Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

01-12-2025

ECLI

ECLI:NL:TADRARL:2025:284

Zaaknummer

25-075/AL/OV

Inhoudsindicatie

Verzetbeslissing. Er is door de voorzitter in de voorzittersbeslissing niet op alle klachtonderdelen beslist. Verzet gegrond.

Uitspraak

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden

van 1 december 2025

in de zaak 25-075/AL/OV

naar aanleiding van het verzet tegen de beslissing van de plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline van 24 maart 2025 op de klacht van:

 

klager

 

over

 

verweerder

 

1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE

1.1 Op 17 april 2024 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Overijssel (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.

1.2 Op 3 februari 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 2338888197 van de deken ontvangen.

1.3 Bij beslissing van 24 maart 2025 heeft de plaatsvervangend voorzitter van de raad (hierna ook: de voorzitter) de klacht kennelijk ongegrond verklaard. Op 27 maart 2025 heeft klager verzet ingesteld tegen de beslissing van de voorzitter.

1.4 Het verzet is behandeld op de zitting van de raad van 3 oktober 2025 . Daarbij was  verweerder aanwezig. Klager heeft voordien de raad verzocht de mondelinge behandeling van het verzet aan te houden, maar dat verzoek is niet gehonoreerd. Klager heeft op de dag van de mondelinge behandeling aan de raad nog spreekaantekeningen met bijlagen toegezonden. Die stukken heeft de raad niet in behandeling genomen, omdat deze niet voldoen aan de eisen zoals gesteld in het procesreglement (meer dan 2 pagina's).

1.5 De raad heeft kennisgenomen van de beslissing van de voorzitter waartegen het verzet is gericht, van de stukken waarop de voorzittersbeslissing is gebaseerd en van het verzetschrift .

 

2 DE KLACHT

2.1 In de brief van 3 februari 2025 bij het klachtdossier (de aanbiedingsbrief) is de klacht van klager als volgt verwoord:

‘ Klager verwijt verweerster ( raad: lees ‘verweerder’) enig handelen of nalaten dat een behoorlijk advocaat niet betaamt. In het bijzonder wordt hem verweten dat hij heeft geprobeerd een getuige te beïnvloeden door het schrijven en laten betekenen van een brief d.d. 1 maart 2024 en daarin aan te geven dat op laster een gevangenisstraf van 2 jaar staat.

Dit alles als omschreven in de berichten van klager .’

2.2 In de beslissing van de voorzitter is de klacht als volgt omschreven:

‘ De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door:  te proberen een getuige te beïnvloeden door het schrijven en laten betekenen van een brief van 1 maart 2024 en daarin aan te geven dat op laster een maximale gevangenisstraf van twee jaar staat .’

 

3 VERZET

De gronden van het verzet houden, zakelijk weergegeven, het volgende in:

 

I) de feitenvaststelling is onvolledig;

II) er zijn stukken genegeerd;

III) er is sprake van een onvolledige en juridisch gebrekkige beoordeling;

IV) er is sprake van belangenverstrengeling en procedurele onzorgvuldigheid;

V) er is sprake van een onbegrijpelijke of gebrekkige motivering;

VI) er is nieuwe informatie beschikbaar.

 

4 BEOORDELING

4.1 Voordat de raad de klacht inhoudelijk kan beoordelen moet sprake zijn van een gegrond verzet. Een verzet is alleen gegrond als in redelijkheid moet worden betwijfeld of de beslissing van de voorzitter juist is. Twijfel kan bijvoorbeeld bestaan als de voorzitter een verkeerde maatstaf (toetsingsnorm) heeft toegepast of de beslissing heeft gebaseerd op onjuiste of onvolledige feiten.

4.2 De raad is van oordeel dat de voorzitter de zaak heeft beoordeeld vanuit een te beperkte klachtomschrijving in de voorzittersbeslissing, terwijl de klacht in de aanbiedingsbrief ruimer is. Voor zover de verzetgronden daar op zien slagen die.

4.3 Daar waar klager het in het klachtformulier enkel heeft over het beïnvloeden van een getuige, blijkt uit de nadere stukken dat de klacht meer omvat dan enkel dat. Klager heeft het in zijn e-mail van 3 oktober 2024 (repliek) aan de Orde ook over belangenverstrengeling en intimidatie van zijn huidige advocaat. In de klachtomschrijving van de voorzittersbeschikking wordt van die laatste twee onderdelen geen gewag gemaakt. Gezegd moet dat de klachtomschrijving in de aanbiedingsbrief van de deken niet uitblinkt in helderheid, nu deze sluit met de zin ‘ Dit alles als omschreven in de berichten van klager .’ Waarschijnlijk was de bedoeling van die zin dat de voorzitter uit het klachtdossier de algemeen geformuleerde klacht  ‘.. enig handelen of nalaten dat een behoorlijk advocaat niet betaamt.’   zelf nader zou concretiseren, zulks in aanvulling op het al wel uitgeschreven klachtonderdeel van de beïnvloeding van een getuige.

4.4 Wat daar verder ook van zij, de klachtomschrijving in de voorzittersbeslissing sluit niet naadloos aan bij die uit de aanbiedingsbrief. Daarmee heeft de voorzitter niet op alle klachtonderdelen beslist en in zoverre is het verzet dan ook gegrond.

4.5 Nu klager niet aanwezig was bij de mondelinge behandeling van het verzet, kon hij niet bevraagd worden over - of een nadere toelichting geven op - het inhoudelijk deel van de klacht, zoals te doen gebruikelijk in verzetzaken. Er zal dus, nu het verzet slaagt, een nieuwe mondelinge behandeling dienen te volgen waar de volledige klacht van klager beoordeeld wordt. Klager en verweerder zullen hiertoe te zijner tijd een uitnodiging van de griffie van de raad ontvangen.

 

BESLISSING

De raad van discipline:

verklaart het verzet gegrond.

 

Aldus beslist door mr. M. Jansen, voorzitter, mr. G.N. Paanakker en mr. Y.M. Nijhuis, leden, bijgestaan door mr.  H.P.J. Meijerink als griffier en uitgesproken in het openbaar op 1 december 2025.

 

Griffier                                                                              Voorzitter

 

Verzonden op: 1 december 2025