Rechtspraak
Uitspraakdatum
05-01-2026
ECLI
ECLI:NL:TADRARL:2026:4
Zaaknummer
25-610/AL/MN
Inhoudsindicatie
Raadsbeslissing. De raad rekent verweerster aan dat zij niet alleen de voorzieningenrechter van onjuiste informatie heeft voorzien, maar in haar verweer op de klacht ook de raad. Verweerster heeft weliswaar ter zitting verklaard zich teveel te hebben laten leiden door de situatie van haar cliënte en dat ze te gefocust was en het een vergissing is geweest, maar dat overtuigt de raad niet. Berisping.
Uitspraak
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem‑Leeuwarden
van 5 januari 2026
in de zaak 25-610/AL/MN
naar aanleiding van de klacht van:
klager
over
verweerster
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 23 februari 2025 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Midden-Nederland (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerster.
1.2 Op 10 september 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk Z 2470300/FB/SD van de deken ontvangen.
1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 10 november 2025. Daarbij waren klager en verweerster aanwezig. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.
1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier.
2 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.1 Klager en zijn partner hebben hun relatie verbroken.
2.2 Ten aanzien van de vermogensrechtelijke afwikkeling daarvan zijn klager en zijn ex-partner het niet eens geworden en daarover is een geschil ontstaan. De ex-partner van klager werd daarin bijgestaan door verweerster.
2.3 In april 2023 hebben klager en zijn ex-partner een overeenkomst gesloten over de verdeling van de gezamenlijke woning.
2.4 In maart/april 2024 heeft verweerster een kort-geding procedure tegen klager gestart, waarin vaststelling van een voorlopige zorgregeling op straffe van een dwangsom werd gevorderd. Klager heeft in reconventie ook om vaststelling van een voorlopige zorgregeling gevraagd en om de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij hem te bepalen.
2.5 Bij vonnis van 17 april 2024 heeft de voorzieningenrechter de vorderingen afgewezen vanwege het ontbreken van een spoedeisend belang en zijn de proceskosten gecompenseerd.
2.6 Op 31 juli 2024 zijn klager en zijn ex-partner in mediation gegaan om de gevolgen van het uiteengaan verder af te wikkelen, waaronder het opstellen van een zorgregeling en afspraken over de gezamenlijke woning.
2.7 De ex-partner heeft klager op 13 augustus 2024 aangeschreven over het nakomen van de afspraken over de toedeling aan klager van de gezamenlijke woning. De ex-partner had namelijk een sociale huurwoning betrokken, wat volgens haar enkel mogelijk was onder de voorwaarde dat de gezamenlijke woning zou worden toegedeeld aan klager of dat deze zou worden verkocht aan een derde. Klager heeft daar per e-mail van 20 augustus 2024 op gereageerd.
2.8 Op 27 augustus 2024 heeft een tweede mediationgesprek plaatsgevonden en daarbij is de mediation beëindigd.
2.9 Bij e-mailbericht van 2 oktober 2024 heeft verweerster aangekondigd een kort-geding procedure te zullen starten met betrekking tot de overname van de woning door klager. Klager heeft daarop gereageerd dat hij bezig is met stappen om de woning over te nemen en dat hij daarvoor concreet bewijs kan aanleveren. Klager en verweerster hebben in de navolgende dagen over en weer gemaild, waarna verweerster op 23 oktober 2024 heeft bericht dat er een dag voor het kort-geding is bepaald.
2.10 Bij e-mailbericht van 30 oktober 2024 heeft klager daarop gereageerd. Hij heeft daarbij een e-mailbericht van zijn hypotheekadviseur meegezonden met betrekking tot het ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van zijn ex-partner jegens de hypotheekbank en een door zijn ex-partner te tekenen ontruimingsverklaring, zodat het volgens klager niet nodig was een kort-geding te starten.
2.11 Op 5 november 2024 heeft verweerster de dagvaarding uitgebracht. Daarin wordt vervangende toestemming aan de voorzieningenrechter verzocht tot verkoop van de gezamenlijke woning.
2.12 Bij e-mailbericht van 6 november 2024 heeft verweerster aan klager laten weten dat er geen overtuigend bewijs is dat klager de woning kan overnemen en dat het kort-geding pas zal worden ingetrokken als het ontslag van de ex-partner uit de hoofdelijke aansprakelijkheid is afgerond en als blijkt dat klager de woning kan overnemen.
2.13 Bij e-mailbericht van 7 november 2024 heeft klager nogmaals gevraagd het kort-geding in te trekken. Klager heeft wel verweer gevoerd en bij eis in reconventie vervangende toestemming voor toedeling van de woning aan hem gevorderd en verzocht om de ex-partner in de proceskosten te veroordelen.
2.14 Op de mondelinge behandeling van het kort-geding hebben partijen (nieuwe) afspraken gemaakt over de verdeling van de woning en heeft klager de voorzieningenrechter verzocht om niettemin wel uitspraak te doen over de gevorderde proceskostenveroordeling.
2.15 Bij vonnis van 2 december 2024 heeft de voorzieningenrechter overwogen dat er zonder meer reden is om de ex-partner van klager te veroordelen in de proceskosten. Dat doet de voorzieningenrechter echter niet omdat er ook redenen zijn om dat niet te doen.
3 KLACHT
3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door:
a) voor de tweede keer onnodig een kort geding te voeren;
toelichting: In het eerste kort-geding is door de rechter geoordeeld dat partijen geen spoedeisend belang hadden, omdat de overeengekomen zorgregeling weer werd nagekomen. Er is volgens klager dan ook zonder reden gedagvaard en hij heeft voor niets een advocaat een verweer moeten laten opstellen en naar de zitting laten komen. Ten aanzien van het tweede kort geding heeft klager meermaals aan verweerster duidelijk gemaakt dat doorzetten van het kort-geding niet nodig was. Er was op 7 april 2023 al een schriftelijke overeenkomst ten aanzien van de woning en er was al een concept-akte van verdeling. Ook is een ontruimingsverklaring toegezonden. De cliënte van verweerster werkte echter niet mee om het af te ronden. De ex-partner heeft haar sociale huurwoning al eind april/begin mei 2023 toewezen gekregen op grond van de afspraken die er lagen. Klager heeft nooit begrepen dat dat niet voldoende was en heeft ook nooit gezien dat de woningbouwvereniging om meer vroeg. Klager heeft aan verweerster gevraagd welke bewijsstukken zij wilde zien om het kort geding te voorkomen, maar daarop is niet gereageerd. Door de kort geding rechter is ook hier weer geoordeeld dat er geen sprake was van een spoedeisend belang.
b) onvolledig te zijn in de kort geding dagvaarding door essentiële zaken niet te noemen;
toelichting: De ingediende dagvaarding was onvolledig, waardoor er een verkeerd beeld is geschetst bij de rechtbank. Verweerster heeft namelijk niet vermeld dat er in april 2023 tussen partijen een overeenkomst ten aanzien van de overname van de woning is gesloten. Verweerster heeft ontkend van die overeenkomst op de hoogte te zijn geweest, maar klager en zijn advocaat hebben dit meerdere malen aan verweerster gemeld en haar ook de concept-akte van verdeling gezonden. De rechter heeft hier terecht ook een punt van gemaakt.
c) feitelijke informatie te verstrekken waarvan zij wist of behoorde te weten dat deze onjuist is;
toelichting: Verweerster heeft in de dagvaarding gesteld dat klager op de e-mail van 13 augustus 2024 niet heeft gereageerd, terwijl klager dat op 20 augustus 2024 wel heeft gedaan. Kort voor het kort geding is er tussen klager en verweerster gecorrespondeerd, terwijl dit volgens verweerster pas na het uitbrengen van de dagvaarding zou zijn gebeurd. Dat is onjuist en de rechter heeft dat bevestigd.
d) geen minnelijke oplossing voor ogen te houden, althans zaken onnodig lang te laten doorlopen;
toelichting: Er is met verweerster meermaals gecommuniceerd wat de benodigde vervolgstappen moesten zijn om de ex-partner uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid te doen ontslaan, maar daaraan is geen enkele medewerking gegeven. Hierdoor is het proces meerdere keren stilgevallen in een periode van meer dan een jaar. In meerdere gevallen is ook geen reactie ontvangen. Met name de e-mailwisselingen van 3, 4 en 11 oktober 2024 zijn hier van belang. Het is ook onbegrijpelijk dat verweerster vervangende toestemming voor verkoop van de woning heeft gevraagd, terwijl ook een uiterste datum voor toedeling gevorderd had kunnen worden. Er is door verweerster nooit met een oplossingsgerichte werkwijze gehandeld.
3.2 Op de mondelinge behandeling heeft klager zijn klacht nader toegelicht.
4 VERWEER
Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna op het verweer ingaan.
5 BEOORDELING
Maatstaf
5.1 Naar vaste jurisprudentie van het Hof van Discipline dient de tuchtrechter bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, onder andere inhoudende dat advocaten zich dienen te onthouden van enig handelen of nalaten dat een behoorlijk advocaat niet betaamt. Artikel 10a van de Advocatenwet bevat de kernwaarden onafhankelijkheid, partijdigheid, deskundigheid, (financiële) integriteit en vertrouwelijkheid die advocaten bij de uitoefening van hun beroep in acht dienen te nemen. Daarbij geldt dat een advocaat een bijzondere positie in de rechtsbedeling vervult. Een advocaat dient zich te onthouden van handelingen waardoor het vertrouwen in de advocatuur als zodanig wordt geschaad, en dient zich te allen tijde te onthouden van een handelen of nalaten dat een behoorlijk advocaat niet betaamt. De gedragsregels beogen invulling te geven aan de eisen die mogen worden gesteld aan een goede taakuitoefening door een behoorlijk advocaat. De tuchtrechter toetst aan de norm van artikel 46 van de Advocatenwet en niet aan de gedragsregels, waarbij de gedragsregels overigens zo nodig wel van betekenis kunnen zijn bij bedoelde toets.
5.2 De klacht heeft betrekking heeft op het handelen van de advocaat van de wederpartij van klager. Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Discipline komt aan deze advocaat een ruime mate van vrijheid toe om de belangen van zijn cliënt te behartigen op de wijze als hem in overleg met zijn cliënt goeddunkt. Deze vrijheid is echter niet absoluut, en kan onder andere beperkt worden doordat (a) de advocaat zich niet onnodig grievend mag uitlaten over de wederpartij, (b) de advocaat geen feiten mag poneren waarvan hij de onwaarheid kent of redelijkerwijs kan kennen, (c) de advocaat bij de behartiging van de belangen van zijn cliënt de belangen van de wederpartij niet onnodig of onevenredig mag schaden zonder redelijk doel.
5.3 De raad zal de klachtonderdelen a), b) en c) vanwege de onderlinge samenhang gezamenlijk bespreken.
5.4 Vast staat dat klager en zijn ex-partner op 7 april 2023 een schriftelijke overeenkomst hebben opgesteld ten aanzien van de toedeling van de gezamenlijke woning na einde samenwonen. Die overeenkomst is door beiden ondertekend. De overeenkomst is aan de woningbouwvereniging toegezonden en aan de ex-partner van klager is een sociale huurwoning toegewezen. Volgens de ex-partner en verweerster was die toewijzing echter wel onder voorwaarden en deze zouden in een addendum op de huurovereenkomst zijn vermeld. Die voorwaarden zegt klager nooit gezien te hebben.
5.5 De zitting in kort-geding op 18 november 2024 bij de voorzieningenrechter had als inzet dat de woning snel aan klager zou worden toegedeeld, omdat dit volgens de cliënte van verweerster nodig was om in de sociale huurwoning te kunnen blijven wonen. Het addendum op de huurovereenkomst waaruit dit zou blijken is door verweerster niet in de procedure ingebracht. Ook heeft verweerster daar niet vermeld dat tussen partijen in april 2023 al een overeenkomst was gesloten ten aanzien van de woning.
5.6 In het op de zitting volgend vonnis in kort geding van 2 december 2024 heeft de voorzieningenrechter een aantal overwegingen aan het niet in het geding brengen van het addendum en het niet vermelden van de overeenkomst uit april 2023 gewijd. Door dat laatste voldoet de uitgebrachte dagvaarding volgens de voorzieningenrechter niet aan de eisen die de wet daaraan stelt. Verder overweegt de voorzieningenrechter dat in de dagvaarding is vermeld dat klager op een e-mail van 13 augustus 2024 niet heeft gereageerd, terwijl dat wel het geval is, en dat niet is vermeld dat er kort voor de zitting tussen klager en verweerster is gecorrespondeerd. Dat zou volgens verweerster door haar niet zijn vermeld, omdat dit pas na het uitbrengen van de dagvaarding was, maar ook dat is volgens de voorzieningenrechter niet juist zoals blijkt uit de overgelegde stukken. Dit alles is volgens de voorzieningenrechter in strijd met de wettelijke verplichting om de feiten volledig en naar waarheid naar voren te brengen.
5.7 In haar verweer op de klacht heeft verweerster geschreven dat zij pas bekend is geworden met de overeenkomst van april 2023 nadat zij de overweging had gemaakt een kort geding aan te spannen tot medewerking aan toedeling van de woning aan klager. Uit het klachtdossier blijkt echter dat verweerster al in 2023 wist van die overeenkomst, omdat daar door de advocaat van klager meermaals op was gewezen en de notaris op basis daarvan een concept-akte van verdeling heeft opgemaakt. Ook heeft verweerster in correspondentie met klager in augustus 2023 zelf verwezen naar die overeenkomst. Nu de cliënte van verweerster kennelijk niet meer over de overeenkomst uit 2023 beschikte heeft klager deze op 3 november 2024 aan verweerster toegezonden en dat was nog voordat de dagvaarding werd betekend. Daarnaar gevraagd verklaarde verweerster ter zitting bij de raad dat dit een vergissing is geweest en zij zich teveel heeft laten leiden door de situatie van haar cliënte en teveel gefocust was.
5.8 De raad is van oordeel dat verweerster bij de voorzieningenrechter steken heeft laten vallen door essentiële stukken niet over te leggen of te noemen en onjuiste informatie te verschaffen. Ook de raad is door verweerster onjuist voorgelicht in haar stukken, ook al heeft zij ter zitting – eerst na daarover te zijn bevraagd - gezegd dat het een vergissing is geweest. Het betaamt een advocaat niet om onwaarheden te poneren, zeker niet als dit ook al eerder is opgemerkt en benoemd, om zich daarna erop te beroepen dat het een vergissing is geweest. De raad rekent dit verweerster tuchtrechtelijk aan. De raad zal daarom de klachtonderdelen a), b) en c), in hun onderlinge samenhang bezien, gegrond verklaren. Hoewel het in zijn algemeenheid niet aan de tuchtrechter is om te oordelen of er wel of geen spoedeisend belang aanwezig is bij een kort-geding, maken de omstandigheden van het geval wel dat de raad van oordeel is dat het tweede kort-geding onnodig was. Door essentiële gegevens niet over te leggen, was dat geding gedoemd te falen.
Klachtonderdeel d): geen minnelijke oplossing nastreven
5.9 Dat verweerster geen minnelijke oplossing zou nastreven is de raad niet gebleken. De correspondentie waar klager in dit verband naar verwijst onderbouwt dit klachtonderdeel niet. Daarbij merkt de raad op dat aan verweerster, als advocaat van de wederpartij van klager, een ruime mate van vrijheid toekomt om de belangen van haar cliënte te behartigen op de wijze als haar in overleg met haar cliënte goeddunkt. En zoals verweerster ter zitting terecht verklaarde, behoort een minnelijke oplossing niet altijd tot de mogelijkheden.
6 MAATREGEL
6.1 Nu de raad de klacht gedeeltelijk gegrond zal verklaring is aan de orde of aan verweerster een maatregel moet worden opgelegd en zo ja welke.
6.2 Daarbij neemt de raad niet alleen de geschonden norm in overweging, maar ook of verweerster een recent tuchtrechtelijk verleden heeft. De raad rekent verweerster aan dat zij niet alleen de voorzieningenrechter van onjuiste informatie heeft voorzien, maar in haar verweer ook de raad. Verweerster heeft weliswaar ter zitting verklaard zich teveel te hebben laten leiden door de situatie van haar cliënte en dat ze te gefocust was en het een vergissing is geweest, maar dat overtuigt de raad niet. De raad van oordeel is dat in deze zaak de maatregel van berisping passend en geboden is.
7 GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING
7.1 Omdat de raad de klacht gedeeltelijk gegrond verklaart, moet verweerster op grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klager betaalde griffierecht van € 50 aan hem vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden. Klager geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing zijn rekeningnummer schriftelijk aan verweerster door.
7.2 Omdat raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerster daarnaast op grond van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten:
a) € 50 aan forfaitaire reiskosten van klager,
b) € 750 kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en
c) € 500 kosten van de Staat.
7.3 Verweerster moet het bedrag van € 50 aan forfaitaire reiskosten binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden betalen aan klager. Klager geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing zijn rekeningnummer schriftelijk aan verweerster door.
7.4 Verweerster moet het bedrag van € 1.250 (het totaal van de in 7.2 onder b en c genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline" en het zaaknummer.
BESLISSING
De raad van discipline:
- verklaart klachtonderdelen a), b) en c) gegrond;
- verklaart klachtonderdeel d) ongegrond;
- legt aan verweerster de maatregel van berisping op;
- veroordeelt verweerster tot betaling van het griffierecht van € 50 aan klager;
- veroordeelt verweerster tot betaling van de reiskosten van € 50 aan klager, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.3;
- veroordeelt verweerster tot betaling van de proceskosten van € 1.250 aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.4.
ldus beslist door mr. S.C. Hagedoorn, voorzitter, mr. E.M.G. Pouls, mr. S.M. Bosch-Koopmans, mr. A.W. Siebenga en mr. E.H.M. Harbers, leden, bijgestaan door mr. H.P.J. Meijerink als griffier en uitgesproken in het openbaar op 5 januari 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 5 januari 2026
