Rechtspraak
Uitspraakdatum
05-01-2026
ECLI
ECLI:NL:TADRSHE:2026:1
Zaaknummer
25-589/DB/OB
Inhoudsindicatie
Raadsbeslissing. Klacht over de advocaat van de wederpartij. Verweerder heeft tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld door in de e-mailberichten van 16 februari en 29 maart 2025 aan klaagsters advocaat mede te delen dat, als klaagsters advocaat niet binnen één dag zou reageren, verweerder rechtstreeks contact zou opnemen met klaagster. Vast staat dat verweerder klaagster tweemaal rechtstreeks heeft aangeschreven, terwijl hij wist dat klaagster werd bijgestaan door een advocaat. Verweerder had kunnen volstaan met verzending van een e-mail aan mr. VdW. Naar het oordeel van de raad valt, bij gebreke van een nadere onderbouwing, die niet is gegeven, namelijk niet in te zien dat het beoogde rechtsgevolg niet zou kunnen worden bereikt door de e-mail alleen aan mr. VdW te zenden. Aan de in gedragsregel 25 lid 2 genoemde voorwaarden is kortom niet voldaan, zodat het verweerder niet vrijstond om klaagster rechtstreeks aan te schrijven. Door dit wel te doen heeft verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld. Gegrond. Berisping.
Uitspraak
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort ‘s-Hertogenbosch van 5 januari 2026
in de zaak 25-589/DB/OB
naar aanleiding van de klacht van:
klaagster
over:
verweerder
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 19 februari 2025 heeft klaagster tegen verweerder een klacht ingediend bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Oost-Brabant (hierna: “de deken”).
1.2 Op 29 augustus 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 48|25|026K van de deken ontvangen.
1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 17 november 2025. Verschenen zijn klaagster en verweerder.
1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de volgende nagekomen stukken: - de e-mail met bijlagen van verweerder van 8 september 2025.
2 FEITEN
2.1 Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.2 Tussen klaagster en haar ex-partner de heer E, hierna: “de man”, is een gerechtelijke procedure aanhangig (geweest) betreffende de verdeling van de waarde van de voormalige gezamenlijke woning na verbreking van de relatie. Klaagster is in deze procedure bijgestaan door mr. VdW. De man is bijgestaan door verweerder.
2.3 In een beschikking van 10 februari 2025 heeft de rechtbank – onder meer- het volgende bepaald:
“(6.1) gelast de wijze van verdeling van de woning, staande en gelegen te […] als volgt: - De man noemt binnen één week na de datum van deze beschikking drie erkende taxateurs aan de vrouw, van wie de vrouw er binnen één week daarna één uitkiest die belast wordt met de taxatie van de woning. Indien de man niet binnen de termijn van één week drie makelaars voorstelt, is de vrouw gerechtigd zelf een makelaar te kiezen. Indien omgekeerd de vrouw niet binnen één week uit de drie makelaars een keuze maakt, is de man gerechtigd om zelf een van de drie makelaars uit te kiezen; - (…)” 2.4 Op zaterdag 15 februari 2025 heeft de man aan klaagster drie taxateurs voorgesteld. De man heeft dit voorstel per e-mail aan klaagster verzonden en tevens bij haar in de brievenbus gedaan.
2.5 Op zondag 16 februari 2025 heeft verweerder het bericht van de man van 15 februari 2025 doorgestuurd aan mr. VdW, met het verzoek dit door te sturen aan klaagster en hem te laten weten voor welke makelaar klaagster kiest. Verweerder heeft voorts aan mr. VdW medegedeeld:
“(…) Ik vraag u mij uiterlijk maandag 17 februari a.s. te bevestigen dat uw cliënte dit bericht heeft ontvangen, bij gebreke waarvan ik haar rechtstreeks zal aanschrijven.”
2.6 Op 17 februari 2025 om 18.39 uur heeft verweerder aan klaagster een e-mail gestuurd, met mr. VdW in de cc. In deze e-mail heeft verweerder klaagster als volgt bericht:
“Bijgaand stuur ik u de volgende stukken. 1. Het bericht van [de man] aan u met het voorstel voor de keuze van een makelaar / taxateur voor de woning aan de […] te taxeren naar de actuele waarde. 2. Beschikking van de rechtbank Gelderland d.d. 10 februari 2025. Een en ander zoals bepaald in de beschikking van de rechtbank Gelderland van 10 februari 2025. U heeft een week de tijd om hier een keuze uit te maken. Voor zover nodig sommeer ik u daartoe. Daarna zal cliënt gebruik maken van de rechterlijke machtiging om zelf opdracht te geven aan een makelaar / taxateur en zal indien u daar niet aan meewerkt gebruik maken van zijn vertegenwoordigingsbevoegdheid zoals door de rechtbank is bepaald. Ik heb begrepen van cliënt dat u een brief met dit voorstel die door en ook namens hem is aangeboden, weigerde in ontvangst te nemen. Ik heb uw advocaat gisteren gevraagd te bevestigen dat een schrijven van mij, van gelijke strekking u heeft bereikt, welke bevestiging ik niet heb ontvangen. Morgen verloopt de termijn waarbinnen cliënt u het voorstel moet doen voor de keuze van een makelaar taxateur. Hij heeft dit gedaan bij e-bericht van 15-2-2025. Verder gepoogd bij brief aan u persoonlijk te bezorgen, die u weigerde in ontvangst te nemen. Ik stuur uw advocaat [mr. VdW], kopie van dit bericht. (…)
2.7 Op 17 februari 2025 om 18.52 uur heeft verweerder aan klaagster nog een e-mail gestuurd, met mr. VdW in de cc. In deze e-mail heeft verweerder klaagster als volgt bericht:
“Bijgaande stuur ik u de volgende stukken: 1. Bericht van [de man] aan u d.d. 15 februari 2025. 2. Beschikking van rechtbank Gelderland van 10 februari 2025. Ik stuur u deze stukken vanwege de gestelde termijn in de beschikking van de rechtbank Gelderland van 10 februari 2025. Deze termijn loopt morgen af. Ik stuurde uw advocaat een bericht van gelijke strekking op 16 februari 2025. Ik vroeg uw advocaat om mij te bevestigen dat dit bericht u heeft bereikt. Deze bevestiging heb ik tot nu toe niet gehad vandaar dat ik, mede ook gezien het feit dat de termijn morgen afloopt, u dit bericht rechtstreeks stuur. Met ingang van morgen heeft u een week de tijd om uw keuze voor de taxerende makelaar kenbaar te maken. Voor zover nodig sommeer ik u daartoe. Daarna zal [de man] gebruik maken van de machtiging van de rechtbank Gelderland om dit namens u te doen en ook, indien u geen opdracht geeft voor de taxatie, dit namens u te doen. Deze makelaar dient de woning aan de [….] te taxeren naar de actuele waarde, zoals door de rechtbank Gelderland is beslist. Uw advocaat, [mr. VdW], stuur ik kopie van dit bericht met op rechtsgevolg gerichte inhoud.”
2.8 Bij e-mail van 18 februari 2025 heeft mr. VdW zijn ongenoegen over verweerders berichten aan verweerder kenbaar gemaakt. Bij e-mail van eveneens 18 februari 2025 heeft verweerder aan mr. VdW zijn excuses aangeboden voor het feit dat hij klaagster rechtstreeks had benaderd.
2.9 Op 19 februari 2025 heeft klaagster tegen verweerder een klacht ingediend bij de deken.
2.10 Bij e-mail van 29 maart 2025 heeft verweerder – onder meer – het volgende aan mr. VdW medegedeeld:
“U weet dat de rechtbank in haar beslissing van 10-2 een strak tijdpad voor partijen heeft uitgezet. Mocht ik uiterlijk woensdag niks vernemen, dan neem ik contact op met de deken van de orde voor interventie en behoud ik me het recht voor uw cliënte rechtstreeks te benaderen. Gechicaneer om tijd te rekken past niet in het voorschrift van collegialiteit. U nadert de grenzen van klachtwaardig gedrag. Ik mocht ook niet vernemen wat de verhinderdata van u en uw cliënte zijn. Verneem ik die niet voor het einde van de week dan wordt er zo gedagvaard in kort geding om een volmacht voor cliënt te krijgen om zelf de beslissing van de rechtbank mbt de woning af te wikkelen. (…)”
3 KLACHT
3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt verweerder het volgende:
1. Verweerder heeft op 16 februari en 29 maart 2025 een e-mail aan klaagsters advocaat gestuurd met de mededeling dat, als klaagsters advocaat niet binnen één dag zou reageren, verweerder rechtstreeks contact zou opnemen met klaagster (gedragsregel 24); 2. Verweerder heeft klaagster herhaaldelijk rechtstreeks aangeschreven, ondanks het feit dat meermaals is aangegeven dat de communicatie uitsluitend via klaagsters advocaat dient te verlopen (gedragsregel 25).
4 VERWEER
4.1 Verweerder heeft verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
5 BEOORDELING
5.1 Toetsingskader Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is. Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie te controleren. Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij aan de wederpartij toebrengen.
5.2 Klachtonderdeel 1 Klaagster verwijt verweerder dat hij tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld door in de e-mailberichten van 16 februari en 29 maart 2025 aan mr. VdW mede te delen dat, als mr. VdW niet binnen één dag zou reageren, verweerder rechtstreeks contact zou opnemen met klaagster. Verweerder heeft naar voren gebracht dat hij niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld omdat, aldus verweerder, de positie van mr. VdW is gerespecteerd.
5.3 De raad overweegt als volgt. Nu verweerder in zijn berichten van 16 februari en 29 maart 2025 het rechtstreeks aanschrijven van klaagster aan mr. VdW – en daarmee aan klaagster - in het vooruitzicht heeft gesteld, raakt de inhoud van de berichten van 16 februari en 29 maart 2025 aan de belangen van klaagster en komt haar om die reden naar het oordeel van de raad het recht toe om daarover te klagen. Door onder dreiging van het rechtstreeks aanschrijven van klaagster te trachten mr. VdW te bewegen tot het geven van een reactie heeft verweerder ongeoorloofde druk uitgeoefend, hetgeen onbetamelijk en in strijd met gedragsregel 24 is. Klachtonderdeel 1 is dan ook gegrond.
5.4 Klachtonderdeel 2 Klaagster verwijt verweerder dat hij in strijd met gedragsregel 25 heeft gehandeld doordat hij haar herhaaldelijk rechtstreeks heeft aangeschreven, ondanks het feit dat meermaals is aangegeven dat de communicatie uitsluitend via klaagsters advocaat dient te verlopen. Verweerder heeft naar voren gebracht dat hij niet in strijd met gedragsregel 25 heeft gehandeld, omdat zijn berichten aan klaagster een aanzegging gericht op rechtsgevolg bevatten. Verweerder heeft verder naar voren gebracht dat klaagster geen schade heeft geleden omdat de e-mailberichten in cc aan mr. VdW zijn gestuurd, terwijl de berichten ook zakelijk van toon waren. De door de rechtbank gestelde termijn moest worden zeker gesteld, dus verweerders cliënt had belang bij verzending van de berichten, aldus nog steeds verweerder.
5.5 De raad overweegt als volgt. Gedragsregel 25 bepaalt dat de advocaat zich met een partij betreffende een aangelegenheid, waarin deze naar hij weet door een advocaat wordt bijgestaan, niet anders in verbinding stelt dan door tussenkomst van die advocaat, tenzij deze laatste hem toestemming geeft rechtstreeks met die partij in verbinding te treden. Deze regel geldt onverminderd wanneer de bedoelde partij zich tot de advocaat wendt (lid 1). In afwijking van het bepaalde in lid 1 mag de advocaat die een aanzegging met rechtsgevolg doet, dat rechtstreeks aan een partij doen, mits met gelijktijdige verzending van een afschrift aan diens advocaat en op voorwaarde dat de mededeling aan een partij beperkt blijft tot deze aanzegging met rechtsgevolg. Indien de advocaat het beoogde rechtsgevolg ook kan bereiken door zijn brief alleen aan de advocaat van een partij te zenden, geldt voormelde uitzondering niet (lid 2).
5.6 Vast staat dat verweerder klaagster tweemaal rechtstreeks heeft aangeschreven, terwijl hij wist dat klaagster werd bijgestaan door een advocaat. De raad is van oordeel dat het verweer van verweerder moet worden gepasseerd. Zoals verweerder ook zelf heeft aangegeven, was het niet nodig om het gewenste rechtsgevolg te bewerkstelligen als de advocaat van klaagster de gevraagde ontvangstbevestiging had gestuurd. Nu deze dat niet had gedaan, was er naar het oordeel van de raad evenwel geen reden om klaagster rechtstreeks aan te schrijven. Gesteld noch gebleken is dat de leesbevestiging die verweerder heeft ontvangen, niet van een e-mail naar de advocaat van klaagster zou kunnen worden verkregen. Bovendien zijn er ook nog alternatieven om aan de gestelde ontvangsttheorie te voldoen; de raad verwijst naar het aangetekend versturen van een bericht aan de advocaat van klaagster.
5.7 Aan de in gedragsregel 25 lid 2 genoemde voorwaarden is kortom niet voldaan, zodat het verweerder niet vrijstond om klaagster rechtstreeks aan te schrijven. Door dit wel te doen heeft verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld. Klachtonderdeel 2 is derhalve eveneens gegrond.
6 MAATREGEL
6.1 Verweerder heeft tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld doordat hij klaagster in strijd met gedragsregel 25 rechtstreeks heeft benaderd en klaagsters advocaat op een onbetamelijke wijze heeft aangeschreven. Rekening houdend met de aard en ernst van de gegrond bevonden tuchtrechtelijke verwijten, die een schending van de kernwaarde integriteit opleveren, acht de raad een berisping een passende maatregel.
7 GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING
7.1 Omdat de raad de klacht gegrond verklaart, moet verweerder op grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klaagster betaalde griffierecht van € 50,- aan haar vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden. Klaagster geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing haar rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.
7.2 Nu de raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerder daarnaast op grond van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten: a) € 50,- reiskosten van klaagster; b) € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en c) € 500,- kosten van de Staat.
7.3 Verweerder moet het bedrag van € 50,- aan reiskosten binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, betalen aan Klaagster. Klaagster geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing haar rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.
7.4 Verweerder moet het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.2 onder b en c genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline" en het zaaknummer.
BESLISSING
De raad van discipline: - verklaart de klacht in beide onderdelen gegrond;
- legt aan verweerder de maatregel van berisping op;
- veroordeelt verweerder tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klaagster; op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.1;
- veroordeelt verweerder tot betaling van de reiskosten van € 50,- aan klaagster, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.3;
- veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.4.
Aldus beslist door mr. J.M.H. Schoenmakers, voorzitter, mrs. J.A.J.A. Luijten, A.J.C. Perdaems, leden, bijgestaan door mr. T.H.G. Huber-van de Langenberg als griffier, en uitgesproken op 5 januari 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 5 januari 2026
