Rechtspraak
Uitspraakdatum
24-12-2025
ECLI
ECLI:NL:TADRSGR:2025:275
Zaaknummer
25-705/DH/DH
Inhoudsindicatie
Voorzittersbeslissing. Klacht over de advocaat-gemachtigde van een advocaat in een tuchtprocedure. De eerdere klacht is ongegrond bevonden door het hof van discipline. Daarom bestaat geen aanleiding om in het geval van verweerder tot een andere uitkomst te komen over materieel gezien dezelfde kwestie. Klacht kennelijk ongegrond. Misbruik van recht-bepaling.
Uitspraak
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag
van 24 december 2025 in de zaak 25-705/DH/DH
naar aanleiding van de klacht van:
klager
over:
verweerder
gemachtigde: [kantoorgenoot]
De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag (hierna: de deken) van 17 oktober 2025 met kenmerk K119 2025 en van de op de inventaris genoemde bijlagen. Ook heeft de voorzitter kennisgenomen van de aanvullende stukken van klager van 3 november 2025.
1 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.
1.1 Klager is verwikkeld (geweest) in een echtscheidingsprocedure. Mr. S heeft zijn ex-partner daarin bijgestaan als advocaat. Klager heeft drie eerdere tuchtklachten ingediend tegen mr. S. Verweerder heeft mr. S. bijgestaan als gemachtigde in deze tuchtprocedures, vanwege zijn functie als klachtenfunctionaris van het kantoor. In dat verband heeft hij namens mr. S schriftelijk gereageerd op de tuchtklachten en haar ook vertegenwoordigd op twee zittingen bij de raad en het hof van discipline.
1.2 Op 5 mei 2025 heeft klager bij de deken een klacht ingediend over verweerder.
2 KLACHT
2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerder het volgende.
a) Verweerder heeft in het antwoord op de klacht tegen mr. S (zaaknummer 23 820/DH/DH) feitelijk onjuiste stellingen ingenomen over:
- de beschikbaarheid van financiële gegevens;
- de aangifte inkomstenbelasting;
- belastingaanslagen en vermogen;
- bekendheid van het nieuwe inkomen;
- de nevenfunctie;
- datering van de alimentatieberekening;
- aanpassingen aan de vaststellingsovereenkomst.
b) Verweerder heeft misleidende uitlatingen gedaan op de zitting van de raad van discipline, door te stellen dat ernstige en onderbouwde klachten van klager tegen derden slechts ‘mager onderbouwde verdachtmakingen’ zouden zijn.
2.2 Volgens klager heeft verweerder daarmee in strijd gehandeld met gedragsregel 1 (integriteit), 6 (onafhankelijkheid), 37 (waarheidsgetrouwheid) en 46 (zorgvuldige klachtafhandeling), artikel 21 Rv en de kernwaarden.
2.3 Klager heeft daarnaast gesteld dat verweerder zich met zijn handelen eveneens schuldig heeft gemaakt aan valsheid in geschrifte, oplichting en medeplegen of medeplichtigheid. De voorzitter zal daar niet verder op ingaan, omdat alleen de strafrechter daarover mag oordelen.
3 VERWEER
3.1 Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. Klachtonderdeel a) zijn verwijten die klager eerder aan het adres van mr. S heeft gemaakt. Het hof van discipline heeft deze klachten in de overwegingen 5.3 tot en met 5.6 beoordeeld en ongegrond bevonden. Klachtonderdeel b) is wel nieuw, maar dat berust op een ondeugdelijke grondslag. Uit het proces-verbaal van de zitting valt niet af te leiden dat verweerder feiten ontkent, maar dat verweerder heeft gewezen op de gebrekkige onderbouwing van klagers stellingen. Hij acht de klacht daarom kennelijk ongegrond.
4 BEOORDELING
Toetsingskader
4.1 Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is. Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie te controleren. Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij aan de wederpartij toebrengen.
Klachtonderdeel a)
4.2 Klager beklaagt zich over het verweerder dat verweerder namens mr. S heeft ingediend in de tuchtklacht met zaaknummer 23-820/DH/DH. Deze tuchtklacht is geëindigd in een ongegrondverklaring door het hof van discipline bij beslissing van 9 mei 2025 (ECLI:NL:TAHVD:2025:77). Omdat het handelen van mr. S als niet tuchtrechtelijk verwijtbaar is beoordeeld, bestaat er geen aanleiding om in het geval van verweerder tot een andere uitkomst te komen over materieel gezien dezelfde kwestie. Het indienen van een nieuwe tuchtklacht (tegen de advocaat van de beklaagde) kan ook niet dienen om de oorspronkelijke tuchtklacht opnieuw ter discussie te stellen. Klachtonderdeel a) is kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel b)
4.3 Het staat een advocaat vrij om het standpunt in te nemen dat een wederpartij diens stellingen niet voldoende heeft onderbouwd. Klachtonderdeel b) is kennelijk ongegrond.
Misbruik van recht
4.4 Klager heeft tot op heden vier tuchtklachten (vandaag wordt ook in deze vierde tuchtklacht een voorzittersbeslissing genomen, zaaknummer 25-723/DH/DH) ingediend tegen de advocaat van zijn ex-partner. Deze klachten zijn tot op heden allemaal (kennelijk) ongegrond verklaard. In de derde tuchtklacht heeft een voorzitter van deze raad reeds geoordeeld dat de klacht in strijd is met de beginselen van een behoorlijke tuchtprocesorde door voor de derde keer verwijten naar voren te brengen die in de kern zien op hetzelfde als in de eerdere zaken (RvD Den Haag 13 augustus 2025, ECLI:NL:TADRSGR:2025:164, zaaknummer 25-390/DH/DH). Dat heeft klager met deze klacht weer geprobeerd.
4.5 De grenzen aan het tuchtrecht zijn daarmee bereikt. Klager dient er rekening mee te houden dat nieuwe tuchtklachten over de echtscheidingsprocedure met zijn ex-partner niet meer in behandeling worden genomen door de deken en/of de raad vanwege misbruik van recht. Dit geldt voor zowel mr. [S], verweerder en andere personen die hen hebben bijgestaan in tuchtprocedures.
BESLISSING
De voorzitter verklaart de klacht, met toepassing van artikel 46j van de Advocatenwet, kennelijk ongegrond.
Aldus beslist door mr. H.F.R. van Heemstra, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. M.A.A. Traousis als griffier en uitgesproken in het openbaar op 24 december 2025.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 24 december 2025
