Rechtspraak
Uitspraakdatum
02-01-2026
ECLI
ECLI:NL:TAHVD:2026:2
Zaaknummer
250128
Inhoudsindicatie
Artikel 13 beklag ongegrond. Ook als de vordering die klager wil instellen niet is verjaard, heeft deze onvoldoende kans van slagen. Bovendien kan klager daarmee niet bereiken wat hij eigenlijk wil.
Uitspraak
Beslissing van 2 januari 2026
in de zaak 250128
naar aanleiding van het beklag op grond van artikel 13 Advocatenwet van:
klager
tegen:
mr. E.A.C. van de Wiel
Deken van de Orde van Advocaten
in het arrondissement Noord-Nederland
de deken
1 DE PROCEDURE
Bij de deken
Klager heeft bij de deken een verzoek ingediend tot aanwijzing van een advocaat als bedoeld in artikel 13 lid 1 Advocatenwet. Hij wil dat zijn schade wordt vergoed na vrijspraak en dat de contacten worden hersteld die door het valse zwart maken zijn geschaad. De deken heeft dit verzoek afgewezen met de beslissing van 7 april 2025. De deken heeft aan de afwijzende beslissing ten grondslag gelegd dat de procedure die klager wenst te voeren kansloos is, alleen al omdat zijn vordering is verjaard.Bij het hof
Klager heeft op 10 april 2025 een beklag tegen de beslissing van de deken ingediend bij het Hof van Discipline (hierna: het hof).1.4 Verder bevat het dossier:
het verweer van de deken de e-mails van klager van 14 en 16 mei 2025; de e-mail van de deken van 19 mei 2025; de e-mail van klager van 19 mei 2025; de e-mail van de deken van 2 juli 2025. Het hof heeft de zaak mondeling behandeld tijdens de openbare zitting van 7 november 2025. De deken was met bericht afwezig. Klager is verschenen en heeft zijn standpunt toegelicht.
2 FEITEN
Het hof stelt de volgende feiten vast.
2.1 Klager heeft in de correspondentie met de deken over zijn aanwijzingsverzoek een parketnummer genoemd, namelijk 18-167136-17. Dat parketnummer is te herleiden naar een strafzaak, waarin klager verdachte was. De beslissing in hoger beroep van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 23 december 2020 is gepubliceerd op rechtspraak.nl onder nummer ECLI:NL:GHARL:2020:10787.
2.2 Uit het arrest van het gerechtshof valt op te maken dat klager hoger beroep heeft ingesteld van een vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 10 december 2018 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken met parketnummers 18-167136-17 en 18-151455-18. Klager is in het hoger beroep bijgestaan door mr. N.
2.3 Klager is door de politierechter vrijgesproken van het tenlastegelegde in de zaak met parketnummer 18-167136-17. Klager is niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep, voor zover dat was gericht tegen deze vrijspraak.
2.4 In het hoger beroep in de zaak met parketnummer 18-151455-18 heeft het gerechtshof, net als de politierechter, klager veroordeeld voor belaging in 2018 door de aangeefster (mevrouw Van W) veelvuldig te bellen, sms-berichten te versturen en mailberichten te versturen, terwijl zij te kennen heeft gegeven daarop geen prijs te stellen. Het gerechtshof heeft onder meer overwogen dat was gebleken dat klager ook in 2020 (na de veroordeling door de politierechter) nog berichten aan mevrouw Van W had gezonden. Aan klager is een deels voorwaardelijke taakstraf opgelegd. Aan de proeftijd van twee jaar heeft het gerechtshof de bijzondere voorwaarde van een contactverbod met mevrouw Van W gedurende de volledige proeftijd verbonden.
2.5 In april 2022 heeft klager de deken verzocht om aanwijzing van een advocaat voor het voeren van een herzieningsprocedure ex artikel 457 Wetboek van Strafvordering, omdat zijn veroordeling zou zijn gebaseerd op een valse verklaring van mevrouw Van W. De deken heeft dit verzoek afgewezen op 3 juni 2022, omdat zij geen kans van slagen aanwezig achtte voor deze procedure. Klager heeft na deze beslissing van de deken geen beklag bij het hof ingediend.
3 BEKLAG EN VERWEER
Gronden van het beklag
3.1 Klager stelt dat de deken het verzoek ten onrechte heeft afgewezen. Klager voert aan dat de deken niet gespecialiseerd is op het terrein van de betreffende zaak, die bovendien omvangrijk en complex is. Klager wil niet dat het stokt op een misverstand door verkeerde aannames. Hij vermoedt dat de deken bevooroordeeld is.
3.2 Klager wil mevrouw Van W aansprakelijk stellen voor zijn schade van € 300.000,-. De deken wil voorkomen dat de rechter van de juiste informatie wordt voorzien. In de strafzaak zijn stukken kwijtgemaakt nadat bleek dat klager gelijk had. De vrijspraak is pas in 2021 definitief geworden. Klager wordt nog steeds zwart gemaakt door mevrouw Van W en ondervindt daarvan nog steeds schade. Het speelt al tien jaar. Omdat mevrouw Van W zich verschuilt achter ghosting, is een rechter nodig om het op te lossen.
3.3 Ter zitting heeft klager nog toegelicht dat het hem om twee dingen gaat: hij heeft financiële schade geleden door de valse aangifte van mevrouw Van W in 2015 en hij wordt (nog steeds) zwart gemaakt bij en door andere mensen. Klager vindt dat mevrouw Van W erbij betrokken moet worden om die andere mensen te stoppen en het conflict op te lossen.
Verweer
3.4 De deken heeft aangevoerd dat de uitspraak van de rechtbank dateert van 2018 en dat klager het openbaar ministerie en mogelijk ook de rechter van de eerste aanleg aansprakelijk wil stellen. Een civiele aansprakelijkheid is kansloos voor zover de vervolging geleid heeft tot een veroordeling in eerste instantie en in hoger beroep. De daden van vervolging dateren van 2018 en eerder, zodat een vordering tot schadevergoeding is verjaard. Klager heeft ondanks verzoeken om een toelichting te geven niet duidelijk gemaakt welke procedure hij precies tegen wie wil voeren en waarom daar een advocaat voor nodig zou zijn. Het leek een procedure tegen de Staat te zijn en in dat geval is de gewenste vordering verjaard.
4 BEOORDELING
Toetsingskader
4.1 Op grond van artikel 13 Advocatenwet kan een rechtzoekende die niet (tijdig) een advocaat bereid vindt hem bij te staan in een zaak waarin vertegenwoordiging door een advocaat is voorgeschreven of bijstand uitsluitend door een advocaat kan geschieden, zich wenden tot de deken met het verzoek een advocaat aan te wijzen. De deken kan een verzoek op grond van dit artikel alleen wegens gegronde redenen afwijzen. Een dergelijke reden kan onder meer bestaan indien de door klager gewenste procedure geen verplichte procesvertegenwoordiging kent, of indien de procedure geen redelijke kans van slagen heeft.
Beoordeling
4.2 Het hof stelt vast dat de deken klaarblijkelijk niet goed heeft begrepen waar het aanwijzingsverzoek van klager nu eigenlijk op zag. Anders dan de deken (ook nog in haar verweer op het beklag) heeft aangenomen, gaat het klager niet om een aansprakelijkstelling van de officier van justitie of de rechter van de eerste aanleg (hoewel die personen in de visie van klager ook steken hebben laten vallen), maar om een aansprakelijkstelling van de aangeefster, mevrouw Van W, die een valse aangifte zou hebben gedaan. Waar de deken zelf ook aangeeft dat het haar niet duidelijk is geworden wat klager nu eigenlijk wilde, had het naar het oordeel van het hof voor de hand gelegen als de deken of een van haar stafmedewerkers nog eens expliciet telefonisch of mondeling bij klager had nagevraagd wie klager nu precies (waarvoor) aansprakelijk wilde stellen. Volgens klager is dat niet gebeurd.
4.3 Het voorgaande betekent evenwel niet dat het beklag van klager gegrond is. Klager baseert zijn vordering op mevrouw Van W op haar aangifte in 2015, waarmee klager in ieder geval sinds 2016 bekend is. Desgevraagd heeft klager aan het hof verklaard dat hij mevrouw Van W wel aansprakelijk heeft gesteld, maar op vragen van het hof of hij ook een brief heeft geschreven om de verjaring van zijn vordering (na vijf jaar) te stuiten (dat wil zeggen zijn recht op nakoming van zijn vordering tot schadevergoeding ondubbelzinnig voor te behouden, zie artikel 3:317 BW), is geen concreet antwoord gekomen. Het hof gaat er dan ook vanuit dat een stuiting niet heeft plaatsgevonden en een mogelijke vordering van klager op mevrouw Van W is verjaard. Voor zover al geen sprake zou zijn van verjaring, heeft de door klager gewenste procedure naar het oordeel van het hof ook onvoldoende kans van slagen, omdat klager uiteindelijk toch onherroepelijk strafrechtelijk is veroordeeld wegens belaging van mevrouw Van W. Bovendien is het hof van oordeel dat klager met een procedure tegen mevrouw Van W niet kan bereiken wat hij eigenlijk wenst, namelijk dat andere personen in zijn omgeving hem niet langer zwart maken of uitsluiten.
4.4 Op grond van het voorgaande is het beklag ongegrond.
5 BESLISSING
Het Hof van Discipline:
- verklaart het beklag van klager tegen de beslissing van 7 april 2025 van de Deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Noord-Nederland ongegrond.
Deze beslissing is genomen door mr. M.F.J.N. van Osch, voorzitter, mrs. J. Blokland en E.C. Gelok, leden, in tegenwoordigheid van mr. N.A.M. Sinjorgo, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 2 januari 2026.
griffier voorzitter
De beslissing is verzonden op 2 januari 2026.
