Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

22-12-2025

ECLI

ECLI:NL:TADRSGR:2025:274

Zaaknummer

25-349/DH/DH

Inhoudsindicatie

Raadsbeslissing. Klacht over de eigen advocaat. Verweerder heeft klaagster op betalende basis bijgestaan, terwijl er al een toevoeging was verstrekt. De toevoeging betreft uitsluitend adviserende werkzaamheden. Op het moment dat er een procedure gestart zou worden, en te voorzien viel dat er financieel resultaat zou zijn, heeft verweerder dit met klaagster besproken en vastgesteld dat vervolgwerkzaamheden niet meer onder de toevoeging vallen en dat verweerder verder op betalende basis zou optreden. Klaagster is hierdoor niet benadeeld. Verweerster heeft juist voorkomen dat klaagster ook de advieswerkzaamheden zelf moest betalen. Klacht ongegrond.

Uitspraak

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 22 december 2025

in de zaak 25-349/DH/DH

naar aanleiding van de klacht van:

 

klaagster

over:

verweerster

 

1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE

1.1 Op 13 februari 2025 heeft klaagster bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerster.

1.2 Op 26 mei 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk K039 2025 van de deken ontvangen.

1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 10 november 2025. Daarbij waren klaagster en verweerster aanwezig.

1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de op de inventaris genoemde bijlagen.

2 FEITEN

2.1 Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.

2.2 Verweerster heeft klaagster vanaf 2021 bijgestaan rondom de afwikkeling van de woning die klaagster samen met haar ex-partner had gekocht. Verweerster heeft klaagster aanvankelijk geadviseerd op basis van een toevoeging. In de opdrachtbevestiging d.d. 4 oktober 2021 heeft verweerster daarover opgenomen:

"Wij spraken met elkaar af dat ik jou alleen zal adviseren met betrekking tot bovengenoemde kwestie en jou zal helpen om te proberen duidelijkheid te krijgen. Voor mijn advisering en ondersteuning zal ik voor jou een toevoeging aanvragen. Wij spraken met elkaar af dat onder mijn werkzaamheden voor jou niet valt het opstarten van een procedure. Dit wil jij niet met het oog op de mogelijkheid dat hiervoor voor jou substantiële proceskosten gemoeid kunnen zijn in verband met de afwikkeling van de woning. Dit wil jij voorkomen."

2.3 De aanvraag voor een toevoeging is op 5 oktober 2021 door verweerster bij de Raad voor Rechtsbijstand ingediend. Op 9 december 2021 heeft de Raad voor Rechtsbijstand de aanvraag toegekend. Aan klaagster is door de Raad voor Rechtsbijstand een eigen bijdrage opgelegd van € 306,-. Verweerster heeft klaagster voor die eigen bijdrage op 7 december 2021 een declaratie gestuurd. Deze declaratie is door klaagster voldaan.

2.4 Daarna heeft verweerster klaagster op betalende basis bijgestaan in een kort geding om de verkoop van de woning af te dwingen. In de opdrachtbevestiging d.d. 17 december 2021 heeft verweerster daarover opgenomen:

"Graag bevestig ik hierbij allereerst nog even volledigheidshalve jouw opdracht om jouw belangen te behartigen in verband met de verkoop van de woning, zoals eerder al met elkaar doorgesproken. Besproken is dat mijn werkzaamheden niet onder de aan jou verstrekte toevoeging vallen en dat ik op betalende wijze voor jou optreed. Hiervoor en voor alle overige concrete voorwaarden van mijn dienstverlening in dit kader verwijs ik jou verder naar de eerder aan jou toegezonden opdrachtbevestiging van 4 oktober 2021."

2.5 De kortgedingrechter heeft vervolgens besloten om de ex-partner een aanvullende termijn te bieden om met zijn bank alsnog te proberen om overeenstemming te bereiken om klaagster uit te kopen, nadat dit eerder door de bank was afgewezen. Dit is uiteindelijk gelukt, waarna klaagster is uitgekocht.

2.6 Verweerster heeft aanvankelijk (in totaal) tussen € 9.000,- en € 10.000,- gefactureerd voor haar werkzaamheden rondom het kort geding. Nadat klaagster daarover een klacht bij de deken had ingediend, is overeengekomen dat de facturen werden gematigd tot € 6.000,- en dat klaagster de klacht zou intrekken.

3 KLACHT

3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt verweerster dat zij in strijd heeft gehandeld met gedragsregel 18 lid 2 door klaagster op betalende basis bij te staan, terwijl er een toevoeging was verstrekt. Klaagster heeft toegelicht dat zij contact heeft opgenomen met de Raad voor Rechtsbijstand, waarbij haar is verteld dat de toevoeging nog liep.

4 VERWEER

4.1 Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

5 BEOORDELING

Toetsingskader

5.1 Naar vaste jurisprudentie dient de tuchtrechter bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, onder andere dat advocaten zich dienen te onthouden van enig handelen of nalaten dat een behoorlijk advocaat niet betaamt.

5.2 Gedragsregel 18 lid 2 luidt:

De advocaat zal van de cliënt voor de behandeling van een zaak waarin hij is toegevoegd voor zijn werkzaamheden geen vergoeding, in welke vorm dan ook, bedingen of in ontvangst nemen, afgezien van eigen bijdragen, verschotten en proceskosten volgens de daarvoor geldende regels.

Klacht over de hoogte van facturen

5.3 Ter zitting is komen vast te staan dat klaagster eerder over de hoogte van de facturen een klacht bij de deken heeft ingediend. Deze klacht is door klaagster ingetrokken nadat overeenstemming is bereikt om de facturen te matigen tot € 6.000,-. Klaagster heeft uitgelegd dat haar huidige klacht niet is gericht tegen de hoogte van de facturen van verweerster. Een klacht tegen de hoogte van de facturen van verweerster en de correspondentie daarover is daarom niet (meer) aan de orde en behoeft geen verdere bespreking.  

Inhoudelijk oordeel

5.4 Verweerster heeft klaagster aanvankelijk geadviseerd op basis van een toevoeging. In de opdrachtbevestiging van 4 oktober 2021 is vastgelegd dat uitsluitend adviserende werkzaamheden van verweerster onder deze toevoeging zouden vallen. Expliciet is daarbij vermeld dat, vanwege de mogelijke substantiële proceskosten die klaagster wilde voorkomen, onder de werkzaamheden van verweerster niet valt het opstarten van een procedure. Aan klaagster is voor deze adviserende werkzaamheden door verweerster een bedrag gelijk aan de door de Raad voor Rechtsbijstand opgelegde eigen bijdrage in rekening gebracht.

5.5 Blijkens de opdrachtbevestiging van 17 december 2021 zijn de werkzaamheden van verweerster vervolgens toch uitgebreid naar -kort gezegd- het bewerkstelligen van de verkoop van de echtelijke woning. In civiele zaken beoordeelt de Raad voor Rechtsbijstand na indiening van de declaratie of de rechtzoekende op basis van het financiële resultaat van de zaak waarvoor de toevoeging werd verleend alsnog in staat moet worden geacht de kosten van rechtsbijstand zelf te dragen. Getoetst wordt daarbij of de rechtzoekende een geldsom of een vordering op een geldsom ontvangt ter hoogte van tenminste 50% van het geldende drempelbedrag. Van “resultaat” is sprake als er een directe relatie is tussen de uitkomsten van de zaak en de verlening van de rechtsbijstand en er sprake is van een geldsom of een vordering met betrekking tot een geldsom. Als resultaat merkt de Raad voor Rechtsbijstand bijvoorbeeld aan een betaling/vordering wegens overbedeling dan wel de opbrengst van de verkoop van een woning. Verweerster heeft met

5.6 Als verweerster bij de stand van zaken van medio december 2021 de toevoeging zelf had ingetrokken, dan had klaagster de advieswerkzaamheden die verweerster heeft gedeclareerd onder de toevoeging alsnog zelf aan verweerster moeten betalen. Hetzelfde geldt als verweerster haar verdere werkzaamheden had verricht onder de reeds verstrekte toevoeging en na afronding van de procedure bij de declaratie van die toevoeging de Raad voor Rechtsbijstand had moeten informeren over het financiële resultaat. Immers, alsdan zou de Raad voor Rechtsbijstand de toevoeging hebben ingetrokken.

5.7 Door de eerste advieswerkzaamheden te declareren onder een toevoeging en klaagster pas daarna, zodra financieel resultaat viel te voorzien, op betalende basis bij te gaan staan, heeft verweerster voorkomen dat klaagster de advieswerkzaamheden ook volgens uurtarief aan haar had moeten betalen. Klaagster is dus niet financieel benadeeld door verweerster. Integendeel.

5.8 Verweerster heeft daarmee niet tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld. De klacht is ongegrond.

Afsluitende opmerking

5.9 Voor zover klaagster ook bedoeld heeft om als klacht naar voren te brengen dat verweerster haar onjuist heeft geadviseerd over de kansen van een kort geding om vervangende toestemming te krijgen om de woning te verkopen, is het de raad niet gebleken dat verweerster daarover een onjuist advies heeft gegeven gelet op de eerdere afwijzing van de bank aan klaagsters ex-partner. Het adviseren om een kort geding te starten onder die omstandigheden acht de raad niet onjuist.

5.10 De raad komt dan ook tot de conclusie dat de klacht ongegrond is.

BESLISSING

De raad van discipline:

- verklaart de klacht ongegrond.

 

Aldus beslist door mr. S.M. Krans, voorzitter, mrs. N. de Boer en M. van Eck, leden, bijgestaan door mr. M.A.A. Traousis als griffier en uitgesproken ter openbare zitting van 22 december 2025.

Griffier Voorzitter

 

Verzonden op: 22 december 2025