Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

12-01-2026

ECLI

ECLI:NL:TADRARL:2026:13

Zaaknummer

25-506/AL/NN

Inhoudsindicatie

Verzetbeslissing. Het verzet van klager is door de raad ongegrond verklaard.

Uitspraak

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden

van 12 januari 2026

in de zaak 25-506/AL/NN

naar aanleiding van het verzet tegen de beslissing van de plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline van 15 september 2025 op de klacht van:

 

klaagster

gemachtigde:

 

over

 

verweerster

gemachtigde: L. Wijnbergen

 

1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE 

1.1 Op 14 december 2024 heeft klaagster bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Noord-Nederland (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerster.

1.2 Op 29 juli 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 2024 KNN143/2395100 van de deken ontvangen.

1.3 Bij beslissing van 15 september 2025 heeft de plaatsvervangend voorzitter van de raad (hierna ook: de voorzitter) de klacht deels niet-ontvankelijk en deels kennelijk ongegrond verklaard. Klaagster heeft verzet ingesteld tegen de beslissing van de voorzitter.

1.4 Het verzet is behandeld op de zitting van de raad van 7 november 2025. Daarbij waren klaagster en verweerster, beiden met hun gemachtigde, aanwezig.

1.5 De raad heeft kennisgenomen van de beslissing van de voorzitter waartegen het verzet is gericht, van de stukken waarop de voorzittersbeslissing is gebaseerd en van het verzetschrift.

 

2 VERZET

2.1 De gronden van het verzet houden, zakelijk weergegeven, het volgende in.

I) De voorzitter heeft de klacht ten onrechte gedeeltelijk niet-ontvankelijk verklaard, omdat ten onrechte artikel 46 lid 2 Advocatenwet niet is toegepast.

II) De klacht is wel voldoende onderbouwd en daarom heeft de voorzitter de klacht ten onrechte gedeeltelijk kennelijk ongegrond verklaard.

2.2 Tegen de vaststaande feiten en de klachtomschrijving komt klaagster in verzet niet op.

 

3  FEITEN EN KLACHTEN

3.1 Voor de vaststaande feiten en de omschrijving van de klacht verwijst de raad naar de beslissing van de voorzitter.

 

4 BEOORDELING

4.1 Voordat de raad de klacht inhoudelijk kan beoordelen moet sprake zijn van een gegrond verzet. Een verzet is alleen gegrond als in redelijkheid moet worden betwijfeld of de beslissing van de voorzitter juist is. Twijfel kan bijvoorbeeld bestaan als de voorzitter een verkeerde maatstaf (toetsingsnorm) heeft toegepast of de beslissing heeft gebaseerd op onjuiste of onvolledige feiten.

4.2 Klaagster voert aan dat de klacht over het handelen van vóór 14 december 2021 wel tijdig is en dat gedeelte van de klacht daarom ten onrechte door de voorzitter niet-ontvankelijk is verklaard. Volgens klaagster is in artikel 46 lid 2 Advocatenwet bepaald dat een klacht ontvankelijk is indien deze binnen één jaar nadat de verwijtbaarheid objectief vast is komen te staan, is ingediend. Klaagster heeft de objectieve kennis van de tuchtrechtelijk verwijtbaarheid van verweerster pas in 2024 verkregen en is daarom tijdig met de klacht, aldus klaagster.

4.3 De raad volgt klaagster niet in haar uitleg van artikel 46g Advocatenwet. Op grond van artikel 46g lid 1 aanhef en onder a Advocatenwet wordt een klacht niet-ontvankelijk verklaard indien deze wordt ingediend na het verloop van drie jaren na de dag waarop de klager kennis heeft genomen of redelijkerwijs kennis heeft kunnen nemen van het handelen of nalaten van de advocaat waarop de klacht betrekking heeft. Op grond van lid 2 van dit artikel blijft niet-ontvankelijkverklaring op grond van lid 1 achterwege indien de gevolgen van het handelen of nalaten - en dus niet (zoals klaagster betoogt) de tuchtrechtelijk verwijtbaarheid - redelijkerwijs pas na het verstrijken van de driejaartermijn bekend zijn geworden. In dat geval verloopt de termijn voor het indienen van een klacht een jaar na de datum waarop de gevolgen redelijkerwijs als bekend geworden zijn aan te merken. 

4.4 Het oordeel van de voorzitter dat klaagster vóór 14 december 2021 kennis heeft genomen van het handelen waarover zij klaagt, is begrijpelijk en daaraan kan redelijkerwijs niet worden getwijfeld. Verder is niet gebleken dat de gevolgen van het handelen of nalaten redelijkerwijs pas na het verstrijken van de driejaartermijn bekend zijn geworden.

4.5 De raad is van oordeel dat ook de andere door klaagster aangevoerde verzetgrond niet slaagt. De voorzitter heeft bij de beoordeling de juiste maatstaf toegepast en heeft rekening gehouden met alle relevante feiten en omstandigheden van het geval. De voorzitter heeft de klacht dus terecht en op juiste gronden deels niet-ontvankelijk en deels kennelijk ongegrond verklaard. Omdat het verzet tegen de beslissing van de voorzitter ook verder geen nieuwe gezichtspunten oplevert, is er geen plaats voor nader onderzoek naar de klacht. De raad zal het verzet daarom ongegrond verklaren.

 

BESLISSING

De raad van discipline:

 

- verklaart het verzet ongegrond.

 

Aldus beslist door mr. O.P. van Tricht, voorzitter, mrs. N.A. Heidanus; M.M. Mok; P. Rijnsburger; S.H.G. Swennen, leden, bijgestaan door mr. W.B. Kok als griffier en uitgesproken in het openbaar op 12 januari 2026.

 

Griffier                                                                              Voorzitter

 

Verzonden op: 12 januari 2026