Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

12-01-2026

ECLI

ECLI:NL:TADRARL:2026:8

Zaaknummer

25-404/AL/MN

Inhoudsindicatie

Verweerder heeft klager bijgestaan in een letselschade procedure. In een aantal verwijten is door klager te laat geklaagd zodat klager deels niet-ontvankelijk wordt verklaard. Naar het oordeel van de raad heeft verweerder door zijn handelen de kernwaarde deskundigheid geschonden. De raad acht de handelwijze van verweerder ernstig laakbaar en ziet aanleiding om een onvoorwaardelijke schorsing in de praktijkuitoefening voor vier weken op te leggen om de volgende redenen. Verweerder heeft onvoldoende regie genomen en klager onvoldoende deskundig geadviseerd en bijgestaan in zijn geschil met ASR. Klager is door verweerder ook niet serieus genomen. Dit terwijl klager zich vanaf de start van de werkzaamheden in april 2021 en de jaren daarna geduldig en begripvol heeft getoond en hoopvol was over de deskundige bijstand van verweerder in een procedure. Voor zover die verwachtingen van klager niet realistisch waren, had het op de weg van verweerder gelegen om daarover duidelijk met klager te communiceren en gemaakte afspraken schriftelijk vast te leggen. Dat heeft verweerder echter onvoldoende gedaan. Ook gedane toezeggingen is verweerder zowel richting klager als richting ASR niet nagekomen. Daarbij komt dat verweerder ter zitting geen blijk heeft gegeven het onjuiste en tuchtrechtelijk verwijtbare van zijn handelwijze in te zien.

Uitspraak

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem Leeuwarden van 12 januari 2026 in de zaak 25-404/AL/MN naar aanleiding van de klacht van:

klager oververweerder

1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE 1.1    Op 10 oktober 2024 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Midden-Nederland (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder. 1.2    Op 19 juni 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 2382653 van de deken ontvangen.  1.3    De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 3 november 2025. Daarbij waren namens klager zijn gemachtigde en verweerder aanwezig. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt. 1.4    De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier. 

2    FEITEN Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten. 2.1    Klager heeft op 15 maart 2018 een auto-ongeluk gehad. Verzekeraar ASR van betrokkene heeft aansprakelijkheid erkend en een voorschot van € 2.500,- aan klager uitgekeerd. Klager heeft aanvankelijk zelf met ASR gecorrespondeerd.  2.2    In april 2021 heeft klager zich voor rechtsbijstand tot verweerder gewend. Verweerder heeft de zaak op basis van gefinancierde rechtsbijstand op zich genomen.  2.3    In zijn e-mail van 27 januari 2022 heeft verweerder de schadebehandelaar van ASR bedankt voor toezending van stukken. Verder heeft verweerder geschreven dat hij begrijpt dat partijen verdeeld zijn over de vraag of het letsel dat klager ondervindt is terug te voeren op het ongeval. Vanwege zijn eigen ondeskundigheid op dat punt en vanwege de twijfels daarover bij de deskundige van ASR heeft verweerder aangekondigd dat hij dan een procedure zal moeten starten voor benoeming van een deskundige omdat klager geen deskundige kan betalen. Ter voorkoming van een procedure heeft verweerder ASR voorgesteld om de kosten van de nog door hem in te schakelen medisch adviseur te betalen.  2.4    Op 1 maart 2022 heeft de schadebehandelaar van ASR aan verweerder bevestigd dat haar medisch adviseur geen causaal verband ziet aangetoond tussen de klachten van klager en het ongeval, wat volgens ASR een zogenaamde ‘low impact’ botsing was. Verder heeft zij geschreven:

Wellicht dat uit de behandelende sector nog informatie kan komen dat dit beeld verandert? Om die reden is een uitgebreide opsomming gegeven van de medische informatie die nog in ons dossier ontbreekt, zie daarvoor de medische adviezen en met name het gespreksverslag van mijn collega [naam], die uw cliënt eerder bezocht. Voordat er sprake kan zijn van een expertise of deskundigenbericht, zal deze informatie toch aangeleverd dienen te worden, zo lijkt mij. Zorgt u hiervoor? (…) Is het een idee dat wij zijn schade inventariseren en overleggen of dit dossier zonder verdere discussie en/of kosten/tijd kan worden geregeld? Neemt u contact met mij op?

Dezelfde dag heeft verweerder hierop gereageerd en gemeld dat hij het aan klager zal voorleggen en dat zij van hem verneemt.  2.5    Op 3 februari 2023 heeft de schadebehandelaar van ASR aan verweerder geschreven:

Bijna een jaar geleden schreef u mij onderstaande reactie. Sindsdien heb ik inhoudelijk niets vernomen. Behartigt u nog de belangen van [klager]? Heeft u nog overleg met hem gehad? Komt er nog informatie of kan ik het dossier sluiten?

Verweerder heeft op 6 februari 2023 gereageerd en toegezegd binnen twee weken inhoudelijk te zullen reageren.  2.6    In zijn e-mail van 27 juni 2023 heeft verweerder aan de schadebehandelaar van ASR uitgelegd dat hij lang heeft moeten wachten op een bericht van de fysiotherapeut van klager maar dat dat bericht alsnog bij de e-mail is gevoegd. Verweerder heeft de schadebehandelaar gevraagd of ASR, gelet op de inhoud van dat bericht van de fysiotherapeut over de feitelijke medische problemen van klager, alsnog aansprakelijkheid aanvaardt of een voorstel wil doen zonder aanvaarding van aansprakelijkheid.  2.7    Op 25 juli 2023 heeft de schadebehandelaar van ASR aan verweerder geschreven:

U vraagt of ik de aansprakelijkheid kan erkennen voor de gevolgen van het ongeval. Ik heb inderdaad de aansprakelijkheid erkend, maar ben op grond van de tot op heden verstrekte informatie van oordeel dat de geschetste klachten geen ongevalsgevolg zijn wegens de geringe impact. Thans stuurt u een verklaring van een fysiotherapeut (geen arts) als (enige) onderbouwing dat er ongevalsgevolgen zouden zijn op lichamelijk vlak. Ik hoef het oordeel van mijn medisch adviseur niet te vragen om tot de conclusie te komen dat hiermee nog niet afdoende de ongevalsgevolgen zijn aangetoond en in kaart gebracht. Ik verzoek u om informatie van de SEH, Huisarts en specialisten aan te leveren, alsmede het huisartsenjournaal van vijf jaar voor ongeval, omdat er aanzienlijke pre-existente klachten aanwezig zijn. Alleen op die manier kan een medisch traject worden opgestart, leidend tot een onafhankelijke medische expertise. Zie nogmaals de medisch adviezen van mijn medisch adviseur. Ik gaf u ook nog in overweging om de zaak van de andere kant te benaderen: over welke schade hebben wij het? Ik begrijp dat uw cliënt al jaren een arbeidsongeschiktheidsuitkering ontvangt. Het huishouden kan hij, verspreid over de dag, zelf doen. Is het een idee dat wij zijn schade inventariseren en overleggen of dit dossier zonder verdere discussie en/of kosten/tijd kan worden geregeld? U heeft mij nog geen enkele indicatie gegeven van de geleden schade. Begrijp ik uw laatste bericht goed dat er bereidheid is om tot een regeling te komen zonder medisch traject? Uitsluitend om proceseconomische redenen ben ik bereid om dit dossier finaal te regelen voor € 1.000,-, waarbij ik uitga van een smartengeld van € 500,- en kosten fysiotherapeut van € 500,-. Voor uw BGK stel ik dan eveneens € 1.000,- beschikbaar. Graag verneem ik of uw cliënt zich hierin kan vinden? Wordt dit aanbod niet geaccepteerd, dan komt dit aanbod te vervallen en kan in rechte hierop geen beroep worden gedaan.

Dezelfde dag heeft verweerder gereageerd en de schadebehandelaar van ASR laten weten dat hij het aan zijn cliënt zal voorleggen maar zijn cliënt ervan overtuigd is dat alle klachten het gevolg zijn van het ongeval. 2.8    Op 30 november 2023 heeft de schadebehandelaar van ASR aan verweerder gevraagd om een reactie op haar e-mail van 25 juli 2023. Verweerder heeft diezelfde dag onder meer het volgende aan haar geschreven:

(…) Ik heb u eerder de brief, die u in de bijlage aantreft, toegezonden. Ik meen toch te moeten constateren dat hieruit blijkt van objectiveerbaar letsel, dat langdurig, pijnlijk en feitelijk zonder eind is. Cliënt is nog steeds onder behandeling en zal naar alle waarschijnlijkheid, gezien de uiterst geringe voorgang in het herstel, nog wel enige tijd last houden van dit letsel.  Kunnen we het oplossen? Als ik het mijn cliënt vraag, vindt hij €. 50.000,= al aan de magere kant.  Ik heb hem weten te overtuigen van het gegeven dat een doorlopende problematiek als deze bepaald niet helpt in het herstel en het verstandig zou zijn om deze zaak af te wikkelen en dan maar een lager bedrag te accepteren, waarmee het herstel mogelijk werkelijkheid kan worden. Ik heb met enige moeite van hem gedaan gekregen, dat hij bereid is om een bedrag van €. 35.000,= excl. BGK te accepteren. Ik zit ongeveer op een €. 3.000,= excl btw. Is dit een manier waarop we deze zaak kunnen afronden?

2.9    Op 14 december 2023 heeft de schadebehandelaar van ASR aan verweerder via e-mail laten weten dat nog altijd en al sinds 2018 onderbouwing ontbreekt. Zo ook een medische onderbouwing van een arts voor blijvende klachten van klager. Verder heeft zij geschreven:

Tot op heden is € 3.550,- bevoorschot. Ik heb aangegeven bereid te zijn daar zonder onderbouwing van schade/kosten nog € 1.000,- op aan te vullen. Daarmee is de mogelijke schade (die niet concreet is gemaakt) ten gevolge van het ongeval voldoende voldaan. Ik zal dit bedrag overmaken, en € 1.000,- ter zake van uw kosten, en beschouw deze schade daarmee voldaan.

2.10    In zijn e-mail van 17 december 2023 met onderwerp ‘dagvaarding’ heeft klager aan verweerder onder meer geschreven:

Graag wil ik mijn dankbaarheid uiten voor uw waardevolle tijd tijdens ons telefoongesprek afgelopen vrijdag. Met de bewijsstukken die ik heb bijgevoegd in deze e-mail, hoop ik dat u, [naam verweerder] als een ervaren advocaat overtuigd genoeg bent om ASR te doen stoppen met hun voortdurende intimidatie, waarbij ze suggereren dat ik geen last heb van schouderklachten. Na de recente mail van ASR waarin ze mij beschuldigden en vernederden door te stellen dat mijn schouderklachten voor het ongeluk waren, moest ik noodgedwongen het journaalrapport samen met een verklaring van de huisarts aan ASR verstrekken. Hierin staat duidelijk dat de schouderproblematiek pas na het auto-ongeluk is ontstaan. Ondanks deze informatie ontving ik toch een recente mail waarin ze me intimideerden om de zaak te beëindigen voor 1000 euro, enkel gebaseerd op een verklaring van de fysiotherapeut [naam]. Deze intimidatie moet vandaag een HALT worden toegeroepen. ASR kan niet doorgaan met deze vorm van intimidatie. Daarom heb ik een twintigtal documenten met bewijsstukken verstrekt om deze kwestie te weerleggen. Ik ben van mening dat zonder deze cruciale gegevens, de verzekeraar een incorrect beeld heeft van de schouderproblematiek, waardoor zij ten onrechte veronderstellen dat er geen relevante kwesties spelen.  U heeft mij verzocht om alle benodigde documenten te verzamelen voor het opstellen van een verzoekschrift na onze recente bespreking, waarin we uitvoerig de strategie hebben doorgenomen. Het zal zowel u als de verzekeraar verbazen hoeveel medische deskundigen, waaronder sportarts, fysiotherapeuten en orthopedisch specialisten, huisartsen de verzamelde documenten de schouderproblematiek hebben vastgesteld. (…) Naast de twintig bewijsstukken die bijgevoegd zijn, zijn er nog additionele documenten beschikbaar. Deze zijn eveneens opgenomen in de map die ik aan uw kantoor heb overhandigd.

2.11    Op 27 juli 2024 heeft klager in een e-mail verweerder bedankt voor zijn inzet en voor de e-mail van die dag waarin verweerder schreef dat hij nog harder zijn best gaat doen. 2.12    Op 6 september 2024 heeft klager via e-mail aan verweerder gevraagd naar de stand van zaken waarop verweerder hem heeft laten weten naar de bewijsstukken te hebben gekeken. Daarop heeft klager om 11:38 uur aan verweerder geschreven:

Er is voldoende bewijs. we hebben afgesproken dat wij naar de rechtbank gaan. U bent letselschade advocaat u weet het best.

Verweerder heeft om 11:43 uur aan klager geschreven:

Nee, het is de vraag of we voldoende bewijs hebben. De tegenpartij vindt dat dat niet zo is; waar ik naar zoek is uitspraken van rechtbanken die op jouw zaak lijken.

In de e-mails die middag heeft verweerder aan klager geschreven dat zonder juridische en feitelijk grondslag een procedure niet zinvol is. Klager heeft daarop bij verweerder aangedrongen om snel een afspraak te maken om verdere acties te bespreken. 2.13    Op 10 en op 18 september 2024 heeft klager aan verweerder gevraagd naar de voortgang. In zijn e-mail van 18 september 2024 heeft verweerder aan klager laten weten dat hij door ernstige privéomstandigheden pas de week erna weer aan de slag kan gaan met de zaak van klager.  2.14    In een e-mail van 6 oktober 2024 heeft klager bij verweerder opnieuw naar de voortgang van zijn zaak gevraagd en zijn zorgen daarover geuit. Diezelfde dag heeft verweerder aan klager geschreven dat het niet zo goed met hem ging door medische problemen.  2.15    Klager heeft daarvoor in zijn e-mails aan verweerder van 6 en 7 oktober 2024 zijn begrip getoond maar ook geschreven dat de situatie rondom zijn zaak inmiddels zeer urgent is geworden en hij niet langer op verweerder kan wachten. Klager heeft verweerder gevraagd om zijn dossier zo mogelijk aan een kantoorgenoot over te dragen. 2.16    Op 9 oktober 2024 heeft klager aan een letselschade jurist gevraagd om zijn zaak over te nemen. De betreffende jurist heeft in zijn e-mail van 10 oktober 2024 aan klager onder meer geschreven:

Ik heb uw mail en de bijlagen vrijblijvend doorgenomen. Duidelijk is dat uw vorige belangenbehartiger [verweerder] geen letselschade deskundige is. Jammer dat hij uw zaak toch heeft aangenomen. (…) Ik ben best bereid advies te geven, maar het zal niet eenvoudig zijn de verzekeraar op andere gedachten te brengen. Indien u daar prijs op stelt, verneem ik het graag en ontvang ik eerst graag het bezoekrapport van de schaderegelaar. 

3    KLACHT De klacht houdt in, zakelijk weergegeven, dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door: a)    zich ten onrechte uit te geven als letselschade specialist; b)    de zaak van klager niet zorgvuldig te behandelen door misbruik te maken van de kwetsbare positie van klager.Toelichting: Klager verwijt verweerder dat hij hem geen opdrachtbevestiging heeft gestuurd (i). Ook verwijt hij verweerder dat hij bij aanvang stelde dat hij geen (medische) machtiging van klager nodig had voor de behandeling van de zaak (ii). Ondanks aandringen door klager en verschillende e-mailberichten van ASR heeft verweerder de zaak niet voortvarend behandeld en daarover onvoldoende met klager gecommuniceerd. Als reden voor de vertraging in de drie jaar van de opdracht voerde verweerder telkens omstandigheden buiten zijn controle aan en bizarre excuses (iii). Verweerder heeft ondermaats gepresteerd. Zo heeft verweerder op 30 november 2023 een te laag afwikkelingsvoorstel aan ASR gedaan van € 50.000,- zonder dat met de van klager ontvangen relevante medische stukken te onderbouwen. Verweerder heeft alleen een verklaring van de fysiotherapeut van klager bijgevoegd terwijl hij over andere relevante medische informatie van klager beschikte (iv). 

4    VERWEER  4.1    Verweerder heeft tegen de klacht onder meer het volgende verweer gevoerd. Klachtonderdeel a) 4.2    Verweerder betwist dat hij letselschade specialist is of zich zo richting klager heeft geprofileerd. Klachtonderdeel b) 4.3    Verweerder erkent dat hij geen opdrachtbevestiging aan klager heeft gestuurd. In die tijd was nog onduidelijk welke vorm die bevestiging moest hebben maar dat is in de periode daarna na overleg met het ordebureau duidelijk geworden.  4.4    Klager wilde een procedure starten en drong daar telkens op aan. Daarvoor was onvoldoende juridische grondslag door het ontbreken van noodzakelijke (medische) bewijsstukken van klager en dat heeft hij klager herhaaldelijk gezegd. Verweerder ging er vanuit dat klager alle stukken die klager hem had gestuurd ook al bekend waren bij ASR omdat klager eerst zelf zijn zaak had behandeld.  4.5    In 2024 heeft verweerder na overleg met klager een voorstel aan ASR gedaan om de zaak af te wikkelen tegen een lumpsum. Verweerder heeft één enkele (aanvullende) verklaring van de fysiotherapeut van klager kunnen bijvoegen; meer was er niet. ASR ging niet op het voorstel in omdat hun medisch adviseur vond dat de door klager gestelde lichamelijke gevolgen niet door het ongeluk veroorzaakt konden zijn.  4.6    In september 2024 moest verweerder medische behandelingen ondergaan en dat heeft hij klager laten weten. Omdat niet helemaal duidelijk was hoe voorspoedig zijn herstel zou verlopen heeft klager hem gemeld dat klager iemand anders ging zoeken. In oktober 2024 heeft klager het dossier bij hem weggehaald. Wat daarna met de zaak van klager is gebeurd, daarvan is verweerder niet op de hoogte.

5    BEOORDELING Maatstaf ontvankelijkheid 5.1    Een klacht over een advocaat moet worden ingediend binnen drie jaar nadat de klager op de hoogte was of redelijkerwijs kon zijn van de feiten waarover wordt geklaagd (artikel 46g lid 1 onder a Advocatenwet). Het moet gaan om kennis die de klager uit objectieve bronnen heeft verkregen. Als deze driejaarstermijn is verlopen zonder dat klager een klacht heeft ingediend, vervalt in principe het recht om te klagen. Dit is anders als klager pas na de driejaarstermijn over informatie beschikt (en ook daar niet eerder over kon beschikken), die gaat over de gevolgen van het handelen of nalaten waar de klacht over gaat. In dat geval vervalt het recht om te klagen één jaar nadat klager van de informatie kennis heeft genomen (artikel 46g lid 2 Advocatenwet).  5.2    De achterliggende gedachte van deze regel is dat een advocaat niet tot in lengte van dagen rekening hoeft te houden met tuchtklachten over zijn doen en laten uit het verleden.Ten aanzien van de ontvankelijkheid van klachtonderdeel a) 5.3    In dit klachtonderdeel verwijt klager verweerder dat hij zich bij het aannemen van de zaak in april 2021 heeft uitgegeven als letselschade specialist en dat hij over voldoende kennis zou beschikken. Klager heeft zijn klacht meer dan drie jaar later ingediend bij de deken, op 10 oktober 2024, en daarmee buiten genoemde wettelijke termijn.   5.4    Klager heeft echter aangevoerd dat hij pas door de e-mail van 10 oktober 2024 van zijn opvolgend belangenbehartiger ermee bekend is geworden dat verweerder geen letselschade specialist is, zodat hij hierover tijdig heeft geklaagd.   5.5    Naar het oordeel van de raad slaagt dit beroep van klager op een verschoonbare termijnoverschrijding niet. Uit de stukken kan niet worden afgeleid dat verweerder zich richting klager als letselschade specialist heeft uitgegeven of geprofileerd. Verweerder heeft dit ook betwist. Tijdens de zitting van de raad heeft verweerder toegelicht dat zijn specialisme tijdens de kennismaking met klager niet aan de orde is gekomen. Klager heeft hem daar niet naar gevraagd en verweerder achtte zich voldoende deskundig om de letselschadezaak van klager te doen omdat hij een specialistische cursus personenschade had gevolgd. Zoals hiervoor in 5.1 beschreven, is het voor het aanvangen van de klachttermijn niet van belang of klager het besef had dat het handelen van verweerder mogelijk klachtwaardig zou zijn. Het gaat om de feitelijke kennisneming van het handelen of nalaten van de advocaat waarop de klacht betrekking heeft.  5.6    Klager wist, of kon in april 2021 of daarna weten of verweerder als deskundige op het gebied van letselschade voor hem kon optreden. Dat klager hierover bij verweerder navraag heeft gedaan, is uit de stukken niet gebleken en ook door verweerder betwist. Door hierover pas op 10 oktober 2024 te klagen, is klager dan ook te laat geweest. Als al tijdig zou zijn geklaagd, dan zou dit ook niet tot gegrondverklaring van dit verwijt kunnen leiden nu, zoals hiervoor overwogen, uit de stukken niet kan worden afgeleid dat verweerder zich richting klager als letselschadespecialist heeft uitgegeven of geprofileerd. 5.7    De raad komt op grond van het voorgaande tot de conclusie dat klager niet-ontvankelijk zal worden verklaard in klachtonderdeel a).Ten aanzien van de ontvankelijkheid van klachtonderdeel b) 5.8    Uit de stukken en de verklaringen tijdens de zitting van de raad is gebleken dat verweerder in de periode vanaf april 2021 tot oktober 2024 werkzaamheden voor klager heeft gedaan. 5.9    Naar het oordeel van de raad is klager niet-ontvankelijk in de subverwijten (i) en (ii) omdat klager daarover te laat heeft geklaagd. Deze verwijten gaan over de periode rond de aanvang van de werkzaamheden door verweerder in april 2021. Klager heeft zich daarover pas op 10 oktober 2024 beklaagd en dat is ruim buiten de termijn van drie jaar. Nu de raad van bijzondere omstandigheden niet is gebleken op grond waarvan verschoonbaar zou kunnen zijn dat deze subverwijten buiten de termijn zijn ingediend, zal klager in klachtonderdeel b) subverwijten (i) en (ii) niet-ontvankelijk worden verklaard. 5.10    Klager is wel ontvankelijk in de subverwijten (iii) en (iv). Die verwijten gaan over de gehele periode waarin verweerder voor klager is opgetreden. Daarover is tijdig door klager binnen drie jaar geklaagd. De raad oordeelt hierover als volgt.Ten aanzien van de inhoudelijke beoordeling van klachtonderdeel b) Maatstaf 5.11    De tuchtrechter dient bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan die advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in artikel 10a Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen wel van belang zijn vanwege het open karakter van de behoorlijkheidsnorm in artikel 46 Advocatenwet.  5.12    Bij de beantwoording van de vraag of een advocaat zich betamelijk heeft gedragen als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet hanteert de raad als uitgangspunt dat de tuchtrechter mede tot taak heeft de kwaliteit van de dienstverlening te beoordelen als daarover wordt geklaagd. Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt. Ook houdt de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als algemene professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht. 5.13    Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld.Ten aanzien van klachtonderdeel b) subverwijten (iii) en (iv): voortvarendheid, communicatie en deskundigheid 5.14     De raad stelt voorop dat een advocaat gehouden is de hem opgedragen werkzaamheden met de nodige voortvarendheid voor zijn cliënt te verrichten en daarover met de cliënt te communiceren. Daarnaast draagt de advocaat in het belang van een goede rechtsbedeling zorg voor de rechtsbescherming van zijn cliënt. Daartoe is de advocaat bij de uitoefening van zijn beroep deskundig en kan hij beschikken over voldoende kennis en vaardigheden.  5.15    Uit de overgelegde e-mails, voor zover relevant opgenomen in de feiten hierboven, is de raad gebleken dat verweerder hierin ernstig is tekortgeschoten. Na de start van de werkzaamheden in april 2021 heeft verweerder negen maanden later, op 27 januari 2022, zijn eerste brief namens klager aan de schadebehandelaar van ASR gestuurd. Daarop is door ASR op 1 maart 2022 gereageerd. Verweerder heeft diezelfde dag toegezegd namens klager te zullen reageren. Dat heeft verweerder kennelijk bijna een jaar lang niet gedaan zoals volgt uit de e-mail van ASR van 3 februari 2023 aan verweerder. Ook de vervolgens op 6 februari 2023 door verweerder gedane toezegging dat hij binnen twee weken reageert, is hij opnieuw niet nagekomen. Pas vier maanden later, op 27 juni 2023, heeft verweerder inhoudelijk gereageerd richting ASR. Dit patroon van het niet nakomen van een gedane toezegging heeft zich na de e-mail van ASR van 25 juli 2023 herhaald met als gevolg dat ASR opnieuw op 30 november 2023 aan verweerder heeft gevraagd of er nog een reactie komt. Diezelfde dag heeft verweerder een voorstel aan ASR gedaan, waarop ASR op 14 december 2023 een tegenvoorstel heeft gedaan.  5.16    In de periode daarna heeft klager meermaals, onder meer op 17 december 2023 als in september en oktober 2024, aan verweerder gevraagd naar de stand van zaken en hem gevraagd om de nodige actie te ondernemen. Ondanks zijn daartoe gedane toezeggingen aan klager  - op 27 juli 2024 dat hij hard aan de slag zou gaan en op 18 september 2024 dat hij binnen een week zou reageren - heeft verweerder in die periode niets voor klager gedaan. Ook op het verzoek van klager van 7 oktober 2024 om zijn dossier aan een collega over te dragen wegens de medische problemen van verweerder hebben niet tot actie van de kant van verweerder geleid. Daarom heeft klager zich noodgedwongen op 9 oktober 2024 tot een andere belangenbehartiger gewend.    5.17    Gelet op het vorenstaande is de raad van oordeel dat verweerder door zijn handelen in ernstige mate is tekortgeschoten in de zorg die hij voor zijn cliënt had behoren te betrachten. Voor zover verweerder goede (zakelijke of privé) redenen had om niet althans niet binnen de door hemzelf aangekondigde termijnen te reageren of toezeggingen na te kunnen komen dan had het op zijn weg gelegen om als professionele belangenbehartiger ASR en klager daarover telkens te informeren en waar nodig ook actie te ondernemen. Verweerder heeft het zelfs zover laten komen dat de schadebehandelaar van ASR hem tot tweemaal toe heeft moeten vragen om een inhoudelijke reactie, wat zorgelijk is. 5.18    Ook op het punt van de aanpak van de zaak en regie daarin heeft verweerder naar het oordeel van de raad niet de zorg betracht die van een redelijk handelend en redelijk bekwaam advocaat mag worden verwacht. Als verantwoordelijk advocaat had verweerder zich meteen na aanvang van de werkzaamheden en later ook opnieuw na de e-mail van klager van 17 december 2023 moeten afvragen of klager en hij en ASR over dezelfde (bewijs)stukken beschikten en of die stukken voldoende relevant waren. Verweerder heeft, zoals hij zelf stelt, erop vertrouwd dat klager alle stukken al vóór april 2021 aan ASR had gestuurd. Dat dit zo was, is door klager betwist en ook niet aannemelijk gezien de inhoud van de e-mails van klager aan verweerder daarover. Daarnaast had verweerder in overleg met klager afspraken moeten maken over de te volgen strategie, die strategie waar nodig tussentijds moeten bijstellen en afspraken daarover schriftelijk aan klager te bevestigen. Klager stelt dat hij herhaaldelijk aan verweerder heeft laten weten dat hij een procedure wilde beginnen. Verweerder heeft tijdens de zitting van de raad verklaard dat hij klager meermaals en vooral telefonisch heeft laten weten dat een procedure niet zomaar kon. Stukken die dat onderbouwen, ontbreken. Vast staat dat verweerder geen eigen medisch deskundige heeft ingeschakeld om het standpunt van klager, dat hij lichamelijke gevolgen had overgehouden aan het ongeval, te onderbouwen. Tijdens de zitting van de raad heeft verweerder daarover verklaard dat hij op de website van de Raad voor de Rechtsbijstand had gelezen dat klager voor een haalbaarheidsonderzoek om een medisch adviseur in te schakelen een subsidie van € 200,- kon krijgen. Volgens verweerder heeft hij klager daarna mogelijk ook schriftelijk uitgelegd dat je voor dat bedrag geen medisch deskundige kunt inschakelen. Nog los van de mogelijkheid die voor klager bestond om na een haalbaarheidsonderzoek daarvoor een lening bij de Raad voor de Rechtsbijstand aan te vragen, is de raad uit de stukken niet gebleken dat verweerder klager hierover schriftelijk heeft ingelicht en klager op dat punt op deskundige wijze heeft bijgestaan. Dat verweerder vanaf september 2024 serieuze persoonlijke problemen had, had hem ertoe moeten aanzetten om het dossier over te dragen aan een kantoorgenoot, zoals door klager gevraagd, of om samen met klager naar een andere advocaat te zoeken. Verweerder heeft niets gedaan en gewacht totdat klager in oktober 2024 een andere belangenbehartiger had gevonden. 5.19    Op grond van vorenstaande omstandigheden, ook in samenhang bezien, is de raad van oordeel dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Daarom zal de raad klachtonderdeel b) subverwijten (iii) en (iv) gegrond verklaren. Ten aanzien van het verzoek om schadevergoeding 5.20    Tijdens de zitting van de raad is namens klager verzocht om toekenning aan hem van een schadevergoeding van € 2.000,-. Dit verzoek is naar het oordeel van de raad te laat ingediend en wordt daarom afgewezen. 

6    MAATREGEL 6.1    Omdat de klacht deels gegrond wordt verklaard, komt aan de orde of aan verweerder een maatregel moet worden opgelegd en zo ja, welke.  6.2    Verweerder heeft door zijn handelen de kernwaarde deskundigheid geschonden. Het schenden van een kernwaarde impliceert handelen met een laakbaar karakter waarvoor tenminste een berisping passend is. De raad acht de handelwijze van verweerder ernstig laakbaar en ziet aanleiding om een onvoorwaardelijke schorsing in de praktijkuitoefening voor vier weken op te leggen om de volgende redenen.  6.3    Verweerder heeft onvoldoende regie genomen en klager onvoldoende deskundig geadviseerd en bijgestaan in zijn geschil met ASR. Klager is door verweerder ook niet serieus genomen. Dit terwijl klager zich vanaf de start van de werkzaamheden in april 2021 en de jaren daarna geduldig en begripvol heeft getoond en hoopvol was over de deskundige bijstand van verweerder in een procedure. Voor zover die verwachtingen van klager niet realistisch waren, had het op de weg van verweerder gelegen om daarover duidelijk met klager te communiceren en gemaakte afspraken schriftelijk vast te leggen. Dat heeft verweerder echter onvoldoende gedaan. Ook gedane toezeggingen is verweerder zowel richting klager als richting ASR niet nagekomen. Daarbij komt dat verweerder ter zitting geen blijk heeft gegeven het onjuiste en tuchtrechtelijk verwijtbare van zijn handelwijze in te zien.  6.4    Gelet hierop en mede gelet op het tuchtrechtelijk verleden van verweerder, waarin aan hem in juli 2019 een berisping en in januari 2023 een voorwaardelijke schorsing voor twee weken zijn opgelegd, is de raad van oordeel dat het handelen van verweerder zodanig is dat een maatregel van onvoorwaardelijke schorsing op zijn plaats is. 

7    GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING 7.1    Omdat de raad de klacht gedeeltelijk gegrond verklaart, moet verweerder op grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klager betaalde griffierecht van € 50,- aan hem vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden. Klager geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing zijn rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door. 7.2    Omdat raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerder daarnaast op grond van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten: a)    € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en b)    € 500,- kosten van de Staat. 7.3    Verweerder moet het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.2 onder a en b genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline" en het zaaknummer.

BESLISSING De raad van discipline: -    verklaart klager niet-ontvankelijk in klachtonderdeel a) en in klachtonderdeel b) voor zover dat de subverwijten (i) en (ii) betreft; -    verklaart klachtonderdeel b) voor het overige gegrond; -    legt aan verweerder de maatregel van schorsing in de praktijkuitoefening voor de duur van vier weken op; -    bepaalt dat de schorsing ingaat vier weken na het onherroepelijk worden van deze beslissing, met dien verstande dat: -    de onderhavige schorsing pas ingaat na afloop van eerder onherroepelijk geworden schorsingen,  -    verschillende op dezelfde dag onherroepelijk geworden schorsingen niet tegelijkertijd maar na elkaar worden tenuitvoergelegd, en dat -    de onderhavige schorsing niet ten uitvoer zal worden gelegd gedurende de tijd dat verweerder niet op het tableau staat ingeschreven; -    veroordeelt verweerder tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klager, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.1;   -    veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.3; -    bepaalt dat de in artikel 8a lid 3 Advocatenwet bedoelde termijn wordt verkort tot vijf jaar; -     wijst het verzoek tot schadevergoeding af.

Aldus beslist door mr. F.M.C. Boesberg, voorzitter, mrs. M.M. Kuyp, A.E. Mulder, S.H.G. Swennen, S.J. de Vries, leden, bijgestaan door mr. M.M. Goldhoorn als griffier en uitgesproken in het openbaar op 12 januari 2026.

Griffier    Voorzitter

Uitgesproken d.d. 12 januari 2026