoekschrift beschikte verweerder, zo is niet in geschil, over de conclusie van antwoord die namens C in de tussen klager en C lopende schadevergoedingsprocedure was ingediend. Het hof is van oordeel dat verweerder in het verzoekschrift pandhoudersbeslag melding had dienen te maken van deze lopende procedure. Naar het oordeel van het hof had verweerder moeten begrijpen dat vermelding van de schadevergoedingsprocedure in dit geval noodzakelijk was, omdat de voorzieningenrechter in die omstandigheid aanleiding had kunnen zien om over te gaan tot het horen van partijen alvorens op het verzoek tot verlof tot het onder zich nemen van verpande roerende zaken zou worden beslist, mede gelet op de verstrekkende gevolgen wanneer het verlof zou worden verleend. Dat verweerder het verzoekschrift door een kantoorgenoot heeft laten schrijven en verweerder de van C ontvangen processtukken aanvankelijk zelf niet heeft gelezen, maakt het voorgaande niet anders, omdat verweerder de verantwoordelijkheid draagt voor de stukken die namens hem worden ingediend. 

7.6    Ook had verweerder, alvorens hij het verzoekschrift indiende, verder moeten doorvragen bij zijn cliënt. Weliswaar geldt als uitgangspunt dat een advocaat mag afgaan op de juistheid van het feitenmateriaal dat zijn cliënt hem verschaft, maar in dit geval stelde verweerder voor zijn cliënt een verzoekschrift tot het leggen van pandhoudersbeslag op (althans liet hij dat onder zijn verantwoordelijkheid opstellen), met verstrekkende gevolgen voor klager. Zeker nu in beginsel op een beslagrekest wordt beslist zonder dat de gerekwestreerde eerst wordt gehoord (ex-parte), rustte daarmee op verweerder een zwaarwegende verplichting alle voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid in het verzoekschrift naar voren te brengen. Onder die omstandigheden had het in dit geval op de weg van verweerder gelegen om nadere informatie bij zijn cliënt op te vragen over (de voorgeschiedenis van) de lopende schadevergoedingsprocedure, juist omdat hij zijn cliënt in die procedure niet bijstond. Verweerder heeft dit, zo heeft hij ook erkend, ten onrechte nagelaten. Daardoor heeft hij zich onvoldoende in de procedure verdiept en de voorzieningenrechter onvolledig geïnformeerd. Daarmee heeft verweerder niet integer gehandeld en gedragsregel 8 geschonden. Het hof acht de klacht dan ook gegrond. 

8    MAATREGEL

8.1    Verweerder heeft jegens klager onvoldoende zorgvuldig gehandeld in de wijze waarop hij werkzaamheden heeft verricht voor zijn cliënt. Het had in dit geval op de weg van verweerder gelegen verder navraag te doen bij zijn cliënt naar de achtergrond van het verzoek tot beslaglegging en in het verzoekschrift melding te maken van de lopende schadevergoedingsprocedure.  Door dit na te laten heeft verweerder de kernwaarde integriteit en gedragsregel 8 geschonden. Anders dan de raad ziet het hof in het handelen van verweerder geen patroon en evenmin een minachting van de deken en/of de raad. Het hof acht daarom – anders dan de raad – in dit geval een berisping passend en geboden. 

9    PROCESKOSTEN

9.1     Omdat het hof een maatregel oplegt, zal het hof verweerder op grond van artikel 48ac, eerste lid, Advocatenwet veroordelen in de kosten voor de procedure bij het hof conform de Richtlijn kostenveroordeling Hof van Discipline 2021:                                                                                                                                    a) € 50,- kosten van klager (forfaitair);  b) € 525,- kosten voor rechtsbijstand van klager/klaagster; c) € 1.000,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten; d) € 1.000,- kosten van de Staat.

9.2     Verweerder moet op grond van artikel 48ac lid 4 Advocatenwet het bedrag van € 575,- aan kosten van klager binnen vier weken na deze beslissing betalen aan klager. Klager geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing zijn/haar rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.

9.3     Verweerder moet op grond van artikel 48ac lid 4 Advocatenwet het bedrag van € 2.000,- binnen vier weken na deze uitspraak overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling hof van discipline" en het zaaknummer.

10    BESLISSING

Het Hof van Discipline:

10.1    vernietigt de beslissing van 20 januari 2025 van de Raad van Discipline in het ressort ‘s-Hertogenbosch, gewezen onder nummer 24-514/DB/LI, voor zover daarin aan verweerder de maatregel van schorsing voor de duur van vier weken, waarvan twee weken voorwaardelijk, is opgelegd;

en doet opnieuw recht:

10.2    legt aan verweerder de maatregel van berisping op;

10.3    bekrachtigt de beslissing van 20 januari 2025 van de Raad van Discipline in het ressort ‘s-Hertogenbosch, gewezen onder nummer 24-514/DB/LI, voor het overige;

10.4    veroordeelt verweerder tot betaling van de kosten in de procedure bij het hof van € 575,- aan klager, op de manier en binnen de termijn zoals hiervóór bepaald;

10.5     veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten in de procedure bij het hof van € 2.000,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn zoals hiervóór bepaald.

Deze beslissing is genomen door mr. drs. P. Fortuin, voorzitter, mrs. J.C.A.T. Frima, K. Teuben, I.P.A. van Heijst en J.M. Louwrier, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.R. Sijses, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 12 januari 2026.  

griffier    voorzitter             

De beslissing is verzonden op 12 januari 2026.