Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

15-12-2025

ECLI

ECLI:NL:TADRSGR:2025:263

Zaaknummer

25-391/DH/DH

Inhoudsindicatie

Raadsbeslissing. Klacht over de eigen advocaat in een familiezaak. De kwaliteit van verweersters bijstand aan klaagster is onvoldoende geweest. Niet vast te stellen is dat zij klaagster op de relevante momenten heeft geïnformeerd en geadviseerd, bijvoorbeeld voorafgaand aan het vertrek uit de echtelijke woning door klaagster en na ontvangst van het (voor klaagster negatieve) vonnis in kort geding. De processtukken van verweerster voldoen niet aan de professionele standaard, doordat zij op diverse punten veel (te) weinig informatie en/of onderbouwing bevatten. Niet blijkt verder dat er enig besef is geweest van de gevolgen van het voor klaagster negatieve vonnis in kort geding voor het verzoek voorlopige voorzieningen, dat kort daarna werd behandeld en op dezelfde onderwerpen (waaronder de woning) zag. Verweerster heeft op meerdere momenten en meerdere punten onzorgvuldig en in strijd met de kernwaarde deskundigheid gehandeld. Berisping.

Uitspraak

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 15 december 2025

in de zaak 25-391/DH/DH

naar aanleiding van de klacht van:

 

klaagster

gemachtigde: mr. A. van Toorn

over

verweerster

gemachtigde: mr. A.J.M.H. de Werd

 

1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE

1.1 Op 9 juli 2024 is namens klaagster bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerster.

1.2 Op 16 juni 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk K136 2024 van de deken ontvangen.

1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 3 november 2025. Daarbij waren klaagster, vergezeld van een tolk, en verweerster en haar gemachtigde aanwezig.

1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de op de bijbehorende inventarislijsten genoemde bijlagen. Ook heeft de raad kennisgenomen van de e-mail met bijlagen van klaagsters gemachtigde van 9 juli 2025.

2 FEITEN

2.1 Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.

2.2 Klaagster heeft verweerster in februari 2022 benaderd voor bijstand in haar echtscheidingszaak.

2.3 Op 22 april 2022 heeft klaagster de echtelijke woning verlaten. Diezelfde dag heeft verweerster namens klaagster een verzoekschrift tot echtscheiding ingediend en is er een brief naar de man gestuurd. In het verzoekschrift tot echtscheiding staat onder meer:

“12. De vrouw wenst dat de kinderen hun hoofdverblijfplaats bij haar zullen hebben. De vrouw wenst één-ouder gezag omdat de man niet alleen zijn woede jegens de kinderen niet kan beheersen in woord maar ook fysiek, met name als het gaat om [zoon], zich laat gelden. Tevens is de vrouw van mening dat de man de zorg voor de kinderen, bij gebrek aan enig geduld jegens hen, niet aan kan. (…) De vrouw heeft tijdelijk de woning met de kinderen verlaten en zal, indien de man niet vrijwillig de woning verlaat, voorlopige voorzieningen aan de rechtbank vragen, in het bijzonder het voorlopig uitsluitend gebruik van de echtelijke woning.”

Er zijn geen producties bij het verzoekschrift gevoegd.

2.4 Op 2 mei 2022 heeft verweerster een verzoekschrift ingediend tot het vaststellen van voorlopige voorzieningen. In het verzoekschrift staat onder meer:

“3. (…) De vrouw heeft met de kinderen tijdelijk de echtelijke woning (…) verlaten omdat zij zich met de kinderen niet veilig voelt. Zij heeft de man verzocht de woning te verlaten, docht de man weigert dit. (…)

6. De vrouw heeft er belang bij dat spoedig de hieronder omschreven voorlopige voorzieningen worden getroffen, met name omdat de situatie in de echtelijke woning onhoudbaar is geworden, de vrouw tijdelijk bij vrienden is ingetrokken maar daar zeker met de kinderen niet kan blijven. De vrienden zijn op vakantie zodat een verblijf aldaar slechts van korte duur is. (…)

13. (…) Partijen wonen met de kinderen samen in de woning maar de vrouw heeft zich gedwongen gevoeld de woning op 22 april 2022 tijdelijk te verlaten en heeft de man verzocht de woning te verlaten zodat zij daarin met de kinderen kan verblijven totdat nadere afspraken over de woning zijn gemaakt. De man weigert uit de woning te vertrekken. De situatie is thans onhoudbaar geworden. De man is agressief, ook naar de kinderen toe en er is nagenoeg dagelijks ruzie waar de kinderen bij zijn. Dit is niet in het belang van de kinderen. (…)

…met het verzoek om bij beschikking voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, voor de duur van het geding:

I. te gelasten dat de minderjarige kinderen van partijen worden toevertrouwen aan de vrouw (…)

II. te bepalen dat de man zal bijdragen in de kosten van verzorging en opvoeding van ieder van de minderjarige kinderen van partijen met € 1.000,- per kind per maand (…)

III. te gelasten dat de vrouw bij uitsluiting van de man gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning en de zich daarin bevindende inboedel en dat de man wordt bevolen die woning te verlaten en deze niet verder niet meer te betreden”

Er zijn geen producties bij het verzoekschrift gevoegd.

2.5 Op 23 mei 2022 heeft de man een kort geding dagvaarding aan klaagster betekend. Deze dagvaarding maakt geen onderdeel uit van het klachtdossier.

2.6 Bij brief van 24 mei 2022 heeft verweerster de rechtbank aangeschreven over de op 27 mei 2022 geplande zitting in het kort geding. In de brief schrijft zij onder meer:

“Ten eerste merk ik op dat het mij bevreemdt dat ik reeds op 2 mei 2022 een verzoekschrift voorlopige voorzieningen heb ingediend (…) maar nog steeds in afwachting ben van een mondelinge behandeling. Bij de bepaling van de datum van het kort geding wordt wel voorbij gegaan aan de verhinderdata van ondergetekende maar klaarblijkelijk is dit bij het aanvragen van voorlopige voorzieningen niet het geval.

De vrouw is op 22 april 2022 uit de echtelijke woning vertrokken omdat zij zich niet meer veilig voelde met name met het oog op de kinderen. Op 28 april 2022 heeft zij aangifte gedaan bij de politie en tevens is Veilig Thuis bij deze zaak betrokken. Veilig Thuis heeft vooralsnog aangegeven dat de vrouw de kinderen niet met de man alleen mocht laten en slechts contact overeen te komen, in bijzijn van derden.

Namens de vrouw zend ik u de volgende bescheiden:

Productie 2: e-mailbericht van 21 maart 2022 van de vrouw aan een vriendin;

Productie 3: geluidsopname van gebeurtenissen in de woning, waarbij met name [zoon] het slachtoffer is. (…)

Productie 4: filmpje waarin [zoon] laat zien wat volgens hem zijn vader gedaan heeft;

Productie 5: aangifte politie d.d. 28 april 2022;

Productie 6: e-mailberichten van de vrouw waarin zij voorstel dat de man de kinderen kan zien alsmede de e-mailberichten tussen partijen over de voorgestelde ontmoetingen waarbij opgemerkt dat de man het tevens van belang acht dat de vrouw voor de helft blijft bijdragen in de kosten;

Productie 7: brief van raadsvrouwe van de vrouw aan de man d.d. 22 april 2022, zijnde de dag waarop de vrouw de woning heeft verlaten;

Productie 8: e-mailbericht van de vrouw d.d. 17 mei 2022 waarin zij aan de man uitgelegd, de reden van vertrek; (…)

De vrouw draagt voor de helft bij in de huishoudelijke kosten, echter niet in de kosten van dagelijks levensonderhoud daar zij zelf ook voor haarzelf en de kinderen de kosten draagt.

Bovendien is het inkomen van de man aanzienlijk hoger dan het inkomen van de vrouw.

De vrouw wenst ook een eis in reconventie in te dienen, daar zij met de kinderen voorlopig het uitsluitend gebruik van de woning wenst. De vrouw verblijft met de kinderen bij kennissen in Den Haag maar deze situatie is voor alle betrokkenen niet gewenst. Op aanraden van zowel politie als Veilig Thuis, wenst de vrouw haar verblijfplaats in Den Haag niet bekend te maken aan de man.

Eis in reconventie:

I. te gelasten dat de vrouw bij uitsluiting van de man gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning en de zich daarin bevindende inboedel en dat de man wordt bevolen die woning te verlaten en deze verder niet meer te betreden, behoudens met voorafgaande toestemming van de vrouw;”

2.7 Op 27 mei 2025 heeft de zitting in het kort geding plaatsgevonden. Klaagster was daarbij aanwezig, vergezeld door een kantoorgenoot van verweerster (mr. L). Verweerster was daarbij niet aanwezig. In de pleitnota van mr. L is onder meer opgenomen:

“15. Op 22 april is de vrouw met de kinderen het huis uit gevlucht. Dit als gevolg van verschillende gebeurtenissen die zich in de afgelopen jaren hebben opgestapeld.

16. (…) Ik moet de kinderen, met name [zoon] ook beschermen omdat de agressie van de man zich met name richt op [zoon] en de vrouw. (…)

17. De gebeurtenissen waardoor de vrouw zich niet langer veilig voelde in de woning bij de man, bestaan uit zowel verbaal als fysiek geweld. De man scheldt de vrouw al jarenlang voor van alles uit en hij schreeuwt dagelijks tegen haar waarbij zij ook veelvuldig wordt beledigd. Dit in de aanwezigheid van [zoon] en [dochter]. De man schreeuwt ook tegen [zoon]. Hij grijpt de vrouw en [zoon] hardhandig vast. Dit volgt ook uit het geluidsfragment, de man schreeuwt hard tegen de (toen nog) vierjarige [zoon]. [Zoon] is nu eenmaal een kleuter die niet meteen doet wat een ouder vraagt. De reactie van de man hierop is dagelijks schreeuwen tegen [zoon]. (…)

18. Dit heeft inmiddels al zijn uitwerking op [zoon]. [Zoon] is gestrest, hij slaapt slecht en is nerveus. (…) In de filmpjes beeld [zoon] uit wat zijn vader bij hem heeft gedaan. Hardhandig vastgrijpen en zijn hoofd naar beneden duwen waarbij [zoon] pijn heeft. (…)

19. Als gevolg van het voorgaande is de vrouw samen met de kinderen de woning uit gevlucht. Het is geen gezonde situatie voor de kinderen – en voor de vrouw – om nog langer in deze ongezonde situatie voort te lezen. (…) Daarom is zijn gevlucht en is de man diezelfde dag nog door haar advocaat geïnformeerd. (…)

21. Gelet op het voorgaande heeft de vrouw grote zorgen over de manier waarop de man met de kinderen omgaat. De man begint te schreeuwen en pakt de kinderen hardhandig vast als zij niet meteen doen wat de man zegt. (…)

25. Het voorstal van de vrouw ten aanzien van een tijdelijke regeling is dat voorlopig de aanwijzingen van Veilig Thuis worden gevolgd en contacten in Clingendael plaatsvinden. (…)

27. De situatie in de echtelijke woning was niet langer houdbaar en niet in belang van de kinderen. Zij verblijven nu in een tijdelijke woonruimte.”

2.8 Op 10 juni 2022 is vonnis in kort geding gewezen, waarbij onder meer het uitsluitend gebruik van de woning aan de man is toegewezen. Het vonnis maakt geen onderdeel uit van het klachtdossier.

2.9 Bij brief van 13 juni 2022 heeft verweerster de rechtbank aangeschreven over de op 14 juni 2022 geplande zitting over de voorlopige voorzieningen. In de brief staat onder meer:

“Het meest spoedeisend in deze zaak is het feit dat cliënte nadat zij op 2 mei 2022 al voorlopige voorzieningen had aangevraagd, de afgelopen weken reeds een aantal malen tijdelijk onderdak heeft gevonden, in afwachting van de behandeling voorlopige voorzieningen maar nu letterlijk op straat staat.

Na ontvangst van het vonnis Kort Geding van afgelopen vrijdag 10 juni 2022, heeft zij het hele weekend getracht onderdak te vinden voor de komende weken, doch zonder succes.

Productie 9: pogingen van de vrouw om onderdak te vinden voor de komende weken

Productie 10: bewijs dat de man wel degelijk op kantoor kan werken

Productie 11: foto’s van werkkamer van man in echtelijke woning

Productie 12: e-mailwisseling; vrouw doet nagenoeg alles, man bepaalt;

Productie 13: draagkrachtberekening kinderalimentatie

Productie 14: twee salarisstroken vrouw”

2.10 Op 14 juni 2022 is het verzoek voorlopige voorzieningen mondeling behandeld door de rechtbank. Klaagster en verweerster waren daarbij aanwezig. In de pleitnota van verweerster staat onder meer:

“Inmiddels ligt er een vonnis in kort geding waarbij een zorgregeling is vastgesteld met een opbouw. De vrouw zal zich uiteraard aan deze zorgregeling houden. (…)

De vrouw stelt alles in het werk, om voor de komende weken totdat de rechtbank uitspraak heeft gedaan andere woonruimte te vinden maar staat nu letterlijk met de 2 kinderen op straat. (…) De allergie op de ogen, is mede gezien de staat waarin zijn kamer in de woning zich bevindt, geen excuus. De kamer thuis waarin de man werkt, is nimmer aangepast zoals de man stelt. (..) Het belang van de vrouw en de kinderen bij terugkeer in de echtelijke woning is groot, de vrouw is teneinde raad, zij wil graag dat de kinderen in hun eigen omgeving zijn. (…)

Feit is dat de vrouw en de kinderen op straat staan, letterlijk. (…)

Partijen hebben ongeveer hetzelfde netto inkomen. De vrouw stelt voor dat zij de helft van de kosten voor de op vang van de kinderen betaalt, en dat de man daarnaast bijdraagt in de kosten van de kinderen conform de draagkrachtberekening die aan uw rechtbank is gestuurd te weten een bedrag van € 374,- per maand per kind.”

2.11 De beschikking op de voorlopige voorzieningen maakt geen onderdeel uit van het klachtdossier. Uit het klachtdossier blijkt dat de woning aan de man is toegewezen.

2.12 Op 1 juli 2022 is verweersters bijstand aan klaagster ten einde gekomen.

2.13 Op 1 augustus 2022 schrijft klaagster in een e-mail aan verweerster onder meer:

“1. You have not informed me sufficiently about Dutch law, my legal position nor your legal strategy. I left the house as per your advice, but what did you have planned next? I asked you six times whether leaving the house was the only option and you said yes, you will be back in three weeks. “Just go three weeks to some friends” Having changed houses 5 times and four months later we both know this was not true.

2. You have not substantiated anything. Not even the simple practicalities of a normal divorce: house, alimentatie, children of financials. I repeatedly askes you, what did you need from me to substantiate the case. (….)

3. I trusted you to act in the best of my interests, you were sometimes very difficult to reach and I was very shocked you went on holiday, even though the quick court hearing was on a date provided to the Court by you.

4. Financials, [de man] has been granted the house and you have not even presented, suggested, or tried to modify the verdict regarding a user fee. On top of that, you told me to add to the join account a certain amount regardering the daycare of [kinderen], even that is not correct.”

2.14 Bij brief van 20 januari 2023 heeft klaagster een formele klacht ingediend bij (het kantoor van) verweerster.

2.15 Bij brief van 3 februari 2023 heeft mr. V, klachtenfunctionaris, gemotiveerd op de klachten gereageerd en die ongegrond verklaard.

2.16 Bij brief van 7 maart 2023 heeft klaagster uitvoerig gereageerd.

2.17 Bij brief van 30 maart 2023 heeft mr. V gereageerd en grotendeels verwezen naar zijn eerdere brief. Hij heeft klaagster voorgesteld de openstaande facturen (ad € 4.758,97) te crediteren als een final settlement.

2.18 Bij brief van 27 maart 2024 heeft klaagsters gemachtigde mr. V aangeschreven over de kwestie. Zij heeft gemotiveerd toegelicht dat klaagster meent dat aan de zijde van verweerster sprake is van wanprestatie.

“[verweerster] heeft cliënte voorgehouden dat er geen enkel probleem was voor cliënte om de woning met de kinderen te verlaten omdat de rechtbank haar het alleengebruik van de woning zou toewijzen nu de kinderen bij cliënte zouden zijn. Het is op grond van die informatie van [verweerster] dat mijn cliënte besloten heeft de woning te verlaten en tijdelijk elders met de kinderen te gaan wonen.”

2.19 Op 19 april 2024 heeft mr. V gereageerd en laten weten dat de inhoud van de brief en aansprakelijkheid wordt betwist.

3 KLACHT

3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt verweerster dat zij de zaak niet heeft behandeld zoals van een redelijk en zorgvuldig handelend advocaat mag worden verwacht. Klaagster wijst erop dat verweerster onjuist heeft geadviseerd, inadequaat heeft gehandeld en ondermaatse processtukken heeft opgesteld.

3.2 In de klacht is verwezen naar de klachtbrieven van 20 januari 2023, 7 maart 2023 en 27 maart 2024, waarin in detail wordt ingegaan op de klachten over verweersters dienstverlening. Ter zitting heeft klaagster concreet de volgende verwijten genoemd: 1) het gebrek aan informeren en adviseren; 2) het gebrek aan indiening van de juiste stukken; 3) onprofessioneel gedrag (termijnen missen en klaagster afschepen met een junior advocaat) en 4) incorrect juridisch advies en verkeerde voorstelling van zaken.

3.3 Klaagster heeft gemotiveerd toegelicht dat dit alles grote (financiële en andere) gevolgen voor haar heeft gehad. Zij heeft ter zitting verzocht om toekenning van een schadevergoeding.

4 VERWEER

4.1 Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. Zij stelt dat de klacht heel algemeen is gesteld, zodat het voor haar onmogelijk is om daarop in te gaan. De algemene stellingen die tot de klacht zouden moeten leiden, worden op geen enkele wijze onderbouwd, behoudens de verwijzing naar de bijgevoegde stukken. Verweerster heeft verwezen naar de reactie van klachtfunctionaris mr. V.

4.2 Ter zitting is aangevoerd dat verweerster door de deken niet in de gelegenheid is gesteld om inhoudelijk te reageren op de klachtbrief. Het oordeel van de deken is slechts gebaseerd op de stukken uit de interne klachtenprocedure en daarmee op een onvolledig feitencomplex. De feiten liggen anders dan klaagster die heeft voorgeschoteld. Er is in een korte periode veelvuldig en intensief contact geweest tussen klaagster en verweerster. Door verweerster is veelvuldig met klaagster gesproken over de aanpak, de voors en tegens van de procedure, de feiten en het bewijsmateriaal. Verweerster stelt dat zij heeft gehandeld in overeenstemming met de professionele standaard.

4.3 Ter zitting is verder aangevoerd dat klaagster zelf besloot om de woning op 22 april 2022 tijdelijk met de kinderen te verlaten. Verweerster heeft haar dat niet geadviseerd. Op 22 april 2022 heeft verweerder de man aangeschreven en het verzoekschrift tot echtscheiding ingediend. De intentie was om in overleg met de andere partij tot een regeling te komen. Toen dat niet lukte, heeft verweerster op 2 mei 2022 een verzoekschrift voorlopige voorzieningen ingediend. Het door de man gestarte kort geding werd echter eerder behandeld. Op de zitting van 27 mei 2022 gaf klaagster aan dat zij over alternatieve woonruimte beschikte. Daar ging het mis. Dit was niet wat klaagster met verweerster had gedeeld. De vordering voor het tijdelijk uitsluitend gebruik van de woning werd afgewezen. In de procedure voorlopige voorzieningen volgde de rechtbank de in het kort geding ingeslagen weg. Verweerster heeft in beide procedures de rechter met de door klaagster ter hand gestelde stukken zo volledig mogelijk geïnformeerd. Ve

4.4 De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

5 BEOORDELING

Overweging vooraf

5.1 De raad passeert het verweer dat de klacht te algemeen geformuleerd zou zijn, waardoor het voor verweerster onmogelijk zou zijn daarop te reageren. In de klacht is verwezen naar de eerdere klachtbrieven die door klaagster en haar gemachtigde aan het kantoor zijn gestuurd. Hoewel die brieven een veelheid aan klachten bevatten, is de rode draad helder: klaagster meent dat verweersters bijstand en advisering onvoldoende zijn geweest en dat de opgestelde processtukken ondermaats zijn geweest. Verweerster is voldoende in de gelegenheid geweest te reageren c.q. verweer te voeren op de klacht.

5.2 De raad merkt daarbij op dat hij ook uitgaat van die rode draad, zoals hiervoor vermeld (en opgenomen onder 3.1), en niet alle verwijten die in de klachtbrieven (die aan het kantoor zijn gestuurd) stuk voor stuk zal bespreken, mede omdat het vanwege het ontbreken van stukken niet altijd (goed) mogelijk is daar nader op in te gaan. De rode draad is echter helder en de raad zal daar hierna zijn oordeel over geven.

Toetsingskader

5.3 Deze klacht gaat over de kwaliteit van de dienstverlening van de (eigen) advocaat. Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt. Ook houdt de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als algemene professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht.

5.4 Bij deze toetsing is de tuchtrechter niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen, gezien ook het open karakter van de wettelijke norm, daarbij wel van belang zijn. Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld.

5.5 Relevant in deze zaak is met name gedragsregel 16, waarin is bepaald dat de advocaat zijn cliënt op de hoogte dient te brengen van belangrijke informatie, feiten en afspraken. Ter voorkoming van misverstand, onzekerheid of geschil, dient hij belangrijke informatie en afspraken schriftelijk aan zijn cliënt te bevestigen. De advocaat moet zich ervan vergewissen of de cliënt alles goed heeft begrepen en of hij de gevolgen van de gekozen strategie voldoende overziet. De cliënt kan de advocaat niet verantwoordelijk houden voor een negatieve afloop, maar er moet wel als het ware een ‘informed consent’ zijn; de cliënt moet zich bewust zijn van de risico’s die aan bepaalde keuzes kleven (zie Hof van Discipline 20 oktober 2025, ECLI:NL:TAHVD:2025:203).

Advisering aan klaagster

5.6 De raad beschikt maar zeer beperkt over stukken uit de echtscheidingszaak. Verweerster heeft geen stukken overgelegd in de tuchtprocedure, terwijl het op haar weg lag om aan te tonen dat zij klaagster (voldoende) heeft geïnformeerd. De enkele stelling van verweerster dat er veelvuldig contact met klaagster is geweest, is onvoldoende. De raad kan vanwege het ontbreken van stukken niet vaststellen dat verweerster klaagster op de relevante momenten heeft geïnformeerd en geadviseerd. Dat komt voor rekening en risico van verweerster. Zij had klaagster in ieder geval bij aanvang van de bijstand moeten informeren en adviseren over (de strategie in) de echtscheidingszaak. Ook op diverse andere momenten had verweerster klaagster (schriftelijk) moeten adviseren, zoals voorafgaand aan het vertrek uit de woning door klaagster over de mogelijke gevolgen hiervan (alleen al vanwege de verstrekkende gevolgen hiervan) en na ontvangst van het - voor klaagster negatieve - vonnis in kort geding (zowel over de mogelijkheid v

Processtukken

5.7 De raad beschikt over de processtukken van verweersters hand zoals opgenomen bij de beschrijving van de feiten. De raad is van oordeel dat daarin (veel) te weinig informatie is opgenomen over de reden voor het vertrek van klaagster uit de echtelijke woning, namelijk het huiselijk geweld. In het verzoekschrift echtscheiding en het verzoekschrift voorlopige voorzieningen wordt dit niet of nauwelijks benoemd. Onderbouwing daarvan (in de vorm van producties) ontbreekt. Pas bij brief van 24 mei 2022 (in het kort geding) heeft verweerster voor het eerst producties overgelegd (die deels in ieder geval ook eerder overgelegd hadden kunnen worden). De eis van verweerster in reconventie in die brief – het verzoek om toewijzing van de woning aan klaagster – is eveneens (veel) te summier onderbouwd. De raad is dan ook van oordeel dat de door verweerster opgestelde processtukken niet voldoen aan de professionele standaard. Ook daarvan kan haar een tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt. De klacht is ook in zoverre gegrond

Onprofessioneel gedrag

5.8 Klaagster verwijt verweerster nog dat zij termijnen heeft gemist bij de rechtbank. Het is de raad niet duidelijk welke termijn(en) dit zouden zijn. Klaagster heeft dit niet verder geconcretiseerd en de raad kan dit niet vaststellen.

5.9 Klaagster verwijt verweerster verder dat zij niet zelf bij de zitting in kort geding aanwezig was, maar dat zij de zitting heeft laten doen door een junior kantoorgenoot. Uit de brief van verweerster van 24 mei 2022 volgt dat de rechtbank bij het plannen van de zitting blijkbaar voorbij is gegaan aan de verhinderdata van verweerster. Hoewel vervelend voor klaagster, kan verweerster dan niet het verwijt worden gemaakt dat zij de zitting niet zelf heeft gedaan. Dat de bijstand van de kantoorgenoot ter zitting onvoldoende zou zijn geweest, heeft klaagster niet onderbouwd en kan de raad niet vaststellen. De klacht is in zoverre ongegrond.

Schadevergoeding

5.10 Klaagster heeft om een schadevergoeding verzocht. De mogelijkheden daarvoor zijn in het tuchtrecht in zijn algemeenheid beperkt. De raad wijst het verzoek in dit geval af, omdat het verzoek niet is geconcretiseerd.

6 MAATREGEL

6.1 De kwaliteit van verweersters bijstand aan klaagster is onvoldoende geweest. Niet vast te stellen is dat zij klaagster op de relevante momenten heeft geïnformeerd en geadviseerd, bijvoorbeeld voorafgaand aan het vertrek uit de echtelijke woning door klaagster en na ontvangst van het (voor klaagster negatieve) vonnis in kort geding. De processtukken van verweerster voldoen niet aan de professionele standaard, doordat zij op diverse punten veel (te) weinig informatie en/of onderbouwing bevatten. Niet blijkt verder dat er enig besef is geweest van de gevolgen van het voor klaagster negatieve vonnis in kort geding voor het verzoek voorlopige voorzieningen, dat kort daarna werd behandeld en op dezelfde onderwerpen (waaronder de woning) zag. Het verbaast de raad verder dat verweerster geen verzoek om een gebruiksvergoeding heeft gedaan, nu de woning aan de man werd toegewezen. Verweerster is dan ook tekortgeschoten in haar bijstand aan klaagster. Zij heeft op meerdere momenten en meerdere punten onzorgvuldig en in strijd met de kernwaarde deskundigheid gehandeld.

6.2 De raad is van oordeel dat een berisping passend is, nu sprake is van schending van een kernwaarde.

7 GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING

7.1 Omdat de raad de klacht gedeeltelijk gegrond verklaart, moet verweerster op grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klaagster betaalde griffierecht van € 50,- aan haar vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden. Klaagster geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing haar rekeningnummer schriftelijk aan verweerster door.

7.2 Nu de raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerster daarnaast op grond van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten:

a) € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en

b) € 500,- kosten van de Staat.

7.3 Verweerster moet het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.2 onder b en c genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline" en het zaaknummer.

BESLISSING

De raad van discipline:

- verklaart de klacht deels gegrond (zie 5.6 en 5.7);

- verklaart de klacht voor het overige ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af;

- legt aan verweerster de maatregel van berisping op;

- veroordeelt verweerster tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klaagster;

- veroordeelt verweerster tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.3.

Aldus beslist door mr. H.F.R. van Heemstra, voorzitter, mrs. A. Schaberg en M.M. van Wijk, leden, bijgestaan door mr. C.M. van de Kamp als griffier en uitgesproken in het openbaar op 15 december 2025.

 

Griffier Voorzitter

Verzonden op: 15 december 2025