Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

12-01-2026

ECLI

ECLI:NL:TAHVD:2026:11

Zaaknummer

250372

Inhoudsindicatie

Hoger beroep tegen beslissing op verzet. Appelverbod, dat specifiek betrekking heeft op de beslissing op verzet. Daarom gaat dit appelverbod voor de algemene beroepsbepaling van artikel 56 Advocatenwet. Van strijd met het EVRM is geen sprake. Er kan alleen een uitzondering op het appelverbod worden gemaakt als de procedure bij de raad geen eerlijk proces betrof doordat bij de behandeling van het verzet door de raad een fundamenteel rechtsbeginsel is geschonden. Klager heeft hierop geen beroep gedaan. Ook overigens is het hof niet gebleken dat klager bij de raad geen eerlijk proces heeft gehad. Klager niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep.

Uitspraak

Beslissing van 12 januari 2026 in de zaak 250372

naar aanleiding van het hoger beroep van:

 

klager

tegen:

verweerder

 

1    DE PROCEDURE

Bij de Raad van Discipline

1.1    Het hof verwijst naar de beslissing van 16 juni 2025 van de plaatsvervangend voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam (hierna: de raad). In deze beslissing is de klacht van klager over verweerder, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond verklaard. Deze beslissing is onder ECLI:NL:TADRAMS:2025:103 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.

1.2    Klager heeft tegen deze beslissing verzet ingesteld. Bij beslissing van 20 oktober 2025 heeft de raad het verzet van klager ongegrond verklaard (hierna: de beslissing op verzet). De beslissing op verzet is onder ECLI:NL:TADRAMS:2025:195 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.

Bij het Hof van Discipline

1.3     Klager heeft bij e-mail van 24 oktober 2025 bij het Hof van Discipline (hierna: het hof) hoger beroep ingesteld tegen de beslissing op verzet. 

1.4    Verder bevat het dossier van het hof de stukken van de raad.

1.5    Het hof heeft de zaak in raadkamer behandeld.

2    BEROEPSGRONDEN

2.1    Uit de e-mail van klager van 24 oktober 2025 begrijpt het hof dat klager daarmee hoger beroep wil instellen tegen de beslissing op verzet. Door de raad is echter aan klager meegedeeld dat op grond van artikel 46h lid 7 Advocatenwet geen hoger beroep tegen de beslissing op verzet mogelijk is, en dat de klachtprocedure bij de raad daarmee definitief is geëindigd. Het standpunt van klager is dat dit onjuist is en in strijd met de strekking en systematiek van de Advocatenwet en met de fundamentele beginselen van rechtsbescherming. Klager voert aan dat artikel 56 Advocatenwet geen uitzondering maakt voor verzetsbeslissingen en dat artikel 46h lid 7 Advocatenwet gelet daarop buiten toepassing moet blijven. Klager wijst er in dat verband op dat de Advocatenwet voorziet in een stelsel van tuchtrecht dat een evenwichtige en effectieve rechtsbescherming moet waarborgen, en dat uitsluiting van hoger beroep tegen verzetsbeslissingen betekent dat een beslissing van één tuchtrechtelijk orgaan (de Raad van Discipline) definitief wordt zonder toetsing door het Hof van Discipline. Volgens klager staat dat op gespannen voet met artikel 6 EVRM en het recht op een eerlijk proces.

2.2     Op grond van wat in 2.1 is weergegeven, verzoekt klager het hof:

1.    te oordelen dat op grond van artikel 56 Advocatenwet hoger beroep openstaat tegen de beslissing op verzet; 2.    de bestreden beslissing te vernietigen; 3.    te voorzien in de zaak op de wijze die het Hof juist acht.

 

3    BEOORDELING

Wettelijk kader

3.1     Het hof stelt het volgende voorop. Artikel 46h Advocatenwet maakt verzet mogelijk tegen beslissingen als bedoeld in artikel 46g, eerste lid, aanhef en onder a Advocatenwet. Het gaat daarbij om voorzittersbeslissingen, waarbij de voorzitter tot aan de behandeling van de klacht ter zitting kan besluiten dat: a) de raad kennelijk onbevoegd is, b) de klacht kennelijk niet-ontvankelijk is, c) de klacht kennelijk ongegrond is, of d) de klacht kennelijk van onvoldoende gewicht is. Op grond van lid 7 van artikel 46h Advocatenwet staat tegen de beslissing op verzet geen rechtsmiddel open. Dat betekent dat geen hoger beroep mogelijk is tegen een beslissing van de raad waarbij het verzet ongegrond is verklaard. Er geldt een zogenoemd appelverbod, dat dus specifiek betrekking heeft op de hiervoor genoemde beslissing op verzet. Daarom gaat dit appelverbod voor de algemene beroepsbepaling van artikel 56 Advocatenwet. Van strijd met het EVRM is ook geen sprake (zie eerder Hof van Discipline11 juli 2016, ECLI:NL:TAHVD:2016:157 en Hof van Discipline 13 februari 2017, ECLI:NL:TAHVD:2017:30). Er kan alleen een uitzondering op deze regel worden gemaakt, als de procedure bij de raad geen eerlijk proces betrof doordat bij de behandeling van het verzet door de raad een fundamenteel rechtsbeginsel (het recht op hoor en wederhoor) is geschonden. Klager moet daar een beroep op doen. Het appelverbod kan dan worden doorbroken. 

Het hoger beroep van klager

3.2 Het hof stelt vast dat wat klager in de e-mail van 24 oktober 2025 aanvoert, uitsluitend betrekking heeft op het standpunt van klager dat hoger beroep tegen de beslissing op verzet zonder meer mogelijk moet zijn. Dat standpunt is onjuist zoals volgt uit hetgeen onder 3.1 is overwogen. Klager voert in de e-mail niet aan dat de raad bij de behandeling van het verzet een fundamenteel rechtsbeginsel heeft geschonden, waardoor de procedure bij de raad geen eerlijk proces is geweest. Ook overigens is het hof niet gebleken dat klager bij de raad geen eerlijk proces heeft gehad.

3.3     De conclusie is dan ook dat klager niet-ontvankelijk is in zijn hoger beroep.

 

4    BESLISSING

Het Hof van Discipline:

verklaart het hoger beroep van klager niet-ontvankelijk.

Deze beslissing is genomen door mr. J. Blokland, voorzitter, mrs. B.J.R. van Tongeren en G.C. Endedijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.N. Boogers-Keuning, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 12 januari 2026.                                                             griffier                                         voorzitter

 

De beslissing is verzonden op 12 januari 2026.