Rechtspraak
Uitspraakdatum
17-12-2025
ECLI
ECLI:NL:TADRSGR:2025:268
Zaaknummer
25-714/DH/DH
Inhoudsindicatie
Voorzittersbeslissing. Klacht over de eigen advocaat. Kwaliteit dienstverlening. Klager heeft geen eigen rechtstreeks belang. De klacht voor zover mede ingediend namens klager is kennelijk niet-ontvankelijk. Klaagster had redelijkerwijs op de hoogte kunnen zijn van de beëindiging van het geschil door de gemaakte afspraken in plaats van door een vonnis. Van het toesturen van een vonnis aan klaagster door verweerder kon dan ook geen sprake zijn. Van enig klachtwaardig handelen van verweerder is niet gebleken. De klacht is in alle onderdelen kennelijk ongegrond.
Uitspraak
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag
van 17 december 2025 in de zaak 25-714/DH/DH
naar aanleiding van de klacht van:
1. klaagster
en
2. klager
hierna samen te noemen: klagers
over:
verweerder
De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag (hierna: de deken) van 20 oktober 2025 met kenmerk K077 2025 ia/ak, door de raad digitaal ontvangen op dezelfde datum, van de op de inventarislijst inhoudelijk genoemde bijlagen 03 tot en met 09 en van de op de inventarislijst procedureel genoemde bijlagen 1 tot en met 11. Daarnaast heeft de voorzitter kennisgenomen van de e-mail met bijlage van klager van 9 november 2025.
1 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.
1.1 Klaagster heeft een arbeidsrechtelijk geschil met uitzendbureau X over onder meer achterstallig loon. Verweerder heeft klaagster hierin bijgestaan.
1.2 Op 12 maart 2024 heeft een kort gedingzitting plaatsgevonden bij de rechtbank Den Haag. In het proces-verbaal van deze zitting is opgenomen dat uitzendbureau X aan klaagster een bedrag van € 5.000,- betaalt bij wijze van voorschot op het achterstallig loon en dat partijen met elkaar in overleg treden nadat verweerder van de gemachtigde van uitzendbureau X een berekening heeft ontvangen van het sinds 6 mei 2022 verschuldigde bruto loon.
1.3 In april 2024 hebben klaagster en verweerder nog contact met elkaar gehad over de zaak van klaagster.
1.4 Vanaf juni 2024 wordt klaagster bijgestaan door een andere advocaat.
1.5 Op 7 april 2025 heeft klaagster mede namens klager bij de deken een klacht over verweerder ingediend. Op 27 april 2025 hebben klagers de klacht verder toegelicht.
2 KLACHT
2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klagers verwijten verweerder het volgende:
a) verweerder heeft klagers niet geïnformeerd over de uitkomst van de rechtszaak;
b) verweerder heeft gerechtelijke documentatie niet aan klagers overgedragen, waaronder het vonnis;
c) verweerder heeft de zaak van klagers opzettelijk verlengd en verdere juridische stappen belemmerd;
d) verweerder heeft het contact met klagers verbroken na het uitspreken van het vonnis door de rechtbank.
2.2 De voorzitter zal hierna bij de beoordeling op de klachtonderdelen ingaan.
3 VERWEER
3.1 Verweerder voert verweer tegen de klacht en betwist dat hij tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. In dat verband voert verweerder aan dat klaagster en uitzendbureau X op de zitting van 12 maart 2024 hebben afgesproken dat klaagster € 5.000,- zou ontvangen en dat er dus geen uitspraak is gedaan door de voorzieningenrechter. Daarbij merkt verweerder op dat dit klaagster duidelijk moet zijn geweest, omdat zij op de zitting aanwezig was en is bijgestaan door een tolk Pools. Volgens verweerder heeft de griffie van de rechtbank hem bevestigd dat er geen uitspraak is gedaan in de zaak van klaagster en heeft de rechtbank hem nooit het proces-verbaal van de zitting toegezonden.
Verder voert verweerder aan dat hij na de zitting nog een of twee besprekingen met klaagster heeft gehad en dat hij daarna per e-mail werd geïnformeerd dat klaagster zich tot een andere gemachtigde had gewend. Volgens verweerder heeft hij het dossier op diens verzoek aan de nieuwe gemachtigde overhandigd.
Tot slot voert verweerder aan dat contact met klaagster alleen mogelijk was door tussenkomst van een tolk. Volgens verweerder heeft hij in april 2024 uitvoerig met klaagster over de zaak gesproken en heeft zij zich in juni 2024 tot een nieuwe gemachtigde gewend aan wie hij het dossier heeft overhandigd. Daarbij merkt verweerder op dat hij in de tussentijd niet van klaagster heeft vernomen dat zij behoefte had aan nog een bespreking of dat zij vond dat hij te lang zou doen over het in kaart brengen van het eventuele restant van haar vordering nadat klaagster het voorschot van € 5.000,- had ontvangen. Volgens verweerder heeft hij na overhandiging van het dossier ook niets meer van de nieuwe gemachtigde van klaagster ontvangen.
3.2 De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
4 BEOORDELING
Nederlandse taal
4.1 De voorzitter stelt voorop dat de voertaal in tuchtrechtprocedures als de onderhavige het Nederlands is. Dit betekent dat de voorzitter bij de beoordeling van de klacht geen rekening kan houden met de in het Pools opgestelde e-mails die bij de klacht zijn gevoegd en die niet in het Nederlands zijn vertaald.
Ontvankelijkheid
4.2 De voorzitter stelt voorop dat alleen de persoon of de rechtspersoon die door het handelen of nalaten van een advocaat direct in zijn belang wordt of kan worden getroffen, het recht heeft om hierover een klacht in te dienen. Dit staat in de Advocatenwet. Als het in het algemeen belang is dat er een tuchtprocedure komt, dan heeft de deken het recht om te klagen.
4.3 De voorzitter kan op grond van het klachtdossier niet vaststellen dat verweerder naast klaagster ook klager heeft bijgestaan in het arbeidsrechtelijke geschil met uitzendbureau X. Verweerder heeft het in zijn verweer alleen over zijn bijstand aan klaagster en uit de overgelegde stukken, waaronder het proces-verbaal van de zitting van 12 maart 2024, blijkt dat verweerder alleen klaagster heeft bijgestaan. Dit betekent dat de klacht over verweerder voor zover mede ingediend namens klager niet-ontvankelijk is vanwege een gebrek aan een eigen rechtstreeks belang van klager.
Toetsingskader
4.4 Deze klacht gaat over de kwaliteit van de dienstverlening van de advocaat. Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt. Ook houdt de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als algemene professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht.
De klacht is in alle onderdelen kennelijk ongegrond
4.5 De voorzitter stelt op grond van de stukken, waaronder het proces-verbaal van 12 maart 2024, vast dat klaagster ter beëindiging van het arbeidsrechtelijke geschil met uitzendbureau X heeft afgesproken dat zij een voorschot op achterstallig loon ontvangt van € 5.000,- en dat partijen verder met elkaar in overleg zouden treden over het sinds mei 2022 verschuldigde loon na ontvangst door verweerder van een berekening van de gemachtigde van uitzendbureau X. Het wijzen van een vonnis was door de tussen klaagster en uitzendbureau X gemaakte afspraken dus niet meer nodig. Verweerder heeft dit ook in zijn verweer benadrukt, waarbij verweerder ook onweersproken heeft aangevoerd dat klaagster op de zitting aanwezig was en is bijgestaan door een tolk Pools. Klaagster had dan ook redelijkerwijs op de hoogte kunnen zijn van de beëindiging van het geschil met uitzendbureau X door de gemaakte afspraken in plaats van door een vonnis. Van het toesturen van een vonnis aan klaagster door verweerder kon dan ook geen sprake
4.6 Het is de voorzitter verder niet gebleken dat sprake is van andere juridische stukken die verweerder niet aan klaagster heeft gestuurd. Ook is het bij gebrek aan een feitelijke onderbouwing niet gebleken dat verweerder tijdens de zitting van 12 maart 2024 rekenfouten heeft gemaakt.
4.7 Verder kan de voorzitter op grond van het klachtdossier niet vaststellen dat verweerder de zaak van klaagster opzettelijk heeft verlengd en verdere juridische stappen heeft belemmerd. In april 2024 heeft tussen klaagster en verweerder nog een bespreking plaatsgevonden over de zaak van klaagster en in juni 2024 heeft klaagster zich tot een andere advocaat gewend, waarna verweerder het dossier aan de nieuwe advocaat van klaagster heeft overhandigd. Van enig klachtwaardig handelen van verweerder is de voorzitter daarbij niet gebleken.
4.8 Uit het bovenstaande volgt dat de voorzitter de klacht, voor zover mede ingediend namens klager, kennelijk niet-ontvankelijk zal verklaren en voor het overige, met toepassing van artikel 46j lid 1 Advocatenwet, in alle onderdelen kennelijk ongegrond.
BESLISSING
De voorzitter verklaart de klacht, voor zover mede ingediend namens klager, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk niet-ontvankelijk en voor het overige in alle onderdelen kennelijk ongegrond.
Aldus beslist door mr. A.E.A.M. van Waesberghe, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. A.E. van Oost als griffier en uitgesproken in het openbaar op 17 december 2025.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 17 december 2025
