Rechtspraak
Uitspraakdatum
05-01-2026
ECLI
ECLI:NL:TAHVD:2026:3
Zaaknummer
250444
Inhoudsindicatie
Beklag artikel 13 Advocatenwet ongegrond. Met de deken is het hof van oordeel dat uit het cassatieadvies – dat voldoet aan de daaraan te stellen (zorgvuldigheids)eisen – volgt dat een cassatieprocedure geen redelijke kans van slagen heeft. Op deze grond mocht de deken het aanwijzingsverzoek van klager afwijzen (ECLI:NL:TAHVD:2018:44). Artikel 13 Advocatenwet is niet bedoeld voor de situatie dat klager reeds beschikt over een (negatief) cassatieadvies. Een aanwijzingsverzoek op grond van artikel 13 Advocatenwet leidt er ook niet automatisch toe dat een aangewezen advocaat zijn werkzaamheden verricht op basis van een toevoeging, zoals klager lijkt te veronderstellen. Als klager dat wil, kan hij op eigen kosten een advocaat zoeken die een second opinion wil geven.
Uitspraak
Beslissing van 5 januari 2026 in de zaak 250444 naar aanleiding van het beklag op grond van artikel 13 Advocatenwet van:
klager
tegen:
de deken
1 DE PROCEDURE
Bij de deken
1.1 Klager heeft bij de deken een verzoek ingediend tot aanwijzing van een advocaat als bedoeld in artikel 13 lid 1 Advocatenwet op basis van gefinancierde rechtsbijstand (toevoeging).
1.2 De deken heeft dit verzoek afgewezen met de beslissing van 5 december 2025. De deken heeft aan de afwijzende beslissing ten grondslag gelegd dat uit het aan klager verstrekte cassatieadvies volgt dat het instellen van cassatie geen redelijke kans van slagen heeft. Een aanwijzing op basis van een toevoeging zou verder ook niet mogelijk zijn omdat klager reeds is gebleken dat de Raad voor Rechtsbijstand voor een second opinion geen toevoeging afgeeft.
Bij het hof
1.3 Klager heeft op 15 december 2025 een beklag tegen de beslissing van de deken ingediend bij het Hof van Discipline (hierna: het hof).
1.4 Verder bevat het dossier: - het verweer van de deken
1.5 Het hof heeft het verzoek in raadkamer behandeld op basis van de stukken uit het dossier.
2 FEITEN
Het hof stelt de volgende feiten vast.
2.1 Klager heeft op 20 november 2025 de deken verzocht om het aanwijzen van een advocaat die op basis van gefinancierde rechtsbijstand een cassatieadvies kan geven. Op 30 november 2025 heeft klager aangevuld dat zijn verzoek een second opinion betreft. Klager voert ter onderbouwing van zijn verzoek aan dat het op 20 november 2025 door mr. Van S. gegeven negatieve cassatieadvies zwak en wankel onderbouwd is.
2.2 De deken heeft op dit verzoek op 5 december 2025 een afwijzende beslissing gegeven omdat 1) uit het op 20 november 2025 door mr. Van S. verstrekte cassatieadvies volgt dat het instellen van een cassatieprocedure geen redelijke kans van slagen heeft, welk advies naar de mening van de deken voldoet aan de daaraan te stellen (zorgvuldigheids)eisen, en 2) de Raad voor Rechtsbijstand geen toevoegingen verstrekt voor een tweede cassatieadvies (second opinion).
2.3 Klager verzoekt de deken op 5 december 2025 om diens afwijzingsbeslissing te heroverwegen. De deken heeft op 9 december 2025 schriftelijk aan klager laten weten dat zij daartoe geen aanleiding ziet en wijst klager nogmaals op het kunnen instellen van beklag bij het hof tegen de beschikking van 5 december 2025.
3 BEKLAG EN VERWEER
Gronden van het beklag
3.1 Klager stelt dat artikel 13 Advocatenwet onjuist is toegepast. De deken heeft het verzoek ten onrechte afgewezen omdat de deken niet bevoegd is om een inhoudelijke beoordeling te geven van de cassatiekansen. Ook heeft de deken zijn heroverwegingsverzoek onzorgvuldig en ontoereikend behandeld waardoor de toegang tot de Hoge Raad feitelijk onmogelijk wordt gemaakt gelet op de aflopende cassatietermijn. Verweer
3.2 De deken heeft herhaald dat uit het cassatieadvies van mr. Van S. volgt dat een cassatieprocedure geen redelijke kans van slagen heeft en het cassatieadvies voldoet aan de daaraan te stellen (zorg)vuldigheidseisen. Dit is volgens de deken een gegronde reden voor afwijzing van een aanwijzingsverzoek (artikel 13 lid 2 Advocatenwet).
4 BEOORDELING
Toetsingskader
4.1 Op grond van artikel 13 Advocatenwet kan een rechtzoekende die niet (tijdig) een advocaat bereid vindt hem bij te staan in een zaak waarin vertegenwoordiging door een advocaat is voorgeschreven of bijstand uitsluitend door een advocaat kan geschieden, zich wenden tot de deken met het verzoek een advocaat aan te wijzen. De deken kan een verzoek op grond van dit artikel alleen wegens gegronde redenen afwijzen. Een dergelijke reden kan onder meer bestaan indien de door klager gewenste procedure geen verplichte procesvertegenwoordiging kent of indien de procedure geen redelijke kans van slagen heeft.
4.2 Het hof stelt vast dat mr. Van S., naar het hof begrijpt een door klager ingeschakelde cassatieadvocaat, op 20 november 2025 aan klager een negatief cassatieadvies heeft verstrekt. Klager heeft bij de deken alsook het hof geen feitelijke of juridische aanknopingspunten aangevoerd waaruit zou kunnen worden afgeleid dat het door de eigen advocaat van klager gegeven procesadvies onjuist zou zijn. De aanvulling door klager in zijn e-mail van 5 december 2025 aan de deken maakt dit niet anders.
4.3 Met de deken is het hof van oordeel dat uit dit cassatieadvies – dat voldoet aan de daaraan te stellen (zorgvuldigheids)eisen – volgt dat een cassatieprocedure geen redelijke kans van slagen heeft. Op deze grond mocht de deken het aanwijzingsverzoek van klager afwijzen (ECLI:NL:TAHVD:2018:44). Artikel 13 Advocatenwet is niet bedoeld voor de situatie dat klager reeds beschikt over een (negatief) cassatieadvies.
4.4 Het hof voegt daar nog aan toe dat een aanwijzingsverzoek op grond van artikel 13 Advocatenwet er ook niet automatisch toe leidt dat een aangewezen advocaat zijn werkzaamheden verricht op basis van een toevoeging, zoals klager lijkt te veronderstellen. Of een toevoeging wordt afgegeven wordt bepaald door de Raad voor Rechtsbijstand (en niet de deken) en hangt af van de financiële situatie van de aanvrager. Als klager dat wil, kan hij op eigen kosten een advocaat zoeken die een second opinion wil geven.
4.5 De slotsom is dat de deken gegronde redenen had om het aanwijzingsverzoek af te wijzen alsook om af te zien van een heroverweging van dat besluit. Die weigering – aan klager gecommuniceerd op 9 december 2025 – is geen beschikking in de zin van artikel 13 Advocatenwet zodat daartegen geen beklag of ander rechtsmiddel kan worden ingesteld bij het hof.
5 BESLISSING
Het Hof van Discipline:
verklaart het beklag van klager tegen de beslissing van 5 december 2025 van de Deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag ongegrond.
Deze beslissing is genomen door mr. J.D. Streefkerk, plaatsvervangend voorzitter, mrs. B.J.R. van Tongeren en H.H. Tan, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.P.D. van Grondelle, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 5 januari 2026.
griffier voorzitter
De beslissing is verzonden op 5 januari 2026.
