Rechtspraak
Uitspraakdatum
09-01-2026
ECLI
ECLI:NL:TADRARL:2026:7
Zaaknummer
25-694/AL/NN
Inhoudsindicatie
Voorzittersbeslissing. De voorzitter verklaart een klacht over de eigen advocaat deels niet-ontvankelijk en deels kennelijk ongegrond.
Uitspraak
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden van 9 januari 2026 in de zaak 25-694/AL/NN naar aanleiding van de klacht van:
klager
over
verweerder
De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief met bijlagen volgens de inventarislijst van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Noord-Nederland (hierna: de deken) van 9 oktober 2025 met kenmerk 2025KNN038/2488845. Ook heeft de voorzitter kennisgenomen van de e-mail van klager met bijlage van 19 oktober 2025.
1 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.
1.1 Verweerder heeft klager in hoger beroep bijgestaan in een geschil met de Belastingdienst. In deze zaak heeft op 13 mei 2016 een mondelinge behandeling plaatsgevonden.
1.2 Op 10 juni 2016 heeft het gerechtshof Den Haag een uitspraak gedaan. Hierin is vermeld dat partijen ter beslechting van de geschilpunten bij wijze van compromis overeenstemming hebben bereikt en dat het hof partijen hierin heeft gevolgd.
1.3 Op 17 april 2025 heeft klager bij de deken een klacht ingediend over verweerder.
2 KLACHT
2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door niet in te gaan tegen de weigering van het hof om op de zitting van 13 mei 2016 de pleitnota in ontvangst te nemen. Daarnaast heeft verweerder bij zijn verweer in de onderhavige tuchtklacht ten onrechte verklaard dat klager had ingestemd met het compromis.
3 VERWEER
3.1 Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
4 BEOORDELING
Maatstaf
4.1 Een advocaat moet zich onthouden van handelingen waardoor het vertrouwen in de advocatuur als zodanig wordt geschaad, en zich te allen tijde dient te onthouden van een handelen of nalaten dat een behoorlijk advocaat niet betaamt. Dergelijk handelen is immers in strijd met de in artikel 46 van de Advocatenwet omschreven normen. Uitgangspunt is dat een advocaat moet handelen met de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend beroepsbeoefenaar mag worden verwacht.
Klachtonderdeel over handelen op de zitting
4.2 Een klacht over een advocaat moet worden ingediend binnen drie jaar nadat de klager op de hoogte was of redelijkerwijs kon zijn van de feiten waarover wordt geklaagd (artikel 46g lid 1 onder a Advocatenwet). Als deze driejaarstermijn is verlopen zonder dat klager een klacht heeft ingediend, vervalt in principe het recht om te klagen. Dit is anders als klager pas na de driejaarstermijn over informatie beschikt (en ook daar niet eerder over kon beschikken), die gaat over de gevolgen van het handelen of nalaten waar de klacht over gaat. In dat geval vervalt het recht om te klagen één jaar nadat klager van de informatie kennis heeft genomen (artikel 46g lid 2 Advocatenwet).
4.3 Klager klaagt over het handelen of nalaten van verweerder op de zitting van 13 mei 2016. Klager was ook op de zitting aanwezig en hij wist dus op datzelfde moment van dit handelen of nalaten van verweerder. Op 13 mei 2016 is dan ook de bovengenoemde termijn van drie jaren gaan lopen. Klager heeft zijn klacht echter pas op 17 april 2025, en daarmee ruim buiten deze termijn, ingediend. Klager heeft niets aangevoerd op grond waarvan deze termijnoverschrijding verschoonbaar zou zijn. Een dringende grond voor deze termijnoverschrijding is ook overigens niet gebleken. Op grond van het voorgaande zal de voorzitter de klacht, met toepassing van artikel 46g Advocatenwet, niet-ontvankelijk verklaren. Aan een inhoudelijke beoordeling van de klacht komt de voorzitter daarom niet toe.
Klachtonderdeel over het verweer in deze klachtzaak
4.4 Klager verwijt verweerder ook dat hij in zijn verweer op de hierboven genoemde klacht ten onrechte zou hebben geschreven dat klager met het compromis had ingestemd. De voorzitter overweegt hierover dat het een advocaat vrijstaat om zijn standpunt over een klacht kenbaar te maken en zich daartegen te verdedigen op een wijze die hem goeddunkt. Deze vrijheid is niet onbeperkt. De grenzen van de betamelijkheid mogen niet worden overschreden. Omdat de voorzitter niet kan vaststellen of de door verweerder ingenomen stelling onjuist is, is van het overschrijden van de grenzen van de betamelijkheid niet gebleken. Dit klachtonderdeel is daarom kennelijk ongegrond.
BESLISSING
De voorzitter verklaart:
- de klacht over het handelen op de zitting van 13 mei 2016, met toepassing van artikel 46g, lid 1 onder a Advocatenwet, niet-ontvankelijk;
- de klacht over het verweer in deze klachtzaak, met toepassing van artikel 46jAdvocatenwet, kennelijk ongegrond.
Aldus beslist door mr. G.F. van den Berg, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. W.B. Kok als griffier en uitgesproken in het openbaar op 9 januari 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op : 9 januari 2026
