Rechtspraak
Uitspraakdatum
12-01-2026
ECLI
ECLI:NL:TADRARL:2026:9
Zaaknummer
25-639/AL/OV
Inhoudsindicatie
Voorzittersbeslissing. Klacht deels kennelijk niet-ontvankelijk en deels kennelijk ongegrond.
Uitspraak
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden
van 12 januari 2026
in de zaak 25-639/AL/OV
naar aanleiding van de klacht van:
klaagster
gemachtigde:
over
verweerder
De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief met bijlagen volgens de inventarislijst van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Overijssel (hierna: de deken) van 22 september 2025 met kenmerk 233165 . Ook heeft de voorzitter kennisgenomen van de aanvullende stukken van de gemachtigde van klaagster van 1 oktober 2025.
1 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.
1.1 Binnen de Vereniging van Eigenaren [naam VvE] (hierna: VvE) van [D] (hierna: []) te [plaatsnaam] bestaan al jaren conflicten over onder meer schendingen van statuten en reglementen en over financieel wanbeheer.
1.2 Klaagster is eigenaar van één van de appartementen in [D]. [klaagster]is mede‑eigenaar.
1.3 Klaagster heeft in een procedure om het ontslag van de voorzitter van de VvE, de heer [K] (hierna: [K]) verzocht. Verweerder staat [K] bij. Ook heeft klaagster verzocht om [K] uit te schrijven uit het handelsregister en hem te veroordelen tot het inleveren van de bankpas en tot betaling van €25.000,-. De mondelinge behandeling van de zaak was op 12 maart 2024.
1.4 Op 29 maart 2024 heeft verweerder de kosten inzake de procedure van klaagster tegen [K] aan de Vereniging van Eigenaars van het Gebouw [naam] inzake ‘ [naam VvE]’ gedeclareerd.
1.5 Op 6 mei 2024 heeft de kantonrechter in de rechtbank Gelderland uitspraak gedaan. De kantonrechter heeft klaagster niet-ontvankelijk in haar verzoek verklaard.
1.6 Op 22 maart 2024 heeft klaagster bij de deken een klacht tegen verweerder ingediend. Op verzoek van klaagster is deze klacht aangehouden in afwachting van de uitkomst van een mediationtraject. Op 15 januari 2025 heeft klaagster te kennen gegeven dat de klachtenprocedure kan worden vervolgd. Op 12 maart 2025 is de klacht, nadat de gevraagde toelichting op de klacht door klaagster is ontvangen, door de deken in behandeling genomen.
2 KLACHT
De klacht houdt in, zakelijk weergegeven, dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Verweerder was, tijdens de zitting op 12 maart 2024, partijdig en zijn handelen was niet gericht op waarheidsvinding maar op het frustreren van een eerlijke procesgang. Volgens klaagster is er geprobeerd om tot een minnelijke regeling te komen maar weigerde de wederpartij dit en hield verweerder zich Oost-Indisch doof. Het juridische traject zou hebben geleid tot verdere escalatie in plaats van tot een oplossing. In repliek stelt klaagster dat verweerder zijn factuur aan de VvE heeft gestuurd en dat verweerder door valse informatie van zijn cliënt heeft gelogen.
3 VERWEER
3.1 Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
4 BEOORDELING
Maatstaf
4.1 Een advocaat moet zich onthouden van handelingen waardoor het vertrouwen in de advocatuur als zodanig wordt geschaad, en zich te allen tijde dient te onthouden van een handelen of nalaten dat een behoorlijk advocaat niet betaamt. Dergelijk handelen is immers in strijd met de in artikel 46 van de Advocatenwet omschreven normen. Uitgangspunt is dat een advocaat moet handelen met de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend beroepsbeoefenaar mag worden verwacht
Regeling in der minne
4.2 Klaagster stelt dat het handelen van verweerder partijdig was en niet gericht op de waarheidsvinding. Klaagster heeft in het bijzonder aangevoerd dat verweerder onvoldoende heeft gedaan om tot een regeling in der minne te komen.
4.3 De voorzitter overweegt hierover het volgende. Een a dvocaat moet daar waar mogelijk en in het belang van zijn cliënt proberen om een geschil door middel van een schikking op te lossen. Gedragsregel 5 behelst echter geen absolute verplichting daartoe. Het gaat erom dat een advocaat zich voldoende inzet om tussen partijen tot een oplossing te komen. Een wederpartij kan dus niet verlangen dat een advocaat in elke situatie tracht een regeling in der minne te treffen. Dat is ter vrije beoordeling van de advocaat en zijn cliënt. Als zij vinden dat dat niet haalbaar is, dan kan de advocaat niet door de wederpartij dan wel door de gedragsregels worden verplicht alsnog een regeling in der minne te beproeven. Als het niet lukt om een regeling te bereiken en de cliënt wil procederen, is het gerechtvaardigd dat de advocaat aan die wens van zijn cliënt tegemoetkomt. De voorzitter is van oordeel dat uit de klacht en de andere stukken in het klachtdossier niet is gebleken dat verweerder te weinig heeft gedaan om een schikking te bereiken. Dat wordt door verweerder ook betwist. Dat betekent dat niet vast is komen te staan dat verweerder in strijd met deze gedragsregel heeft gehandeld.
Onjuiste informatie
4.4 Klaagster stelt dat verweerder, door valse informatie van zijn cliënt, heeft gelogen. Naar het oordeel van de voorzitter mocht verweerder afgaan op de van zijn cliënt ontvangen feitelijke informatie zonder nader onderzoek. Niet is gebleken dat verweerder wist of behoorde te weten dat deze informatie onjuist zou zijn. Het behoort verder niet tot de taak van de tuchtrechter om over de juistheid van standpunten in een civielrechtelijk geschil een oordeel te geven. Dat is voorbehouden aan de civiele rechter, tenzij duidelijk is dat de verwerende advocaat de hierboven genoemde maatstaf heeft overtreden. Daarvan is de voorzitter echter niet gebleken.
Factuur
4.5 Klaagster heeft in haar repliek aangevoerd dat verweerder zijn factuur aan de VvE heeft gestuurd en niet aan [K]. De voorzitter overweegt hierover het volgende. Alleen de persoon of de rechtspersoon die door het handelen of nalaten van een advocaat direct in zijn belang wordt of kan worden getroffen, heeft het recht om hierover een klacht in te dienen. Dit staat in de Advocatenwet. Als het in het algemeen belang is dat er een tuchtprocedure komt, dan heeft de deken het recht om te klagen. Uit de stukken in het klachtdossier is niet gebleken dat klaagster de cliënte van verweerder is geweest en ook verder is niet gebleken dat klaagster een eigen rechtstreeks belang heeft bij deze klacht. Klaagster is in dit onderdeel van de klacht kennelijk niet-ontvankelijk.
Overig
4.6 Klaagster heeft in de klacht en in haar repliek ten slotte nog genoemd dat verweerder niet zorgvuldig en integer heeft gehandeld en klaagster heeft ook een opmerking gemaakt over vermeende misstanden bij de VvE. Voor zover klaagster ook hierover heeft willen klagen, is de voorzitter van oordeel dat deze verwijten onvoldoende zijn onderbouwd.
BESLISSING
De voorzitter verklaart:
- het klachtonderdeel over de gestuurde factuur, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk niet-ontvankelijk;
- de klacht voor het overige, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond.
Aldus beslist door mr. G.F. van den Berg , plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. W.B. Kok als griffier en uitgesproken in het openbaar op 12 januari 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 12 januari 2026
