Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

02-01-2026

ECLI

ECLI:NL:TAHVD:2026:1

Zaaknummer

250103

Inhoudsindicatie

Klaagster overlijdt enkele dagen voor de mondelinge behandeling bij het hof. Anders dan in eerdere beslissingen (onder meer ECLI:NL:TAHVD:2016:49) ziet het hof geen aanleiding om voor de processuele gevolgen van het overlijden van klaagster aansluiting te zoeken bij art. 47a Advocatenwet. Het hof beslist op grond van wat over en weer in hoger beroep is aangevoerd. Beide partijen zijn in beroep niet-ontvankelijk: klaagster heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de raad om verweerster geen maatregel op te leggen en zij heeft daarnaast nieuwe klachten aangevoerd. Verweerster heeft in het verweerschrift (na afloop van de appeltermijn van 30 dagen) beroepsgronden gericht tegen het gegrond verklaarde klachtonderdeel.

Uitspraak

Beslissing van 2 januari 2026

in de zaak 250103

 

naar aanleiding van het hoger beroep van:

 

 

klaagster

gemachtigde: 

 

tegen:

 

verweerster

gemachtigde: mr. J.M. de Jonge

 

 

1 INLEIDING

 

 

1.1 De klacht dat verweerster in strijd heeft gehandeld met gedragsregel 25 lid 2 door niet gelijktijdig (met verzending aan de deurwaarder) een afschrift van de dagvaarding aan klaagsters advocaat te sturen, is door de Raad van Discipline in het ressort ’s-Hertogenbosch (hierna: de raad) gegrond verklaard. Voor het overige is de klacht ongegrond verklaard. Klaagster heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de raad om verweerster geen maatregel op te leggen en zij heeft in hoger beroep nieuwe klachten aangevoerd. Verweerster heeft in het verweerschrift (na afloop van de appeltermijn van 30 dagen) beroepsgronden gericht tegen het gegrond verklaarde klachtonderdeel. Enkele dagen voor de mondelinge behandeling bij het hof is klaagster overleden.

1.2 Het hof is van oordeel dat in deze zaak, anders dan in voorgaande beslissingen (zie onder meer ECLI:NL:TAHVD:2016:49) geen aanleiding bestaat om voor de processuele gevolgen van het overlijden van klaagster aansluiting te zoeken bij art. 47a Advocatenwet. Dat betekent dat het hof beslist op grond van hetgeen partijen over en weer in hoger beroep hebben aangevoerd. Het hof verklaart beide partijen niet-ontvankelijk in het door hen tegen de beslissing van de raad gerichte beroep.

1.3 Het hof komt daarom in deze zaak niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van de vraag of een advocaat de dagvaarding gelijktijdig met verzending aan de deurwaarder moet toesturen aan de advocaat van de wederpartij. Die vraag ligt al wel aan het hof voor in de zaak met de nummers 250074D en 250075, waarin het hof op 13 februari 2026 zal beslissen.

 

2 DE PROCEDUR

Bij de raad van discipline

 

2.1 De raad heeft in de zaak tussen klaagster en verweerster (zaaknummer: 24-498/DB/ZWB) een beslissing gewezen op 24 februari 2025. In deze beslissing is de klacht van klaagster gedeeltelijk gegrond en gedeeltelijk ongegrond verklaard. Aan verweerster is geen maatregel opgelegd. Verder is verweerster veroordeeld tot betaling van het griffierecht aan klaagster.

2.2 Deze beslissing is onder ECLI:NL:TADRSHE:2025:30 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.

Bij het hof van discipline

2.3 Het beroepschrift van klaagster tegen de beslissing is op 25 maart 2025 ontvangen door de griffie van het hof.

2.4 Verder bevat het dossier van het hof:

- de stukken van de raad;

- het verweerschrift van verweerster.

- de e-mail met bijlage van 28 oktober 2025 van de gemachtigde van klaagster

2.5 Het hof heeft de zaak mondeling behandeld tijdens de openbare zitting van 7 november 2025. Daar zijn de gemachtigde van klaagster en verweerster met haar gemachtigde verschenen. De gemachtigde van klaagster deelde het hof mee dat klaagster enkele dagen voor de zitting was overleden. Het hof heeft de aanwezige betrokkenen voorgesteld om, vooruitlopend op een beslissing over het gevolg van het overlijden van klaagster voor deze procedure, de zaak ter zitting wel te behandelen, waarmee zij hebben ingestemd. Vervolgens hebben zij hun standpunt nader toegelicht.

 

3 PROCESSUELE GEVOLGEN VAN HET OVERLIJDEN VAN KLAAGSTER

 

3.1 Het hof stelt voorop dat het overlijden van een klager nadat de klacht ter kennis van de raad is gebracht, niet meebrengt dat de klacht per de overlijdensdatum van rechtswege als vervallen of ingetrokken moet worden beschouwd (HvD 8 februari 2010, ECLI:NL:TAHVD:2010:YA0312, HvD 16 april 2012, ECLI:NL:TAHVD:2012:YA3371 en HvD 15 maart 2016, ECLI:NL:TAHVD:2016:49), wat ook geldt in hoger beroep, zodat in de onderhavige zaak het overlijden van klaagster (na het instellen van het hoger beroep en na de uitwisseling van standpunten, maar vóór de mondelinge behandeling bij het hof) op zichzelf niet leidt tot vernietiging van de beslissing van de raad.

3.2 In de in 3.1 genoemde uitspraken was sprake van overlijden van de klager in een eerder stadium van de procedure. Ook was het de verweerder, die in hoger beroep was gekomen van een veroordeling door de raad en had die verweerder daarom ook een onmiskenbaar belang bij beoordeling van dat hoger beroep. In de uitspraak uit 2010, waarin verweerder beroep had ingesteld, heeft het hof de vraag gesteld of, en zo ja door wie het standpunt van de overleden klager voor het hof kon worden bepleit. Het hof heeft daarvoor toen aansluiting gezocht bij de regeling van art. 47a Advocatenwet (dat ingevolge art. 57 lid 2 in hoger beroep van overeenkomstige toepassing is), omdat het algemeen belang vordert dat de beslissing van de raad voor het hof wordt verdedigd. Dat betekende in die zaak en in de beide andere in 3.1 genoemde zaken dat de klachten voor het hof verder behandeld zijn als waren deze afkomstig van de deken.

3.3 In de onderhavige procedure ligt de vraag voor of het hof aansluiting moet zoeken bij voormelde beslissingen.  Voor het onderhavige geval beantwoordt het hof die vraag ontkennend. In deze zaak is zowel in eerste aanleg als in het hoger beroep het standpunt van klaagster steeds door haar gemachtigde bepleit en die gemachtigde is (enkele dagen na het overlijden van klaagster) ook bij het hof verschenen voor de mondelinge behandeling. Dat de gemachtigde ter zitting iets anders heeft aangevoerd dan klaagster gewild zou hebben, acht het hof niet aannemelijk. Mede gelet hierop ziet het hof geen aanleiding om aansluiting te zoeken bij artikel 47a Advocatenwet en de deken (in dit stadium) nog in de zaak te betrekken. Het hof ziet ook geen reden om in deze zaak een andere beslissing te nemen dan de beslissing die het hof genomen zou hebben als klaagster nog in leven was geweest ten tijde van de mondelinge behandeling bij het hof.

3.4 Het hof zal hierna dan ook nader ingaan op het door klaagster ingestelde hoger beroep.

 

4 FEITEN

4.1 Het hof gaat uit van de navolgende feiten.

4.2 Klaagster had een geschil met haar buren. Klaagsters buren werden bijgestaan door verweerster. Klaagster werd bijgestaan door mr. G, advocaat.

4.3 Verweerster en mr. G hebben in 2022 en 2023 gecorrespondeerd en onderhandeld over een minnelijke regeling. Een regeling is niet tot stand gekomen. De laatste correspondentie dateert van 2 juni 2023.

4.4 Verweerster heeft namens haar cliënten een gerechtelijke procedure tegen klaagster aanhangig gemaakt. In dat verband is de dagvaarding aan klaagster betekend op 21 december 2023.

 

5 KLACHT

5.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet doordat zij klaagster enkele dagen voor kerst heeft doen dagvaarden, zonder gelijktijdig haar advocaat te informeren.

 

6 BEOORDELING RAAD

6.1 De raad heeft overwogen dat gedragsregel 25 lid 2 ook geldt voor dagvaardingen en dat dit betekent dat verweerster een afschrift van de dagvaarding aan de advocaat van klaagster had moeten sturen. Dat de betekening van een dagvaarding door de deurwaarder met waarborgen is omkleed, doet daaraan niet af. De ratio van deze gedragsregel is dat de advocaat van de wederpartij van de ontwikkelingen in een zaak op de hoogte is. Zo wordt voorkomen dat de advocaat van de wederpartij een partij bij een geschil overrompelt zonder bijstand van zijn eigen advocaat. Bovendien is het niet ongebruikelijk dat een dagvaarding niet aan de beoogde partij ter hand wordt gesteld, maar door de deurwaarder in de brievenbus wordt achtergelaten. Ook die praktijk onderstreept het belang dat de advocaat van de eisende partij de advocaat van de gedaagde partij informeert over het uitbrengen van de dagvaarding door het toesturen daarvan aan die advocaat.

6.2 Dat de dagvaarding op 21 december 2023, enkele dagen voor kerst, aan klaagster is betekend, acht de raad niet tuchtrechtelijk verwijtbaar, omdat niet is gebleken dat klaagsters belangen daardoor nodeloos zijn geschaad.

6.3 De raad heeft verweerster geen maatregel opgelegd, gelet op de aard en ernst van het gegrond bevonden tuchtrechtelijke verwijt, het feit dat verweerster ter zitting van de raad heeft aangegeven dat zij in retrospectief er beter aan had gedaan om klaagsters advocaat gelijktijdig te informeren en het feit dat verweerster niet eerder tuchtrechtelijk werd veroordeeld.

 

7 ONTVANKELIJKHEID HOGER BEROEP

Beroepsgronden klaagster

7.1 Klaagster heeft aangevoerd dat de raad ten onrechte geen maatregel aan verweerster heeft opgelegd. Deze beroepsgrond richt zich tegen de beslissing van de raad met betrekking tot het gegrond verklaarde onderdeel van de klacht. Op grond van artikel 56, eerste lid, Advocatenwet staat tegen gegrond verklaarde klachtonderdelen geen beroep open. Dit geldt ook in het geval, zoals hier, dat geen maatregel is opgelegd voor het gegrond verklaarde klachtonderdeel. Of een maatregel moet worden opgelegd voor het gegrond verklaarde klachtonderdeel staat ter vrije beoordeling van de tuchtrechter. Klaagster is daarom niet-ontvankelijk in haar hoger beroep voor zover dat het niet opleggen van een maatregel betreft.

7.2 Klaagster heeft daarnaast aangevoerd dat verweerster zich ter zitting van de raad ongeoorloofd en intimiderend heeft gedragen. Klaagster heeft verder verwezen naar recente gebeurtenissen in de onderliggende kwestie, waaruit zij concludeert dat het verwijtbaar handelen van verweerster geen incident is, maar een patroon. Klaagster heeft hiermee nieuwe verwijten tegen verweerster geformuleerd, die geen onderdeel zijn geweest van de door klaagster bij de deken ingediende en door de raad beoordeelde klacht. Het hof kan echter slechts oordelen over klachten die eerst zijn onderzocht door de deken en waarover de raad vervolgens heeft geoordeeld (vgl. art. 46c lid 1 en 3 Advocatenwet). In hoger beroep worden dus geen nieuwe klachten in behandeling genomen.Het hof laat deze dan ook buiten beschouwing.

7.3 Klaagster heeft geen andere beroepsgronden tegen de beslissing van de raad aangevoerd. Op grond van het voorgaande is klaagster niet-ontvankelijk in het door haar ingestelde hoger beroep.

Verweer en incidenteel appel/beroepsgronden verweerster

7.4 Verweerster heeft op haar beurt in haar verweerschrift ook beroepsgronden geformuleerd, kennelijk bedoeld als incidenteel hoger beroep. Beroepsgronden moeten echter in alle gevallen binnen 30 dagen na verzending van de beslissing door de raad zijn ontvangen (art. 56 Advocatenwet). De wet laat geen ruimte voor uitstel of afwijking van deze regel. Verweerster is daarom niet-ontvankelijk in haar beroep.

 

8 BESLISSING

Het Hof van Discipline:

verklaart klaagster niet-ontvankelijk in het door haar ingestelde hoger beroep; verklaart verweerster niet-ontvankelijk in de door haar ingestelde hoger beroep.

 

 

Deze beslissing is genomen door mr. M.F.J.N. van Osch, voorzitter, mrs. J. Blokland en E.C. Gelok, leden, in tegenwoordigheid van mr. N.A.M. Sinjorgo, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 2 januari 2026.

 

griffier                                                                                                              voorzitter             

De beslissing is verzonden op 2 januari 2026 .