Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

15-12-2025

ECLI

ECLI:NL:TADRSGR:2025:262

Zaaknummer

25-389/DH/DH

Inhoudsindicatie

Raadsbeslissing. Klacht over de kwaliteit van dienstverlening. Verweerder is ingeschakeld voor het hoger beroep in de alimentatiezaak. Ook een andere advocaat heeft in deze zaak bijstand aan klaagster verleend. Hoewel de gemaakte afspraak bijzonder te nomen is, is het niet tuchtrechtelijk verwijtbaar. Klaagster was hiermee bekend en heeft bovendien zelf met verweerder gecorrespondeerd en hem verzoeken gedaan. Geen sprake van dat verweerder zonder overleg met klaagster is ingeschakeld. Verweerder heeft de opdrachtbevestiging per abuis niet aan klaagster gestuurd. Daarvan kan hem in de gegeven omstandigheden geen verwijt worden gemaakt. Ook andere verwijten zijn ongegrond.

Uitspraak

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 15 december 2025

in de zaak 25-389/DH/DH

naar aanleiding van de klacht van:

 

klaagster

over

verweerder

gemachtigde: mr. D.A. IJpelaar

 

1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE

1.1 Op 11 september 2023 heeft klaagster bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.

1.2 Op 13 juni 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk K193 2023 van de deken ontvangen.

1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 3 november 2025. Daarbij waren klaagster, verweerder en zijn gemachtigde aanwezig.

1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de op de bijbehorende inventarislijsten genoemde bijlagen.

2 FEITEN

2.1 Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.

2.2 Klaagster is verwikkeld geweest in een procedure over alimentatie. In het hoger beroep in deze procedure was mr. [B] (hierna: mr. B) aanvankelijk klaagsters advocaat.

2.3 Op 29 april 2020 heeft klaagster in een e-mail aan verweerder geschreven:

“U doet mijn Appel zaak van mijn alimentatie en u zou een voorstel krijgen van [X].”

2.4 Verweerder heeft diezelfde dag gereageerd en laten weten dat hij nog niets heeft ontvangen.

2.5 Op 12 mei 2022 heeft mr. [R] (hierna: mr. R) een concept verweerschrift aan verweerder gestuurd. Zij schrijft in de e-mail onder meer:

“Bijgaand zend ik u zoals afgesproken in Word een concept van het verweerschrift tevens incidenteel appel. (…)

We hebben afgesproken dat u het stuk nakijkt en vervolgens toestuurt aan het Gerechtshof Amsterdam, afgedrukt op uw briefpapier/in uw huisstijl. U gaf aan dat u dit doet op voorhand per fax en nastuurt per post.”

Klaagster heeft een cc van dit bericht ontvangen.

2.6 Diezelfde dag heeft verweerder gereageerd en het verweerschrift aan mr. R (en cc aan klaagster) gestuurd. Hij heeft daarbij in zijn e-mail drie kwesties aan de orde gesteld en gevraagd of mr. R dit met klaagster wil bespreken. Verweerder heeft – in verband met de termijn voor het indienen van het verweerschrift – om een reactie de volgende dag gevraagd.

2.7 Op 13 mei 2022 heeft verweerder het verweerschrift ingediend bij het gerechtshof.

2.8 Op 29 mei 2022 heeft klaagster in een e-mail aan verweerder onder meer geschreven:

“Beste heer [verweerder],

Zou u zo vriendelijk willen zijn om een email te willen versturen naar [X] en zeggen dat [de man] volledig mijn alimentatie moet overmaken.”

Diezelfde dag heeft klaagster verweerder nog twee keer gemaild over de alimentatie.

2.9 Op 5 juni 2020 heeft klaagster per e-mail aan verweerder laten weten dat de man heeft betaald en bedankt zij verweerder voor alles.

2.10 Op 11 augustus 2020 heeft verweerder aan mr. R onder meer geschreven:

“Uit eerdere mededelingen leid ik af dat het de bedoeling is dat ik naar die zitting zal gaan. Mocht die aanname onjuist zijn van verneem ik dat graag ommegaand. Ik heb [klaagster] gevraagd mij haar verhinderdata voor de komende zes maanden door te geven.”

2.11 Mr. R heeft diezelfde dag gereageerd en geschreven dat zij met klaagster heeft besproken dat mr. R de pleitnota opstelt (alsmede de stukken voorafgaande daaraan voor de rechtbank) en dat verweerder klaagster ter zitting zal bijstaan.

2.12 Op 13 augustus 2020 heeft klaagster in een e-mail aan verweerder gevraagd of hij een brief naar de man kan sturen.

2.13 Op 27 augustus 2020 heeft mr. R aan verweerder geschreven dat met klaagster is afgesproken dat een “tiendagen” brief voor het Hof zal worden opgesteld met na te sturen producties alsmede een concept pleitnotitie. Mr. R laat in haar e-mail weten dat zij deze concept stukken tijdig aan verweerder zal toezenden.

2.14 Op 29 september 2020 heeft mr. R in een e-mail aan klaagster geschreven:

“Wie bedoel je met “mijn advocaat”?”

2.15 Op 30 september 2020 heeft klaagster gereageerd op de e-mail van mr. R van 29 september 2020 en geschreven:

“Hiermee bedoel ik [verweerder].”

2.16 Op 14 oktober 2020 heeft mr. R aan verweerder (en cc aan klaagster) onder meer geschreven:

“De brief bestemd voor het Hof heb ik één dezer dagen gereed. Ik zal deze evenwel eerst toesturen aan cliënte voor haar commentaar en doe u deze nadien toekomen. De notitie voor de mondelinge behandeling verwacht ik uiterlijk begin volgende week aan u te kunnen toesturen.”

2.17 Op 15 oktober 2020 heeft mr. R de (concept)brief bestemd voor het Hof aan klaagster en mr. B gestuurd met de vraag of zij op- en/of aanmerkingen hebben.

2.18 Op 23 oktober 2020 heeft mr. R een concept pleitnota en inventarislijst aan klaagster en mr. B gestuurd met de vraag of zij op- en/of aanmerkingen hebben.

2.19 Op 12 november 2020 heeft klaagster per e-mail aan verweerder laten weten dat zij op de door het gerechtshof voorgestelde datum (21 december 2020) verhinderd is vanwege een familiereünie.

2.20 Verweerder heeft diezelfde dag een e-mail aan mevrouw V gestuurd over de voorgestelde datum, waarbij hij klaagsters e-mail heeft bijgevoegd.

Klaagster heeft daarop gereageerd en aan verweerder geschreven:

“Heeft u mooi geschreven, dank u wel [verweerder]”

2.21 Op 17 november 2020 heeft het gerechtshof een nieuw voorstel voor een zittingsdatum aan verweerder gestuurd. Verweerder heeft dit diezelfde dag aan klaagster doorgestuurd met de vraag of dit akkoord is. Klaagster heeft kort daarna gereageerd dat dit akkoord is.

2.22 Op 13 januari 2021 heeft klaagster per e-mail aan verweerder gevraagd of hij haar indexering op wil vragen bij X of L. Ook heeft zij aan verweerder laten weten dat zij nog een bedrag van de man moet ontvangen.

2.23 Op 14 januari 2021 heeft verweerder laten weten dat hij X heeft aangeschreven.

2.24 Op 18 januari 2021 heeft klaagster aan verweerder laten weten dat de man het volledige bedrag heeft overgemaakt, waarbij zij verweerder bedankt voor zijn brief aan X.

2.25 Op 17 februari 2021 heeft mr. R een concept pleitnota aan klaagster gestuurd. Zij heeft daarbij geschreven:

“Zie bijgaand de pleitnota in concept. Kijk hier goed naar en mocht je nog opmerkingen hebben, dan hoor ik dit graag en vul ik deze direct aan. Sowieso hoor ik graag uiterlijk morgenochtend van je, zodat ik het stuk tijdig aan [verweerder] kan toesturen.”

2.26 Op 18 februari 2021 heeft klaagster aan verweerder geschreven:

“[Verweerder], zullen wij samen om 13:00 uur afspreken om het een en ander door te nemen?”

Verweerder heeft diezelfde dag laten weten dit prima te vinden.

2.27 Op 19 februari 2021 is de zaak mondeling behandeling door het gerechtshof. Klaagster en verweerder waren daarbij aanwezig.

2.28 Het dossier bevat twee declaraties van verweerders kantoor gericht aan klaagster. Eén declaratie is gedateerd op 24 mei 2020 en betreft een bedrag van € 1.029,42 (waaronder € 332,- griffierecht). De tweede declaratie is gedateerd op 20 juli 2021 en betreft een bedrag van € 3.126.34. Beide declaraties zijn voorzien van een specificatie. Verweerder heeft de tweede declaratie gecrediteerd.

3 KLACHT

3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt verweerder het volgende:

a) Verweerder heeft geen financiële afspraken met klaagster gemaakt, terwijl zij wel heeft moeten betalen. Daarnaast heeft verweerder niet met klaagster besproken of zij in aanmerking zou kunnen komen voor gefinancierde rechtsbijstand.

b) Verweerder heeft nooit een opdrachtbevestiging aan klaagster toegezonden.

c) Verweerder heeft klaagster nooit concepten gestuurd.

d) Verweerder heeft klaagster nooit definitieve stukken gestuurd.

e) Verweerder heeft nooit voorafgaand aan de zitting met klaagster de zaak besproken ofwel voorbereid.

3.2 Klaagster heeft toegelicht dat verweerder de waarnemer was van mr. B. Mr. B heeft verweerder ingeschakeld om een alimentatiezaak te doen, zonder met klaagster te overleggen. Klaagster betwist dat verweerder contact met haar heeft opgenomen. Zij betwist dat de afspraak is gemaakt dat de conceptstukken door mr. R moesten worden opgesteld en door verweerder moesten worden beoordeeld en ingediend. Klaagster liet zich enkel en alleen bijstaan door mr. B. Klaagster betwist met klem dat er met enige regelmaat persoonlijk contact is geweest met verweerder. Zij heeft verweerder nimmer telefonisch gesproken en/of voorafgaand aan de zitting persoonlijk ontmoet.

3.3 Ter zitting heeft klaagster toegelicht dat zij werd bijgestaan door mr. B, maar dat hij geen zitting meer kon doen omdat hij geschorst was. Mr. B zou wat anders voor klaagster regelen. Mr. B heeft diverse advocaten voor klaagster geregeld. Klaagster moest van mr. B reageren op de e-mails van verweerder en mr. R. Klaagster heeft verweerder alleen tijdens de zitting bij het gerechtshof gezien.

4 VERWEER

4.1 Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. Hij stelt dat hij in maart 2020 werd benaderd door mr. [SM] (hierna: mr. SM) met het verzoek of verweerder een cliënte van hem (klaagster) wilde bijstaan in een al aanhangige beroepsprocedure bij het gerechtshof en of verweerder in dat kader een verweerschrift wilde concipiëren. De reden voor het verzoek was, volgens mr. SM, dat hij tot waarnemer was benoemd voor een geschorste collega (mr. B), maar zelf geen zaken met betrekking tot het personen- en familierecht behandelde. Verweerder heeft contact gezocht met de advocaat die de zaak in eerste aanleg had behandeld voor klaagster. Naar aanleiding daarvan heeft hij besloten op het verzoek in te gaan.

4.2 Op enig moment ontving hij een bericht van mr. R dat klaagster er de voorkeur aan gaf dat de conceptstukken door mr. R (c.q. haar kantoor) zouden worden opgesteld, dat verweerder die vervolgens zou beoordelen en, bij akkoord, zou zorgdragen voor indiening van die stukken. Met deze gang van zaken is verweerder akkoord gegaan. Overeenkomstig deze afspraken heeft mr. R de concept processtukken opgesteld. Verweerder heeft die beoordeeld en eventuele opmerkingen met mr. R besproken, waarna mr. R de stukken met klaagster heeft besproken en na van klaagster verkregen akkoord aan verweerder gestuurd om voor indiening zorg te dragen. Gedurende de procedure heeft verweerder met enige regelmaat persoonlijk contact over de procedure met klaagster gehad, zowel telefonisch als per e-mail.

4.3 Met betrekking tot klachtonderdelen a) en b): er is een standaard opdrachtbevestiging verzonden met daarin onder meer de financiële afspraken en ook de mededeling ten aanzien van de gefinancierde rechtsbijstand. Verweerder hoefde klaagster niet te wijzen op de mogelijkheid van gefinancierde rechtsbijstand gezien haar maandelijkse inkomen (zo’n € 6.000,-) en haar vermogen uit de gemeenschap van goederen. Verweerder heeft op 24 mei 2022 een eerste declaratie gestuurd. Deze is zonder enige vorm van protest door klaagster betaald. Na de overname van de zaak door de opvolgend advocaat heeft verweerder op 20 juli 2021 zijn einddeclaratie aan klaagster gestuurd. De opvolgend advocaat liet aan verweerder weten dat klaagster deze factuur niet wilde betalen omdat zij geen opdracht had gegeven en dat de factuur maar naar mr. B zou moeten worden gestuurd. Verweerder heeft vervolgens moeten constateren dat de opdrachtbevestiging abusievelijk niet naar klaagster was gestuurd, maar naar mr. S. Verweerder heeft toen gem

4.4 Met betrekking tot klachtonderdelen c) en d): de door klaagster zelf gemaakte afspraak was dat mr. R de concepten zou opstellen, aan verweerder zou voorleggen en vervolgens met klaagster zou bespreken. Ook de definitieve versies van de processtukken zijn door klaagster geaccordeerd. Mr. R. heeft die gang van zaken recent nog aan verweerder bevestigd.

4.5 Met betrekking tot klachtonderdeel e): de zitting bij het hof vond plaats op 19 februari 2021, midden in de coronapandemie met al zijn beperkingen. De pleitnota is vooraf in concept aan klaagster voorgelegd en door haar akkoord bevonden. Met het oog op de zitting heeft klaagster verweerder de dag voor de zitting gemaild of zij een uur voor de geplande aanvangstijd bij het hof konden afspreken om de zaak nog even kort door te spreken. Verweerder is hiermee akkoord gegaan. Voor zover nodig is de zaak toen nog doorgesproken.

4.6 De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

5 BEOORDELING

Toetsingskader

5.1 Deze klacht gaat over de kwaliteit van de dienstverlening van de advocaat. Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt. Ook houdt de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als algemene professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht.

Opmerking vooraf

5.2 Uit het klachtdossier en de ter zitting afgelegde verklaringen leidt de raad af dat klaagster door mr. B werd bijgestaan in haar zaken, dat mr. B door zijn schorsing niet langer voor haar kon optreden en dat mr. SM als waarnemer van mr. B fungeerde. Verweerder is ingeschakeld voor het hoger beroep in de alimentatiezaak en ook mr. R heeft in deze zaak bijstand aan klaagster verleend. Uit de e-mailcorrespondentie (zie 12 mei 2020) blijkt dat de afspraak kennelijk was dat mr. R de (proces)stukken opstelde en met klaagster besprak, dat verweerder deze controleerde en na goedkeuring op zijn briefpapier indiende bij het gerechtshof. Afspraak was ook dat verweerder klaagster ter zitting zou bijstaan. Hoewel deze afspraak c.q. constructie bijzonder te noemen is, is het niet tuchtrechtelijk verwijtbaar. Klaagster was hiermee bekend, nu zij steeds kopieën van de e-mails heeft ontvangen. Zij heeft bovendien ook zelf met verweerder gecorrespondeerd en heeft verschillende verzoeken aan hem gedaan. Zij beschouwde verweerder als haar advocaat, zo blijkt uit haar e-mail van 30 september 2020. Dat verweerder zonder overleg met klaagster is ingeschakeld en dat zij hem niet zelf de opdracht heeft gegeven haar bij te staan, kan zo zijn, maar uit de gevoerde correspondentie blijkt afdoende dat klaagster bekend was met verweerders betrokkenheid en daar ook mee akkoord was.

Klachtonderdelen a) en b)

5.3 Klaagster verwijt verweerder dat hij geen opdrachtbevestiging heeft verstuurd en geen financiële afspraken met haar heeft gemaakt. Verweerder heeft toegelicht dat hij een opdrachtbevestiging heeft gemaakt, maar deze per abuis naar mr. SM heeft gestuurd in plaats van naar klaagster. Verweerder verkeerde in de veronderstelling dat hij deze opdrachtbevestiging, inclusief financiële afspraken, aan klaagster had gestuurd. Toen hem bleek dat dat niet het geval was, heeft hij de tweede (nog niet betaalde) declaratie gecrediteerd, aldus verweerder.

5.4 De raad is van oordeel dat deze vergissing slordig te noemen is, maar dat verweerder hiervan in de gegeven omstandigheden geen tuchtrechtelijk verwijt valt te maken. Verweerder heeft werkzaamheden voor klaagster verricht: zij was daarmee akkoord en dient daar dan ook voor te betalen. Dat de opdracht formeel door mr. B of mr. SM aan verweerder was verstrekt, maakt dat niet anders. Deze verwijten zijn ongegrond.

5.5 Verweerder heeft klaagster twee declaraties gestuurd. Hij stelt dat zij alleen de eerste declaratie à € 1.029,42 heeft betaald. Verweerder heeft, toen hem bleek dat hij de opdrachtbevestiging niet naar klaagster heeft gestuurd, de tweede declaratie à € 3.126.34 gecrediteerd. Klaagster heeft daarmee maar een beperkt deel hoeven te betalen voor de door verweerder verrichte werkzaamheden. Voor zover klaagster meent dat verweerder het door haar betaalde bedrag zou moeten terugbetalen, ziet de raad daarvoor geen aanleiding.

Klachtonderdelen c) en d)

5.6 Klaagster verwijt verweerder dat hij haar nooit concepten en definitieve stukken heeft gestuurd. Verweerder heeft toegelicht dat de afspraak was dat mr. R de concepten zou opstellen, die aan verweerder zou voorleggen en dat mr. R de stukken met klaagster besprak. Verweerder zorgde vervolgens voor indiening van de (definitieve) stukken. Uit de e-mailcorrespondentie volgt die werkwijze ook. Uit de e-mails van mr. R van 15 en 23 oktober 2020 en 17 februari 2021 blijkt dat mr. R conceptstukken aan klaagster heeft voorgelegd. Op 14 oktober 2020 heeft mr. R aan verweerder laten weten dat zij een conceptstuk eerst aan klaagster moest voorleggen, voor zij het stuk aan verweerder kon doen toekomen. Klaagster kan dan ook niet aan verweerder verwijten dat hij geen conceptstukken aan haar heeft voorgelegd. De raad kan klaagster verder niet volgen in haar verwijt dat de conceptprocesstukken niet naar haar gestuurd zijn, nu uit de gevoerde correspondentie blijkt dat dit wel het geval is geweest. Verweerder mocht er, g

Klachtonderdeel e)

5.7 Klaagster verwijt verweerder dat hij voorafgaand aan de zitting de zaak niet met klaagster heeft besproken c.q. voorbereid. Uit de correspondentie (e-mail 17 februari 2021) blijkt dat mr. R de inhoud van de pleitnota met klaagster heeft voorbereid en afgestemd. Voorafgaand aan de zitting heeft een afspraak tussen klaagster en verweerder plaatsgevonden. Dat de zitting niet afdoende is voorbesproken, kan de raad niet vaststellen. Ook dit verwijt is ongegrond.

BESLISSING

De raad van discipline verklaart de klacht in alle onderdelen ongegrond.

 

Aldus beslist door mr. H.F.R. van Heemstra, voorzitter, mrs. A. Schaberg en M.M. van Wijk, leden, bijgestaan door mr. C.M. van de Kamp als griffier en uitgesproken in het openbaar op 15 december 2025.

 

Griffier Voorzitter

 

Verzonden op: 15 december 2025