Rechtspraak
Uitspraakdatum
05-01-2026
ECLI
ECLI:NL:TADRAMS:2026:2
Zaaknummer
25-421/A/A
Inhoudsindicatie
Verzet ingediend buiten de verzettermijn. De raad overweegt dat niet gebleken is van omstandigheden op grond waarvan moet worden geoordeeld dat de overschrijding van de termijn van 30 dagen verschoonbaar is. Verzet niet ontvankelijk.
Uitspraak
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam van 5 januari 2026
in de zaak 25-421/A/A
naar aanleiding van het verzet tegen de beslissing van de plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline van 25 augustus 2025 op de klacht van:
klaagster
over:
verweerster
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 7 augustus 2024 heeft klaagster bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerster.
1.2 Op 25 juni 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 2363201/JS/FS van de deken ontvangen.
1.3 Bij beslissing van 25 augustus 2025 heeft de plaatsvervangend voorzitter van de raad (hierna ook: de voorzitter) de klacht in alle onderdelen kennelijk ongegrond verklaard. Deze beslissing is op 25 augustus 2025 verzonden aan partijen.
1.4 Op 25 september 2025 heeft klaagster verzet ingesteld tegen de beslissing van de voorzitter. De raad heeft het verzetschrift op 25 september 2025 ontvangen.
1.5 Het verzet is behandeld op de zitting van de raad van 21 november 2025. Daarbij was klaagster (door middel van een digitale verbinding) aanwezig, bijgestaan door een tolk. Ook was verweerster aanwezig. Verweerster werd vergezeld door een kantoorgenoot.
1.6 De raad heeft kennisgenomen van de beslissing van de voorzitter waartegen het verzet is gericht, van de stukken waarop de voorzittersbeslissing is gebaseerd en van het verzetschrift.
2 VERZET
2.1 De gronden van het verzet houden, zakelijk weergegeven, het volgende in:
2.2 De beslissing is partijdig en gemotiveerd om disciplinaire maatregelen tegen verweerster te voorkomen. De beslissing voldoet derhalve niet aan de juiste maatstaf. De voorzitter heeft bij zijn beoordeling niet kunnen aantonen:
a) hoe en wanneer verweerster klaagster tijdens de behandeling van de klacht over de vertrouwelijke stukken heeft geïnformeerd. Als verweerster inderdaad alle stukken met klaagster heeft gedeeld, waarom blijft verweerster dan volhouden dat het haar verboden is de stukken te delen?
b) De voorzitter heeft bij zijn beoordeling van de huidige klachtzaak niet aangetoond op welke datum, welk tijdstip en op welke datum verweerster de aanklager heeft geïnformeerd over het recht van klaagster om de processtukken van de klachtzaak tegen haar ex-partner in te zien? Zonder deze feiten vast te stellen, heeft de voorzitter verweerster met een bevooroordeelde blik een vrijbrief gegeven om tuchtmaatregelen tegen haar te voorkomen.
c) Als de onderdelen a en b onpartijdig waren behandeld, zou ongetwijfeld blijken dat verweerster de aanklager heeft bedrogen door documenten/informatie van een dergelijke categorie achter te houden, waarvan de kennis van groot belang was voor de aanklager om in 2021 een sterke klacht tegen de ex-partner op te bouwen en die tot strafrechtelijke vervolging van de man zou hebben geleid.
d) Omdat de plaatsvervangend voorzitter de onderdelen a en b van de klacht niet onpartijdig heeft beoordeeld, volgt uit het voorgaande dat verweerster onrechtmatig voordeel heeft verschaft aan de ex-partner van klaagster en aldus fraude heeft gepleegd jegens klaagster.
2.3 Tegen de vaststaande feiten en de klachtomschrijving komt klaagster in verzet niet op.
3 FEITEN EN KLACHT
3.1 Voor de vaststaande feiten en de omschrijving van de klacht verwijst de raad naar de beslissing van de voorzitter.
4 BEOORDELING
Ontvankelijkheid verzet
4.1 Voordat de raad het verzet inhoudelijk kan beoordelen, moet de raad ambtshalve vaststellen of het verzet tijdig is ingediend.
4.2 Op grond van artikel 46j lid 4 jo artikel 46h lid 1 Advocatenwet kan tegen een beslissing van de voorzitter binnen dertig dagen na de dag van de verzending van het afschrift van de beslissing verzet worden gedaan bij de raad. Klaagster had derhalve tot en met 24 september 2025, 30 dagen na de verzending van de beslissing van de voorzitter, de tijd om verzet in te stellen. Het verzet is echter ontvangen op 25 september 2025 en dat is te laat.
4.3 De raad overweegt dat sprake kan zijn van verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding bij bijzondere omstandigheden die de indiener van het verzetschrift betreffen. Naar het oordeel van de raad is niet gebleken van omstandigheden op grond waarvan moet worden geoordeeld dat de overschrijding van de termijn van 30 dagen verschoonbaar is. De raad zal klaagster daarom niet-ontvankelijk verklaren in haar verzet. Bij deze stand van zaken komt de raad niet toe aan de inhoudelijke beoordeling van het verzet.
BESLISSING
De raad van discipline verklaart het verzet niet-ontvankelijk.
Aldus beslist door mr. S.D. Arnold, voorzitter, mrs. I.J. de Laat en M.J.E, van den Bergh, leden, bijgestaan door mr. K.J. Verschueren als griffier en uitgesproken ter openbare zitting van 5 januari 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 5 januari 2026
