Rechtspraak
Uitspraakdatum
08-01-2026
ECLI
ECLI:NL:TADRARL:2026:6
Zaaknummer
25-732/AL/NN
Inhoudsindicatie
Voorzittersbeslissing. Klacht over de deken is kennelijk ongegrond.
Uitspraak
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden van 8 januari 2026 in de zaak 25-732/AL/NN naar aanleiding van de klacht van:
klaagster
over
verweerder
De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief met bijlagen volgens de inventarislijst van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Noord-Nederland (hierna: de deken) van 23 oktober 2025 met kenmerk 2025 KNN033/2486557.
1 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.
1.1 Klaagster was tot 12 mei 2022 in dienst als secretaresse van een advocatenkantoor. Haar partner heeft verweerder op 28 juni 2023 telefonisch een signaal gegeven van grensoverschrijdend gedrag van een van de advocaten van dat kantoor. Hij vertelde nog niet om wie het ging. Op 12 juli 2023 maakte klaagster zich bij verweerder bekend en schreef meteen ook dat zij geen vervolg wilde geven aan het signaal
1.2 Verweerder heeft desalniettemin de kwestie opgepakt, ook omdat een partner van het betreffende advocatenkantoor hem inmiddels zelf ook op de hoogte had gesteld van de beschuldiging.
1.3 Het advocatenkantoor heeft een extern bureau de opdracht gegeven om de situatie te onderzoeken. Verweerder heeft klaagster geadviseerd om aan dat onderzoek mee te werken. Dat heeft ze in eerste instantie ook gedaan. Klaagster heeft op 28 augustus 2023 een klacht tegen de betreffende advocaat ingediend. Klaagster en verweerder hebben afgesproken om de klacht te parkeren in afwachting van de onderzoeksresultaten.
1.4 Klaagster heeft op enig moment niet meer aan het onderzoek meegewerkt en heeft verweerder op 22 november 2023 verzocht om de geparkeerde klacht op te pakken. Verweerder heeft klaagster uitgenodigd voor een gesprek op 21 december 2023.
1.5 Op 10 januari 2024 is het definitieve rapport van het externe bureau opgeleverd.
1.6 Verweerder heeft op 26 januari 2024 een normoverdragend gesprek gevoerd met de betreffende advocaat, dit was in aanwezigheid van de partner van het kantoor van de advocaat die zich bij verweerder had gemeld met de onderliggende kwestie.
1.7 Op 14 maart 2024 heeft verweerder zijn standpunt in de klachtzaak tegen de betreffende advocaat gegeven. Zijn visie kwam er op neer dat er onvoldoende aanleiding was om een dekenbezwaar in te dienen.
1.8 Klaagster heeft hierop het griffierecht voldaan waarna de klacht over de advocaat is voorgelegd aan de raad van discipline. De raad van discipline heeft de klacht op 22 juli 2024 ongegrond verklaard.
1.9 Op 27 maart 2025 heeft klaagster bij het hof van discipline een klacht ingediend over verweerder. In een beslissing van 10 april 2025 heeft de voorzitter van het hof van discipline deze klacht voor onderzoek en afhandeling verwezen naar de deken in het arrondissement Noord-Nederland.
2 KLACHT
2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door:
a) niet deugdelijk (zelf) onderzoek te doen naar de klacht en de gebeurtenissen nadien;
b) niet onafhankelijk te zijn;
c) niet terug te bellen na 14 maart 2024.
3 VERWEER
3.1 Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
4 BEOORDELING
4.1 De klacht heeft betrekking op het optreden van verweerder in zijn hoedanigheid van deken van de Orde van Advocaten. De voorzitter neemt als uitgangspunt dat het in de artikelen 46 en volgende van de Advocatenwet geregelde tuchtrecht betrekking heeft op het handelen en nalaten van advocaten als zodanig en beoogt een behoorlijke beroepsuitoefening te waarborgen. Maar ook wanneer een advocaat optreedt in een andere hoedanigheid dan die van advocaat, bijvoorbeeld als deken, blijft voor hem het advocatentuchtrecht gelden. Als hij zich bij de vervulling van die andere functie zodanig gedraagt dat daardoor het vertrouwen in de advocatuur wordt geschaad, zal in het algemeen sprake zijn van handelen of nalaten in strijd met hetgeen een behoorlijk advocaat betaamt waarvan hem een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt.
4.2 De aard en functie van deken brengen met zich dat bij de tuchtrechtelijke controle terughoudendheid moet worden betracht vanwege de grote beleidsvrijheid die een advocaat in die functie toekomt. De manier waarop een deken uitvoering geeft aan een onderzoek naar een klacht valt binnen deze beleidsvrijheid. Uitsluitend als zou blijken van feiten waaruit kan worden afgeleid dat de deken door zijn handelwijze het vertrouwen in de advocatuur heeft geschaad, kan sprake zijn van klachtwaardig handelen. Naar het oordeel van de voorzitter is daarvan geen sprake.
4.3 In de kern komt de klacht erop neer dat verweerder niet zelf onderzoek heeft verricht, maar vertrouwd heeft op het onderzoek van het bureau Nijhof & Westerhoud. De voorzitter stelt vast dat toen klaagster op 22 november 2023 aan verweerder heeft verzocht om de klacht tegen de beklaagde advocaat (toch) door te zetten, haar niet meer is gevraagd om (nogmaals) haar klacht op te schrijven en toe te lichten. Dit is naar het oordeel van de voorzitter niet onbegrijpelijk omdat uit het signaaldossier duidelijk bleek waar de klacht op zag en de handelingen, waarover door klaagster is geklaagd, dezelfde waren als die door het (gespecialiseerde) extern bureau waren onderzocht. Er was voor verweerder dan ook geen reden om dit onderzoek over te doen. Bovendien heeft verweerder zowel voor als na het indienen van de klacht met klaagster gesproken en is klaagster door zowel verweerder als de raad van discipline in de gelegenheid gesteld om aanvullende stukken in te dienen. Uit deze gang van zaken is naar het oordeel van de voorzitter niet gebleken dat verweerder ondeugdelijk onderzoek naar de klacht van klaagster heeft verricht en ook niet dat het vertrouwen in de advocatuur daardoor zou zijn geschaad.
4.4 Klaagster stelt verder dat verweerder niet onafhankelijk was en zij verwijt hem dat hij deze zaak niet aan een andere orde heeft doorgestuurd. Zij heeft daartoe aangevoerd dat verweerder privé-contact heeft gehad met een toenmalige kantoorgenoot van de door klaagster beklaagde advocaat. Verweerder heeft aangevoerd dat hij deze advocaat slechts jaren geleden een keer had ontmoet en dat er geen relatie bestaat tussen hem en deze advocaat die zijn onafhankelijkheid in deze zaak zou kunnen ondermijnen. Mede gelet op deze verklaring van verweerder is naar het oordeel van de voorzitter niet gebleken dat verweerder in deze zaak niet onafhankelijk is geweest. Verder overweegt de voorzitter dat de wet niet voorziet in de - door klaagster gewenste - mogelijkheid om de klachtbehandeling naar een andere orde te verwijzen.
4.5 Klaagster verwijt verweerder ten slotte dat hij haar niet terug heeft gebeld, op het moment dat hij op vakantie was. Uit de stukken volgt dat verweerder aan klaagster heeft laten weten dat hij op vakantie was en in het geval zij nog vragen had, zij deze per e-mail kon stellen, waarna de stafjurist of verweerder zelf na zijn vakantie deze vragen had kunnen beantwoorden. De voorzitter is van oordeel dat niet valt in te zien waarom deze handelwijze van verweerder klachtwaardig zou zijn.
4.6 Gelet op het voorgaande is van het schaden van het vertrouwen van de advocatuur door verweerder geen sprake. Verweerder kan daarom geen tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt. Dat betekent dat de klacht kennelijk ongegrond wordt verklaard.
BESLISSING
De voorzitter verklaart: de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond.
Aldus beslist door mr. M. Jansen, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. W.B. Kok als griffier en uitgesproken in het openbaar op 8 januari 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op : 8 januari 2026
