Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

05-01-2026

ECLI

ECLI:NL:TADRSHE:2026:4

Zaaknummer

25-541/DB/LI

Inhoudsindicatie

Raadsbeslissing. Klacht over handelen in strijd met gedragsregel 15. Tegen verweerders optreden heeft klager bezwaren geuit en klagers bezwaren zijn ook redelijk. Vast staat dat er sprake is van een familierelatie tussen verweerder en de accountant, dat het advocatenkantoor en het accountantskantoor in hetzelfde pand zijn gevestigd en dat er sprake is van een doorlopende opdracht op grond waarvan verweerders kantoor juridisch advies en / of juridische bijstand verleend aan (klanten van) het accountantskantoor. Tevens staat als onweersproken vast dat verweerders broer heeft bemiddeld in het geschil tussen klager en de heer H, in welk verband zowel klager als de heer H gesprekken hebben gevoerd met verweerders broer, waarbij klager zijn standpunten over het geschil heeft kenbaar gemaakt aan verweerders broer. Vervolgens heeft inschakeling van verweerders kantoorgenoot mr. L plaatsgevonden in het kader van het geschil tussen klager en de heer H. Daarna is verweerder tegen klager geen optreden. De hiervoor genoemde feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, maken naar het oordeel van de raad dat aan de zijde van klager redelijke bezwaren bestaan tegen het optreden van verweerder voor de heer H tegen de aan klager gelieerde vennootschap. Er is daarom niet voldaan aan de in gedragsregel 15 lid 3 genoemde voorwaarde (c) terwijl ook niet is gebleken dat aan voorwaarde (b) is voldaan, zodat het verweerder niet vrij stond om op te treden tegen klager. Gegrond. Waarschuwing. 

Uitspraak

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort ‘s-Hertogenbosch van 5 januari 2026

in de zaak 25-541/DB/LI

naar aanleiding van de klacht van:

 

klager

over:

verweerder

 

 

1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE

1.1    Op 26 september 2024 heeft klager tegen verweerder een klacht ingediend bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Limburg (hierna: “de deken”).

1.2    Op 13 augustus 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk K25-033 van de deken ontvangen. 

1.3    De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 17 november 2025. Verschenen zijn klager, vergezeld van de heer E, en verweerder.

1.4    De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de volgende nagekomen stukken: -    de e-mail met bijlagen van klager van 31 augustus 2025.  

 

2    FEITEN

2.1    Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.

2.2    In 2018 en in 2022 heeft verweerder rechtsbijstand verleend aan klager in privé en de aan klager gelieerde vennootschap E Holding B.V. Verweerder heeft op enig moment klagers echtgenote bijgestaan. 

2.3    Klager en de heer H waren beiden (middellijk) bestuurder en ieder voor 50% (middellijk) aandeelhouder van W+E B.V. Tussen klager en de heer H is een geschil ontstaan. In juli 2024 heeft de heer H ontslag genomen als bestuurder. Sindsdien is klager enig bestuurder van W+E B.V. 

2.4    Verweerders broer is accountant. Het accountantskantoor is gevestigd in hetzelfde kantoorpand als verweerders kantoor. Het accountantskantoor is belast (geweest) met het verzorgen van de boekhouding voor klager in privé en de aan hem gelieerde onderneming(en). Het accountantskantoor is ook verantwoordelijk (geweest) voor het verzorgen van de boekhouding van W+E B.V.

2.5    Er is sprake van een doorlopende opdracht van het accountantskantoor aan verweerders kantoor op grond waarvan verweerder en verweerders kantoorgenoten aan het accountantskantoor juridisch advies geven over kwesties die zich voordoen bij de klanten van het accountantskantoor.

2.6    Verweerders broer heeft bemiddeld in het geschil tussen klager en de heer H. In dat verband hebben zowel klager als de heer H gesprekken gevoerd met verweerders broer Klager heeft daarbij zijn standpunten over het geschil  kenbaar gemaakt aan verweerders broer. 

2.7    In het geschil tussen klager en de heer H was btw- en bpm-problematiek aan de orde.  

2.8    In juli 2024 heeft mr. L, een kantoorgenoot van verweerder, deelgenomen aan een bespreking waarbij verweerders broer en diens collega MS aanwezig waren  . Tijdens deze bespreking is onder meer aan de orde gekomen of het zinvol zou zijn om in het geschil tussen klager en de heer H een vaststellingsovereenkomst op te stellen en of afspraken over de btw- en bpm-problematiek daarin zouden kunnen worden opgenomen. 

2.9    Bij brief van 23 september 2024 heeft verweerder klager, althans de aan hem gelieerde vennootschap E Holding B.V., als volgt bericht:

    “Tot mij heeft zich gewend de heer [H] en al zijn gelieerde ondernemingen, hierna te noemen cliënt, met het verzoek zijn juridische belangen te behartigen.     Cliënt heeft mij verzocht hem bij te staan in het geschil met E Holding B.V. Daarbij heb ik zelf geconstateerd dat geen sprake is van belangenverstrengeling. Mocht u dit echter anders zien, dan verneem ik graag op basis van welke concrete gronden.      Een eventuele reactie zie ik graag binnen veertien dagen tegemoet. Indien ik geen reactie van u ontvang, ga ik ervan uit dat er uwerzijds geen bezwaren bestaan.” 

2.10    Klager heeft bezwaar gemaakt tegen het optreden van verweerder tegen klager. 

2.11    Op 26 september 2024 heeft klager tegen verweerder een klacht ingediend bij de deken.

3    KLACHT

3.1      De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerder het volgende:

Verweerder is tegen klager gaan optreden, terwijl hij klager in het verleden heeft bijgestaan, waardoor hij volledig op de hoogte is van het reilen en zeilen van klager, klagers vrouw en klagers bedrijf. Daarbij komt dat verweerders broer zowel zakelijk als privé de boekhouder van klager is.

 

4    VERWEER 

4.1    Verweerder heeft verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

 

5    BEOORDELING

5.1   Klager verwijt verweerder dat hij tegen klager is gaan optreden, terwijl hij hem eerder heeft bijgestaan. Verweerder heeft de klacht weersproken. Verweerder heeft aangevoerd dat het hem vrijstond om tegen klager op te treden, omdat de zaken waarin hij klager heeft bijgestaan van totaal andere aard waren, dat hij daardoor geen vertrouwelijke zaaksgebonden informatie heeft verkregen en dat klager geen redelijke bezwaren heeft aangevoerd.  De raad overweegt als volgt. 

5.2    Als uitdrukkelijk door verweerder erkend staat vast dat verweerder in het verleden rechtsbijstand heeft verleend aan klager in privé alsook aan de aan klager gelieerde vennootschap. Het stond verweerder in beginsel dan ook niet vrij om daarna tegen klager en de aan klager gelieerde vennootschap op te treden. Uit gedragsregel 15 lid 1 volgt immers dat het de advocaat, gelet op zijn gehoudenheid aan met name de kernwaarden partijdigheid en vertrouwelijkheid, niet is toegestaan, om tegen een cliënt of een voormalige cliënt (of die van zijn kantoorgenoten) op te treden. Lid 6 van gedragsregel 15 bepaalt dat waar in gedragsregel 15 “advocaat” staat, tevens het samenwerkingsverband waarvan hij deel uitmaakt wordt bedoeld.

5.3    Van het bepaalde in gedragsregel 15 lid 1 kan de advocaat op grond van gedragsregel 15 lid 3 alleen afwijken indien is voldaan aan elk van de volgende drie voorwaarden: (a) de aan de advocaat toe te vertrouwen belangen betreffen niet dezelfde zaak ten aanzien waarvan de voormalige of bestaande cliënt werd of wordt bijgestaan door de advocaat, houden daar ook geen verband mee en een toekomstig verband is evenmin aannemelijk; (b) de advocaat beschikt niet over vertrouwelijke informatie afkomstig van zijn voormalige of bestaande cliënt, dan wel over zaaksgebonden informatie of informatie de voormalige of bestaande cliënt betreffende, die redelijkerwijs van belang kan zijn bij de behandeling van de zaak tegen deze voormalige of bestaande cliënt; en (c) niet is gebleken van redelijke bezwaren aan de zijde van de voormalige of bestaande cliënt.

5.4     De raad is van oordeel dat niet aan elk van deze voorwaarden is voldaan. Ter zake de hiervoor genoemde voorwaarde (c) geldt naar het oordeel van de raad namelijk dat vast staat dat klager bezwaren heeft geuit en klagers bezwaren zijn naar het oordeel van de raad ook redelijk. Vast staat dat er sprake is van een familierelatie tussen verweerder en de accountant, dat het advocatenkantoor en het accountantskantoor in hetzelfde pand zijn gevestigd en dat er sprake is van een doorlopende opdracht op grond waarvan verweerders kantoor juridisch advies en / of juridische bijstand verleend aan (klanten van) het accountantskantoor. Tevens staat als onweersproken vast dat verweerders broer heeft bemiddeld in het geschil tussen klager en de heer H, in welk verband zowel klager als de heer H gesprekken hebben gevoerd met verweerders broer, waarbij klager zijn standpunten over het geschil heeft kenbaar gemaakt aan verweerders broer. Vervolgens heeft inschakeling van verweerders kantoorgenoot mr. L plaatsgevonden in het kader van het geschil tussen klager en de heer H. Daarna is verweerder tegen klager gaan optreden. De hiervoor genoemde feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, maken naar het oordeel van de raad dat aan de zijde van klager redelijke bezwaren bestaan tegen het optreden van verweerder voor de heer H tegen de aan klager gelieerde vennootschap. 

5.5     Omdat kortom niet aan de in gedragsregel 15 lid 3 genoemde voorwaarde (c) is voldaan, stond het verweerder reeds om die reden niet vrij om op te treden tegen klager. De stelling van verweerder dat hij de vaste advocaat is van het accountantskantoor impliceert dat hij dus over kennis kan beschikken die klager in de besprekingen met de accountant heeft gedeeld. In zoverre is evenmin komen vast te staan dat aan de voorwaarde (b) is voldaan. Verweerder heeft, door op te treden tegen klager, gehandeld in strijd met gedragsregel 15, hetgeen hem tuchtrechtelijk kan worden verweten. De klacht is derhalve gegrond.

 

6    MAATREGEL

6.1    Verweerder heeft tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld doordat hij in strijd met gedragsregel 15 tegen (de aan) klager (gelieerde vennootschap) is gaan optreden. De raad acht in deze een waarschuwing een passende maatregel. 

7    GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING 

7.1    Omdat de raad de klacht gegrond verklaart, moet verweerder op grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klager betaalde griffierecht van € 50,- aan hem vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden. Klager geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing zijn rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.

7.2    Nu de raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerder daarnaast op grond van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten: a) €   50,- reiskosten van klager; b) € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en c) € 500,- kosten van de Staat. 

7.3    Verweerder moet het bedrag van € 50,- aan reiskosten binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, betalen aan Klager. Klager geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing zijn rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door. 

7.4    Verweerder moet het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.2 onder b en c genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline" en het zaaknummer.

 

BESLISSING

De raad van discipline:

-    verklaart de klacht gegrond;

-    legt aan verweerder de maatregel van waarschuwing op;

-    veroordeelt verweerder tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klager; op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.1;

-    veroordeelt verweerder tot betaling van de reiskosten van € 50,- aan klager, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.3; 

-    veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.4.

Aldus beslist door mr. J.M.H. Schoenmakers, voorzitter, mrs. J.A.J.A. Luijten, A.J.C. Perdaems, leden, bijgestaan door mr. T.H.G. Huber-van de Langenberg als griffier, en uitgesproken op 5 januari 2026.

Griffier    Voorzitter

Verzonden op: 5 januari 2026