Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

09-01-2026

ECLI

ECLI:NL:TAHVD:2026:5

Zaaknummer

250029

Inhoudsindicatie

Klacht over eigen advocaat. Verweerder heeft samen met zijn kantoorgenoot klaagster bijgestaan in een huurgeschil. Klaagster is ontevreden over de wijze waarop verweerder haar heeft bijgestaan. Volgens klaagster is verweerder tekortgeschoten in zijn dienstverlening (waaronder onjuiste advisering en de juridische kwalificatie van het huurgeschil) en heeft hij niet conform de (al dan niet gegeven) opdracht gehandeld bij het instellen van hoger beroep. De raad heeft geoordeeld dat niet is gebleken van klachtwaardig handelen van verweerder en heeft de klacht in beide klachtonderdelen ongegrond verklaard. Het hof sluit zich bij dat oordeel van de raad aan. De klacht is ook in hoger beroep in beide klachtonderdelen ongegrond.

Uitspraak

Beslissing van 9 januari 2026 in de zaak 250029

naar aanleiding van het hoger beroep van:

klaagster

tegen:

verweerder

 

 

1    INLEIDING

1.1    Verweerder heeft samen met zijn kantoorgenoot klaagster bijgestaan in een huurgeschil. Klaagster is ontevreden over de wijze waarop verweerder haar heeft bijgestaan. Volgens klaagster is verweerder tekortgeschoten in zijn dienstverlening (waaronder onjuiste advisering en de juridische kwalificatie van het huurgeschil) en heeft hij niet conform de (al dan niet gegeven) opdracht gehandeld bij het instellen van hoger beroep. De raad heeft geoordeeld dat niet is gebleken van klachtwaardig handelen van verweerder en heeft de klacht in beide klachtonderdelen ongegrond verklaard. Het hof sluit zich bij dat oordeel van de raad aan. De klacht is ook in hoger beroep in beide klachtonderdelen ongegrond. 

1.2    Het hof zet eerst het verloop van de procedure bij de raad en het hof uiteen. Vervolgens zet het hof het volgende op een rij: de feiten, de klacht en de beoordeling van de raad. Daarna volgen de redenen waarom klaagster in beroep is gekomen en hoe het hof tot zijn oordeel komt.  

2    DE PROCEDURE 

Bij de raad van discipline

2.1    De Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden (hierna: de raad) heeft in de zaak tussen klager en verweerder (zaaknummer: 24-596/AL/MN) een beslissing gewezen op 23 december 2024. In deze beslissing is de klacht in beide onderdelen ongegrond verklaard. 

2.2    Deze beslissing is onder ECLI:NL:TADRARL:2024:317 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.

Bij het hof van discipline

2.3    Het beroepschrift van klaagster tegen de beslissing is gedateerd op 15 januari 2025 en is tijdig ontvangen door de griffie van het hof. 

2.4    Verder bevat het dossier van het hof: -    de stukken van de raad;  -    het verweerschrift van verweerder; -    een brief van 10 maart 2025 van klaagster met onder meer het verzoek om schriftelijk op het verweerschrift te mogen reageren; -    de repliek van klaagster van 3 april 2025 met bijlage (productie 1).    2.5    Het hof heeft de zaak mondeling behandeld tijdens de openbare zitting van 10 november 2025. Daar zijn de statutair directeur van klaagster namens klaagster en verweerder verschenen. De statutair directeur van klaagster en verweerder hebben hun standpunt toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen, die onderdeel uitmaken van het dossier van het hof. 

3    FEITEN

3.1     Het hof stelt de volgende feiten vast.

3.2     Klaagster was met haar verhuurder verwikkeld in een geschil over een door klaagster gehuurde bedrijfsruimte. Verweerder heeft klaagster samen met zijn kantoorgenoot mr. Van L. in dit huurgeschil bijgestaan.

3.3     Op 21 mei 2021 heeft verweerder de opdracht van 6 mei 2021 schriftelijk aan klaagster bevestigd. Daarin heeft verweerder het volgende vermeld:

‘De werkzaamheden zien (…) op juridisch advies over uw zaak over de door u gehuurde bedrijfsruimte (…). (…) De opdracht en de daartoe uit te voeren werkzaamheden kunnen tussentijds wijzigen, afhankelijk van de voortgang en/of behoeften in deze zaak. Met u is besproken dat ik mijn werkzaamheden eerst richt op het opstellen van een brief aan de wederpartij om tot een oplossing te komen zonder hiervoor naar de rechter te gaan. Daarnaast zal ik onderzoeken of het mogelijk is om een huisnummering te krijgen en of u een huurkorting kan vorderen vanwege het huurgenot. Momenteel heeft u de betaling van de huur volledig opgeschort om druk te zetten op de verhuurder. Een algehele nihil stelling van de huur is niet aan de orde en dus zal ik samen met u kijken of en hoe de huursom verlaagd kan worden door het gebrek aan huurgenot. Zoals besproken reken ik voor de opdracht een uurtarief van € 275 exclusief btw. Om uw kosten te beperken zal ik mijn collega [mr. Van L.] vragen mij te ondersteunen. Het uurtarief van [mr. van L.] is € 150 exclusief btw. Op deze manier kunnen wij u een goede mix aanbieden van onze tarieven. Kosten en verschotten zal [het kantoor van verweerder] vooraf of achteraf aan u doorbelasten. Wij hebben afgesproken de zaak zonder rechter op te lossen. Als dit niet lukt en we toch naar de rechter moeten, zullen hier forse kosten aan verbonden zijn. Mocht het zover komen, dan zullen wij tussentijds contact hebben over de verdere gang van zaken en de kosten. Het te verwachten financiële resultaat houdt verband met het belang van de zaak en de mogelijkheden en risico’s. In elk juridisch geschil schuilen onzekerheden. De benodigde werkzaamheden en de daaraan verbonden kosten zijn op voorhand niet volmaakt in te schatten. Deze zijn mede afhankelijk van de te bepalen strategie, aanpak en wijze van uitvoering. Ook van invloed zijn onder andere acties van de eventuele wederpartij(en), ontwikkelingen en (gewijzigde) behoeften. In een procedure zal de partij die naar het oordeel van de rechter (grotendeels) in het ongelijk wordt gesteld worden veroordeeld in de proceskosten. Voor wat betreft de advocaatkosten van de wederpartij gaat het in beginsel om een forfaitaire vergoeding. [Het kantoor van verweerder] zal slechts een procedure aanhangig maken, beëindigen of een schikkingsovereenkomst sluiten na ontvangst van uw schriftelijke akkoord. (…)’

3.4    Op 21 mei 2021 heeft verweerder de verhuurder namens klaagster aangeschreven.

3.5     Op 6 september 2021 is klaagster door de verhuurder gedagvaard om bij de kantonrechter te Rotterdam te verschijnen. De verhuurder heeft gevorderd klaagster te veroordelen tot betaling van achterstallige huur, de huurovereenkomst met klaagster te ontbinden en klaagster te veroordelen tot ontruiming van de bedrijfsruimte.

3.6     Op 15 februari 2022 zijn de spreekaantekeningen voor de zitting bij de kantonrechter aan klaagster gemaild. Op 16 februari 2022 om 10:18 uur is daar namens klaagster inhoudelijk op gereageerd.

3.7    Op 16 februari 2022 heeft de kantonrechter de vordering van de verhuurder op zitting behandeld. Daarbij waren onder meer verweerder en mr. Van L. aanwezig.

3.8     Op 25 maart 2022 heeft de kantonrechter vonnis gewezen en de huurovereenkomst tussen klaagster en de verhuurder ontbonden, met veroordeling van klaagster tot ontruiming van de bedrijfsruimte en betaling van de achterstallige huur. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. In het vonnis heeft de kantonrechter onder meer geoordeeld dat het ontbreken van een eigen huisnummer van de bedrijfsruimte niet betekent dat er sprake is van een tekortkoming van de verhuurder, een gebrek dan wel dwaling.. Daarbij heeft de kantonrechter nog opgemerkt dat ‘zelfs als een of meer van de hiervoor besproken ongemakken al wel als een gebrek zouden kunnen worden gekwalificeerd, dit nog steeds niet betekent dat [klaagster] aanspraak kan maken op een vermindering van de huurprijs.’

3.9     Op 31 maart 2022 heeft verweerder op zijn kantoor met de directeur van klaagster gesproken.

3.10      De ontruiming van de kantoorruimte was gepland op 26 april 2022. Klaagster heeft de kantoorruimte voor die datum vrijwillig ontruimd.

3.11       Op 12 april 2022 heeft verweerder de eerste opzet voor een dagvaarding in hoger beroep aan klaagster gestuurd.

3.12       Op 4 mei 2022 heeft verweerder namens klaagster hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter door middel van betekening van een dagvaarding in hoger beroep aan de verhuurder tegen de roldatum van 21 juni 2022.

3.13      Het hoger beroep is, na uitstel, verwezen naar de rolzitting van 30 augustus 2022 voor een memorie van grieven. Op deze rolzitting is de zaak op verzoek van verweerder doorgehaald.

3.14       Op 16 september 2022 heeft de rolgriffier van het gerechtshof per e-mail bevestigd dat de zaak op de rol van 30 augustus 2022 is doorgehaald en dat de zaak desgewenst kan worden hervat.

3.15       Op 21 september 2022 heeft verweerder klaagster gemaild dat hij zijn werkzaamheden opschort vanwege het onbetaald laten van zijn declaraties.

 

4    KLACHT

De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt verweerder het volgende:

a)    verweerder is tekortgeschoten in de dienstverlening ten aanzien van de kwaliteit in het huurgeschil van klaagster met haar verhuurder;

b)    verweerder wilde niet met klaagster tot een oplossing komen.

 

5    BEOORDELING RAAD

5.1    De raad heeft na uiteenzetting van het toetsingskader – samengevat – het volgende overwogen over de klachtonderdelen a) en b). De raad heeft daarbij klachtonderdeel a) opgesplitst in vier subonderdelen en klachtonderdeel b) in drie subonderdelen.   

Klachtonderdeel a): 

- onjuiste advisering en kwalificatie huurgeschil  

5.2    De raad heeft overwogen dat klaagster ter zitting heeft toegelicht dat de in de huurovereenkomst opgenomen zogenoemde break-optie wel is besproken, maar dat verweerder niet met zoveel woorden heeft gezegd dat hij gebruikmaking van de break-optie adviseerde en dat klaagster wel had verwacht dat verweerder explicieter zou adviseren. Verweerder heeft hiertegenover ter zitting verklaard dat hij klaagster heeft geadviseerd om gebruik te maken van de break-optie, dat hij klaagster op de risico’s van een procedure heeft gewezen en dat het aan klaagster is om te beslissen. De raad heeft vervolgens vastgesteld dat de break-optie wel is besproken door partijen en dat klaagster niet betwist dat verweerder dit advies schriftelijk aan haar heeft gegeven. Volgens de raad is op dit punt geen sprake van een onjuiste advisering. Verweerder behoefde niet voor klaagster de beslissing te nemen om de break-optie in te roepen, deze beslissing is aan klaagster, aldus de raad.  

5.3     De raad heeft daarnaast op grond van het overgelegde vonnis (rov. 5.7 en 5.9) vastgesteld dat verweerder, en zijn kantoorgenoot mr. Van L., namens klaagster uitvoerig verweer hebben gevoerd tegen de vorderingen van de verhuurder en dat verweerder daarbij voor meerdere ankers is gaan liggen (tekortkoming verhuurder, gebrek en dwaling). Deze zijn door de  kantonrechter ook beoordeeld.  Klaagster heeft verder ook niet gespecificeerd welk verweer niet door verweerder is gevoerd dat volgens haar wel gevoerd had moeten worden. Van een onjuiste kwalificatie van het huurgeschil is naar het oordeel van de raad dan ook geen sprake, althans daar is de raad niet van gebleken. De raad komt dan ook tot de slotsom dat dit onderdeel van klachtonderdeel a) ongegrond is.

- Diverse concepten van de conclusie van antwoord 5.4     De raad heeft opgemerkt dat het niet ongebruikelijk is dat processtukken (verschillende keren) in concept naar de cliënt worden gestuurd voor een inhoudelijke reactie en dat de advocaat het concept naar aanleiding van die reactie(s) aanpast. De omstandigheid dat klaagster diverse concepten van de conclusie van antwoord heeft ontvangen, betekent op zichzelf dan ook niet dat verweerder klachtwaardig heeft gehandeld, aldus de raad. Klaagster heeft ook verder niet onderbouwd waarom en hoe meerdere versies te voorkomen waren geweest, zodat de raad ook dit onderdeel van klachtonderdeel a) ongegrond acht. 

- Comparitie van partijen bij de kantonrechter 5.5    Met betrekking het verwijt van klaagster van een gebrek aan communicatie en contact voorafgaand aan de comparitie van partijen bij de kantonrechter, heeft de raad geoordeeld dat uit de overgelegde stukken (gewisselde e-mails, waaronder de voorafgaand aan de zitting gestuurde spreekaantekeningen, concepten van de conclusie van antwoord en de adviezen van verweerder) niet is gebleken dat verweerder voorafgaand aan de comparitie onvoldoende met klaagster heeft gecommuniceerd en/of dat er geen bespreking heeft plaatsgevonden. De raad kan daarnaast verweerder volgen in zijn verweer waarom hij het ontvankelijkheidsverweer tijdens de zitting heeft gevoerd. Dat dit verweer is afgewezen, betekent niet dat verweerder klachtwaardig heeft gehandeld, aldus de raad. Ook kan het door klaagster gestelde rommelige verloop van de comparitie verweerder niet tuchtrechtelijk worden verweten, het is immers de kantonrechter die de leiding heeft. De raad acht ook dit onderdeel van klachtonderdeel a) ongegrond. 

- Vonnis van de kantonrechter 5.6     De raad heeft verder geoordeeld dat het feit dat de kantonrechter de vorderingen van de verhuurder heeft toegewezen en dus in het nadeel van klaagster heeft geoordeeld, verweerder niet kan worden verweten. In een civiele procedure beslist de rechter op grond van de standpunten van partijen en lopen beide partijen het risico op een voor hen nadelig vonnis. Dat klaagster niet op een voor haar nadelig vonnis had gerekend en teleurgesteld is over de uitkomst van de procedure, maakt niet dat verweerder klachtwaardig heeft gehandeld, aldus de raad. Dat verweerder zou hebben gezegd dat het niet zo’n vaart zou lopen met de door de kantonrechter toegewezen ontruiming is door verweerder betwist. De juistheid van dit verwijt kan bij gebrek aan een feitelijke onderbouwing door de raad niet worden vastgesteld. Klaagster heeft bovendien de bedrijfsruimte ruim voor de geplande ontruiming vrijwillig ontruimd en verlaten, zodat ook dit onderdeel van klachtonderdeel a) ongegrond is, aldus de raad.  

Klachtonderdeel b) is ongegrond:

- Dagvaarding in hoger beroep  5.7     Met betrekking tot het verwijt van klaagster dat zij geen opdracht heeft gegeven voor het opstellen van een dagvaarding in hoger beroep, heeft de raad geoordeeld dat klaagster ter zitting niet betwist heeft dat verweerder de concept dagvaarding voor het hoger beroep op 12 april 2022 aan klaagster heeft gemaild en dat ook overigens de raad niet gebleken dat verweerster zonder opdracht daartoe van klaagster is overgegaan tot het opstellen van de hoger beroep dagvaarding. Van klachtwaardig handelen is de raad niet gebleken.  

- Doorhaal van de zaak in hoger beroep 5.8     De raad is voorts van oordeel dat verweerder geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt van de gang van zaken (op de rol) in het hoger beroep, dan wel van het laten verlopen van een termijn. Verweerder heeft toegelicht hoe een en ander is verlopen en uit de e-mail van de rolgriffier van 16 september 2022 volgt dat de zaak in hoger beroep kan worden hervat als klaagster dat wil, aldus de raad. 

- Declaraties en urenverantwoording verweerder 5.9     De raad heeft tot slot geoordeeld dat in dit geval geen sprake is van excessief declareren. Klaagster heeft de door verweerder verrichte werkzaamheden niet betwist en de overgelegde stukken hebben de raad ook geen aanleiding gegeven om vraagtekens te zetten bij de uren die verweerder aan de zaak van klaagster heeft besteed. De raad is verder van oordeel dat het feit dat verweerder niet akkoord wil gaan met het voorstel van klaagster dat hij (als financiële compensatie) het hoger beroep kosteloos voor klaagster zou moeten doen, niet meebrengt dat verweerder klachtwaardig handelt. De raad heeft daarbij opgemerkt dat klaagster niet heeft weersproken dat zij zelf een bedrag van ruim € 12.500,- aan declaraties van verweerder onbetaald heeft gelaten.

5.10       De raad heeft geconcludeerd dat zowel klachtonderdeel a) als klachtonderdeel b) ongegrond zijn.  

 

6    BEROEPSGRONDEN EN VERWEER

6.1      Klaagster heeft in haar beroepschrift beroepsgronden gericht tegen de subonderdelen van zowel klachtonderdelen a) als b). 

Klachtonderdeel a) 6.2     Klaagster handhaaft haar klacht dat verweerder haar in het huurgeschil onjuist heeft geadviseerd en het huurgeschil onjuist heeft gekwalificeerd. Volgens klaagster heeft verweerder een onjuist uitgangspunt en een onjuiste strategie gehanteerd. Verweerder heeft te stellig volgehouden dat het ontbreken van een huisnummer een gebrek oplevert. Deze aanpak was volgens klaagster onjuist en heeft desastreuze gevolgen voor haar gehad. Klaagster betwist verder dat verweerder haar zou hebben geadviseerd om de “break-optie” te lichten. Volgens klaagster heeft zij enkele dagen voor de kerstperiode in 2021 herhaaldelijk om advies hierover gevraagd. Verweerder adviseerde hierop slechts “niet lichten, maak je niet druk, dat durf ik wel aan”. Hij deed daarbij wel telefonische toezeggingen, maar bevestigde niets per e-mail, aldus klaagster. De door verweerder overgelegde telefoonnotitie van een gesprek in november 2021 is klaagster niet bekend. Bovendien gaat het klaagster niet om de advisering in november 2021, maar om de advisering rondom de jaarwisseling. Klaagster wilde graag in het gehuurde blijven en heeft op basis van het advies van verweerder in december 2021 (“als jij wilt blijven zitten, durf ik het wel aan”) er voor gekozen om de “break-optie” niet in te roepen. Dit advies was onjuist. Klaagster handhaaft verder haar standpunt dat verweerder met betrekking tot de ontruiming in te stellige bewoordingen heeft aangegeven dat de geplande ontruiming slechts moest worden gezien als “bluf” van de wederpartij. Volgens klaagster zou zij, als zij niet ondanks dit advies toch tijdig had ontruimd, al haar bezittingen in het gehuurde zijn kwijtgeraakt. 

6.3     Met betrekking tot de diverse concepten van de conclusie van antwoord heeft klaagster in hoger beroep aangevoerd dat het niet gaat om het sturen van verschillende conceptversies van stukken, hetgeen gebruikelijk is, maar om het feit dat zij meerdere keren op eigen initiatief fouten in de conceptstukken heeft moeten herstellen. Klaagster betwijfelt daarom of de kantoorgenoot van verweerder wel over voldoende technische- en inhoudelijke kennis beschikte van de daadwerkelijke situatie omtrent het huurgeschil. Klaagster heeft dit ook aan verweerder voorgelegd, maar hij deed er niets mee. 

6.4    Met betrekking tot de comparitie van partijen, handhaaft klaagster haar standpunt dat uit het oordeel van de kantonrechter volgt dat verweerder zijn ontvankelijkheidsverweer al voor de mondelinge behandeling had moeten indienen. Volgens klaagster had verweerder zich onvoldoende in de zaak verdiept en kwam hij daardoor pas bij de mondelinge behandeling met dit argument. 

Klachtonderdeel b) 6.5    Klaagster heeft in haar repliek aangevoerd dat zij geen opdracht heeft gegeven om een inhoudelijke appeldagvaarding te betekenen. Er is slechts besproken een pro-forma appeldagvaarding op te stellen en de inhoudelijke zaak pas later te voeren, aldus klaagster.

6.6     Klaagster heeft verder aangevoerd dat het haar niet duidelijk is hoe het in hoger beroep is gegaan met betrekking tot het doorhalen van de zaak. Het hof begrijpt dat klaagster verweerder verwijt dat hij haar onvoldoende heeft geïnformeerd over de (reden van) doorhaling van de zaak in hoger beroep en de reden van het opschorten van zijn werkzaamheden.  

6.7    Met betrekking tot de declaraties en urenverantwoording van verweerder handhaaft klaagster haar betwisting van de declaraties, maar geeft daarbij aan dat het haar met name gaat om de kwaliteit van de dienstverlening door verweerder en dat verweerder werkzaamheden heeft gefactureerd waarvoor geen opdracht is gegeven. 

Verweer verweerder

6.8    Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd in beroep. Waar dat relevant is, bespreekt het hof dit bij de beoordeling van het beroep.

 

7    BEOORDELING HOF

Maatstaf

7.1    De tuchtrechter dient bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in artikel 10a Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen wel van belang zijn, gezien ook het open karakter van de behoorlijkheidsnorm in artikel 46 Advocatenwet. Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld.   7.2    Bij de beantwoording van de vraag of een advocaat zich betamelijk heeft gedragen als bedoeld in artikel 46 van de Advocatenwet hanteert het hof als uitgangspunt dat de tuchtrechter mede tot taak heeft de kwaliteit van de dienstverlening te beoordelen als daarover wordt geklaagd. Bij deze beoordeling geldt dat de tuchtrechter rekening houdt met de vrijheid die de advocaat heeft met betrekking tot de wijze waarop hij een zaak behandelt en met keuzes waar de advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door de eisen die aan de advocaat als opdrachtnemer in de uitvoering van die opdracht mogen worden gesteld en die met zich brengen dat zijn werk dient te voldoen aan datgene wat binnen de beroepsgroep als professionele standaard geldt. Het hof toetst of verweerder heeft gehandeld met de zorgvuldigheid die van een redelijke bekwame en redelijk handelende advocaat in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht. Deze toets geldt omdat er binnen de beroepsgroep wat betreft de vaktechnische kwaliteit geen sprake is van breed gedragen, schriftelijk vastgelegde professionele standaarden.

Overwegingen hof Klachtonderdeel a)

7.3    De raad heeft klachtonderdeel a) onderverdeeld in de volgende vier subonderdelen: onjuiste advisering en kwalificatie huurgeschil, diverse concepten van de conclusie van antwoord, comparitie van partijen bij de kantonrechter en vonnis van de kantonrechter. Het hof constateert dat klaagster geen beroepsgronden heeft gericht tegen het oordeel van de raad over het klachtonderdeel dat betrekking heeft op het vonnis van de kantonrechter. Dit subonderdeel van de klacht is in hoger beroep dan ook niet langer aan de orde. Het hof zal hierna – voor zover het dat relevant acht - ingaan op de overige subonderdelen.  

- Klachtonderdeel a) (onjuiste advisering en kwalificatie huurgeschil)

7.4     Het hof begrijpt evenals de raad dat klaagster verweerder met name verwijt dat hij – hoewel hij daar door klaagster herhaaldelijk om is verzocht - in december 2021 niet explicieter heeft geadviseerd over het al dan niet lichten van de break-optie. Klaagster heeft ter zitting bij het hof haar verwijt nog nader toegelicht. Volgens klaagster wenste zij eind december 2021 te overleggen met verweerder over het al dan niet lichten van de break-optie op uiterlijk 31 december 2021. Verweerder bleek eerst niet bereikbaar en pas na langdurig aandringen door klaagster werd deze belangrijke juridische optie met een enkel telefoontje afgedaan, aldus klaagster.  Volgens klaagster heeft verweerder daarbij door aan te geven dat: “als jij wilt blijven zitten, durf ik het wel aan”, bij klaagster de indruk gewekt dat hij de break-optie niet behoefde in te roepen. Verweerder heeft hiertegenover zijn verweer gehandhaafd dat klaagster in november 2021 al had besloten de break-optie niet te lichten. Hij verwijst ter onderbouwing naar een interne notitie van een telefoongesprek met klaagster van 16 november 2021. Ter zitting bij het hof heeft verweerder zijn standpunt gehandhaafd dat hij wel degelijk op meerdere momenten tegen klaagster heeft gezegd dat zij de break-optie moest gebruiken en dat hij dit ook nog in december 2021 heeft gedaan. Verweerder heeft daarbij aangegeven dat het beter zou zijn geweest om het telefoongesprek van 16 november 2021 ook aan klaagster te bevestigen en dat het inmiddels kantoorbeleid is om alles (schriftelijk) vast te leggen. 

7.5     Naar het oordeel van het hof volgt uit de telefoonnotitie van 16 november 2021 dat klaagster in een telefoongesprek met verweerder heeft aangegeven liever in het pand te willen blijven zitten en dat het haar voorkeur had om aan de verhuurder (in het kader van een regeling) voor te stellen dat de break-optie vervalt waartegenover klaagster een huurkorting zou ontvangen. Het hof heeft geen aanleiding om aan de juistheid van deze telefoonnotitie te twijfelen. Bovendien heeft klaagster ook niet betwist dat in november 2021 in het kader van een aanbod richting de verhuurder over de break-optie is gesproken. Partijen zijn het er weliswaar over eens dat in december 2021 tussen hen wederom kort over de break-optie is gesproken, maar zijn het niet eens over de inhoud van dit gesprek. Naar het oordeel van het hof is niet gebleken dat verweerder op dat moment anders heeft geadviseerd dan op 16 november 2021. Het hof is met de raad van oordeel dat op dit punt niet van een onjuiste advisering door klaagster is gebleken. Het hof sluit aan bij het oordeel van de raad dat de uiteindelijke beslissing om de break-optie wel of niet in te roepen niet aan verweerder, maar aan klaagster was. 

- Klachtonderdeel a) (diverse concepten van de conclusie van antwoord en comparitie van partijen bij de kantonrechter)   7.6     Met betrekking tot de diverse concepten van de conclusie van antwoord en de comparitie van partijen bij de kantonrechter ziet het hof op basis van de beroepsgronden van klaagster, die louter een herhaling van eerder door klaagster ingenomen standpunten inhouden, en het onderzoek in hoger beroep geen aanleiding om tot een andere beoordeling van de klacht te komen dan de raad. Het hof sluit zich aan bij de beslissing van de raad en neemt die over. 

Klachtonderdeel b)

7.7     Klachtonderdeel b) valt uiteen in de volgende drie punten: dagvaarding in hoger beroep, doorhaal van de zaak in hoger beroep en declaraties en urenverantwoording van verweerder. 

- Klachtonderdeel b) (dagvaarding in hoger beroep) 

7.8      Het hof constateert dat klaagster met betrekking tot het instellen van hoger beroep tegen het vonnis van de kantonrechter wisselende standpunten inneemt. In haar spreekaantekeningen (onder punt 7) heeft zij opgenomen dat zij géén opdracht heeft gegeven om in hoger beroep te gaan tegen het vonnis van de kantonrechter en evenmin om alvast een appeldagvaarding te gaan concipiëren. Desgevraagd heeft zij echter ter zitting erkend dat het de bedoeling was om met een simpele dagvaarding de hoger beroepstermijn veilig te stellen. Klaagster heeft daarmee erkend dat zij aan verweerder de opdracht heeft gegeven om een proforma dagvaarding op te stellen, zodat dit vast staat. Verweerder heeft ter zitting bij het hof nader verklaard dat er geen inhoudelijke dagvaarding is opgemaakt. Wel is met klaagster besproken om een provisionele vordering in te stellen, om de uitvoerbaarheid bij voorraad tegen te gaan. Dat dit is afgesproken kan ook worden afgeleid uit de door verweerder in het geding gebrachte correspondentie van 12 april 2022, 13 april 2022 en 22 april 2022. Het hof is daarom met de raad van oordeel dat op dit punt niet is gebleken van klachtwaardig handelen van verweerder. 

- Klachtonderdeel b (doorhaal van de zaak in hoger beroep en declaraties en urenverantwoording van verweerder)   7.9         Met betrekking tot het doorhalen van de zaak in hoger beroep en de declaraties en urenverantwoording van verweerder ziet het hof op basis van de beroepsgronden van klaagster, die louter een herhaling van eerder door klaagster ingenomen standpunten inhouden, en het onderzoek in hoger beroep evenmin aanleiding om tot een andere beoordeling van de klacht te komen dan de raad. Het hof sluit zich ook hier aan bij de beslissing van de raad en neemt die over. 

Slotsom

7.10      De conclusie is dat het hof, evenals de raad, de klacht van klaagster in beide klachtonderdelen ongegrond acht. Het beroep van klaagster slaagt dan ook niet. De beslissing van de raad zal worden bekrachtigd. 

8    BESLISSING

Het Hof van Discipline:

8.1    bekrachtigt de beslissing van 23 december 2024 van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden, gewezen onder nummer 24-596/AL/MN. 

Deze beslissing is genomen door mr. C.H. van Breevoort-de Bruin, voorzitter, mrs. M.F. Baaij en J.A. Huijgen, leden, in tegenwoordigheid van mr. E. Baan, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 9 januari 2026.

griffier    voorzitter             

De beslissing is verzonden op 9 januari 2026.