Rechtspraak
Uitspraakdatum
17-12-2025
ECLI
ECLI:NL:TADRSGR:2025:267
Zaaknummer
25-711/DH/DH
Inhoudsindicatie
Voorzittersbeslissing. Klacht over de advocaat van de wederpartij. Klacht deels kennelijk niet-ontvankelijk omdat klager daarbij geen belang heeft of daarover al eerder heeft geklaagd. Klacht voor het overige kennelijk ongegrond. Het innemen van een andersluidend juridisch standpunt is niet tuchtrechtelijk verwijtbaar. Verweerder heeft geen onpleitbaar standpunt ingenomen. Niet gebleken dat verweerder de tuchtrechter onjuist heeft voorgelicht.
Uitspraak
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag
van 17 december 2025 in de zaak 25-711/DH/DH
naar aanleiding van de klacht van:
klager
over:
verweerder
De voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van 20 oktober 2025 van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag (hierna: de deken) met kenmerk K186 2024 en van de op de inventaris genoemde bijlagen.
1 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.
1.1 Klager heeft een geschil met [bedrijf], dat heeft geleid tot een procedure. Verweerder staat [bedrijf] daarin bij.
1.2 In het kader van deze procedure in eerste aanleg heeft klager een tuchtklacht tegen verweerder ingediend (zaaknummer 24-176/DH/DH). De klacht is behandeld op de zitting van 9 september 2024 van de raad van discipline.
1.3 Op 11 juli 2023 heeft de kantonrechter vonnis gewezen, de vorderingen van klager afgewezen en klager veroordeeld in de kosten van het geding.
1.4 Klager is vervolgens in hoger beroep gegaan. Verweerder heeft ten behoeve van de rolzitting van 30 juli 2024 namens [bedrijf] een memorie van antwoord geschreven, onder meer inhoudende:
“(…) 8 [bedrijf] zal het bedrag, ter vermijding van iedere verder discussie, opnieuw op de bankrekening van [mevrouw I] betalen, verhoogd met wettelijke rente tot – zekerheidshalve – 1 oktober 2024, in totaal EUR € 4.202,26, waarbij zij, ten overvloede, bij deze bevestigt dat zij afstand doet van haar eventuele recht op terugbetaling van dat bedrag (zij kiest er dus voor om geen gebruik te maken van haar mogelijke rechten uit hoofde van het schuldeisersverzuim van [klager] c.s. om te worden bevrijd van haar toegezegde betalingsverplichting). Als [bedrijf] het bedrag wederom retour ontvangt zal zij het echter behouden en aannemen dat [klager] c.s. daarop geen aanspraak doen. (…)
26 [Mevrouw I] heeft het bedrag na ontvangst aan [bedrijf] geretourneerd, veinzende dat zij niet wist waarop het betrekking had. (…)
43 [Klager] stelt dat [mevrouw I] de “onbekende” betaling van [bedrijf] op grond van de Wwft niet mocht accepteren. De redenering is onwaarachtig. [Mevrouw I] heeft de vordering tot betaling immers zelf ingesteld (althans: [klager] namens haar; [mevrouw I] is tot nu toe niet verschenen bij de twee mondelinge behandelingen die in dit geschil hebben plaatsgevonden) en [bedrijf] heeft deze toegezegd. (…)
44 De verwijzing naar de Wwft is onjuist; die is op [klager] c.s. immers niet van toepassing. [Mevrouw I] zou de betaling, als de bank daarnaar zou vragen en mogen vragen, hebben kunnen verantwoorden. (…)
45 [Klager] c.s. schermen met de beperkte taalvaardigheid van [mevrouw I]. Zij laten echter na te verklaren waarom [mevrouw I], bij haar retournering van het ontvangen bedrag aan [bedrijf] een Roemeense tekst toevoegde, daar waar zij eerder bleek te kunnen communiceren in het Engels. Van de vrouw die in de inleidende dagvaarding werd gepresenteerd als assistente van [klager] die “communicatie uitvoert” zou men verwachten dat zij meer dan geen Nederlands en nauwelijks Engels spreekt. (…)
46 Bij memorie van grieven onder 6.6. maken [klager] c.s. een opmerkelijke wending waar zij stellen: “[Mevrouw I] kwam geen enkel bedrag toe, behoudens de (terug)betaling van de geannuleerde boeking bij [bedrijf]”. Hetzelfde geldt voor de daaropvolgende toelichting. [bedrijf] vraagt hiervan akte; uit de stelling blijkt immers dat de aanspraak op [bedrijf] volgens [klager] niet groter is – en in eerste aanleg: was – dan het bedrag van de oorspronkelijke boeking, te weten EUR 665,52. Dat bedrag, ook wanneer het met de gevorderde rente wordt vermeerderd, blijft onder de appelgrens. (…)
48 In de inleiding van de dagvaarding stelden [klager] c.s. nog dat [mevrouw I], als assistente van [klager], betalingen uitvoerde die “volledig op rekening van [klager] komen en vanuit diens rekening betaald zijn geworden danwel rechtstreeks, danwel via de creditcard van “[klager]”. Dit is in strijd met de stelling die [klager] c.s. bij memorie van grieven inneemt (ook onder MvG 6.3) dat de boekingen in Zwitserland, zowel van het litigieuze appartement als het vervangende verblijf, van de rekening van [mevrouw I] zijn betaald. Dat laatste is (zoals blijkt uit productie 4 bij dagvaarding) wel juist (dat [mevrouw I] heeft betaald maakt echter nog niet dat zij ook als boekende partij geldt). Ook hier hebben [klager] c.s. stellingen ingenomen waarvan zij moeten hebben geweten dat ze onjuist waren.
49 Betaling zonder erkenning van vorderingen en aansprakelijkheid is, anders dan [klager] c.s. stellen, wel mogelijk. De stellingen van [klager] c.s. over de gang van zaken tijdens de mondelinge behandeling zijn irrelevant en onjuist. [bedrijf] was daar, met een gevolmachtigd vertegenwoordiger en advocaat, deugdelijk vertegenwoordigd. Een minnelijke regeling had kunnen worden gesloten, maar daarvoor bestond, gezien de toezegging van [bedrijf], geen aanleiding meer (zodat het ook niet meer kwam tot eventuele overlegging van de volmacht van de vertegenwoordiger).”
1.5 Op 9 september 2024 heeft klager bij de deken een klacht ingediend over verweerder.
2 KLACHT
2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerder het volgende.
a) Verweerder heeft in strijd gehandeld met gedragsregel 7, door te stellen dat:
i. mevrouw I heeft gelogen dat zij de betaling van [bedrijf] op grond van de Wwft niet mocht accepteren (randnummer 43);
ii. mevrouw I veinsde dat ze niet wist waar de betaling over ging (randnummers 26 en 46);
iii. mevrouw I beperkte taalvaardigheden heeft in het Engels, maar wel goed Roemeens spreekt (randnummer 45).
b) Verweerder heeft in strijd gehandeld met gedragsregel 8, door:
i. te stellen dat de betaling van de accommodatie door mevrouw I niet bewijst dat de accommodatie ook door haar is gehuurd, terwijl alleen een accounthouder een boeking kan doen bij [bedrijf] en alleen deze accounthouder daarvoor kan betalen (randnummer 48);
ii. naar de zitting bij de kantonrechter een persoon mee te nemen als vertegenwoordiger van [bedrijf] terwijl deze geen band heeft met [bedrijf] (randnummer 49).
c) Verweerder heeft in strijd gehandeld met gedragsregel 1, door te stellen dat een onintrekbare toezegging wel degelijk intrekbaar was (randnummer 8).
d) Verweerder heeft in strijd gehandeld met gedragsregel 29, door bij de tuchtrechter:
i. te eisen dat in het proces-verbaal werd opgenomen dat klager had verklaard “[bedrijf] (zijn cliënt) van de zaak af wilde”, terwijl klager citeerde uit de memorie van grieven onder randnummer 40;
ii. te stellen dat hij pas tijdens de zitting bij het gerechtshof had vernomen dat mevrouw I de betaling had teruggestort, terwijl hij daarvan al op de hoogte was omdat klagers advocaat dat in de memorie van grieven had opgenomen.
3 VERWEER
3.1 Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
4 BEOORDELING
Ontvankelijkheid
Toetsingskader belanghebbendheid
4.1 Alleen de persoon of de rechtspersoon die door het handelen of nalaten van een advocaat direct in zijn belang wordt of kan worden getroffen, heeft het recht om hierover een klacht in te dienen.
Toetsingskader ne bis in idem
4.2 In het tuchtrecht geldt het zogenaamde “ne bis in idem-beginsel”, dat is vastgelegd in artikel 47b Advocatenwet. Dit beginsel houdt in dat niet opnieuw kan worden geklaagd over een gedraging van een advocaat waarover de tuchtrechter eerder al (onherroepelijk) heeft geoordeeld. De achtergrond van dit beginsel is dat een advocaat, over wie een klacht is ingediend, er na het einde van de klachtprocedure in beginsel op moet kunnen vertrouwen dat dat de klacht daarmee is afgewikkeld en dat het handelen waarop de klacht betrekking heeft niet opnieuw aan de tuchtrechter kan worden voorgelegd.
4.3 Klachten over het optreden van een advocaat dienen verder zoveel mogelijk te worden gebundeld. Voorkomen moet immers worden dat voor iedere gedraging binnen hetzelfde feitencomplex steeds aparte tuchtprocedures moeten worden gevoerd. Het indienen van een opvolgende klacht kan in zo’n situatie in strijd komen met de beginselen van een behoorlijke tuchtprocesorde (zie Hof van Discipline 20 juni 2025, ECLI:NL:TAHVD:2025:111).
Beoordeling
4.4 Klachtonderdeel a) gaat over het doen van grievende uitlatingen. De uitlatingen waar klager op wijst zien allemaal op mevrouw I en niet op klager. Omdat deze uitlatingen niet over klager gaan, heeft hij geen eigen, rechtstreeks betrokken belang bij klachtonderdeel a). Deze zal daarom kennelijk niet-ontvankelijk worden verklaard.
4.5 Klachtonderdeel b) ii gaat over de zitting bij de kantonrechter, waar verweerder aldus klager een persoon heeft meegenomen naar de zitting als ware deze verbonden aan [bedrijf], terwijl dat niet zo zou zijn. Over de procedure en de zitting bij de kantonrechter heeft klager eerder geklaagd. Klager verwijst ook naar wat hij daarover in die procedure heeft gesteld. De voorzitter stelt vast dat klager deze tuchtklacht op 9 september 2024 om 12.30 uur heeft ingediend, enkele uren voorafgaand aan de mondelinge behandeling van diezelfde dag om 14.40 uur waarop klagers eerste tuchtklacht aan de orde is gesteld. De voorzitter acht het in strijd met het beginsel van behoorlijke (tucht)procesorde om een klacht over handelingen van verweerder in dezelfde procedure in een tweede klacht opnieuw in te dienen terwijl deze handelingen al voor lagen in een (lopende) tuchtprocedure. Bovendien is op die klacht inmiddels al onherroepelijk door de tuchtrechter beslist (zie de beslissingen van de raad van discipline van 21 okt
4.6 Klager is wel ontvankelijk in de overige klachtonderdelen, aangezien hij partij was bij zowel de procedure bij het gerechtshof als bij de tuchtrechter en over beide procedures niet eerder is geklaagd.
Inhoudelijke beoordeling
Toetsingskader
4.7 Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is. Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie te controleren. Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij aan de wederpartij toebrengen.
Klachtonderdeel b)
4.8 Gedragsregel 8 luidt: De advocaat dient zich zowel in als buiten rechte te onthouden van het verstrekken van feitelijke informatie waarvan hij weet, althans behoort te weten, dat die onjuist is.
4.9 Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de betaling door mevrouw I nog niet maakt dat zij als boekende partij geldt. Dat is een juridisch standpunt dat verweerder heeft ingenomen ten behoeve van zijn cliënte, waartegen klager zich heeft kunnen verweren. Het is niet aan de tuchtrechter om daarover te oordelen, maar aan (in dit geval) het gerechtshof. Dat een andersluidend juridisch standpunt is ingenomen, maakt niet dat sprake is van het verstrekken van feitelijk onjuiste informatie. Klachtonderdeel b) i is kennelijk ongegrond
Klachtonderdeel c)
4.10 Vastgesteld wordt dat verweerder heeft opgeschreven dat zijn cliënte de betaling opnieuw zou doen en dat, als mevrouw I deze betaling opnieuw terugstort, zijn cliënte zal aannemen dat zij geen aanspraak wil maken op dat bedrag. Daarin kan niet worden gelezen dat verweerder alsnog voorwaarden stelt aan de toezegging, maar enkel dat als mevrouw I het bedrag terugstort zijn cliënte ervan uitgaat dat zij het bedrag niet wil hebben. Dat is geen onpleitbaar standpunt. Klachtonderdeel c) is kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel d)
4.11 Klager verwijst in klachtonderdeel d) i naar gedragsregel 29, maar zijn klacht komt er in de kern op neer dat verweerder zou hebben gelogen tegenover de tuchtrechter.
4.12 Voor zover verweerder zou hebben gevraagd of de griffier in het proces-verbaal wilde opnemen dat klager had gezegd dat “[bedrijf] (zijn cliënt) van de zaak af wilde”, kan niet worden ingezien hoe verweerder daarmee zou hebben gelogen tegenover de tuchtrechter. Met het doen van een verzoek om iets vast te leggen in het proces-verbaal worden immers geen feiten naar voren gebracht, zodat er ook geen (bewust) onjuiste feiten naar voren worden gebracht. Klachtonderdeel d) i is kennelijk ongegrond.
4.13 Klachtonderdeel d) ii ziet kennelijk op een zitting bij het gerechtshof. Klager verwijst in dat verband immers naar een zitting waarop zijn advocaat en ook de juridisch vertegenwoordiger van [bedrijf] aanwezig waren. Dat volgt ook uit de memorie van grieven van zijn eigen advocaat. Daargelaten dat klager dit klachtonderdeel niet heeft onderbouwd met bijvoorbeeld een proces-verbaal, zodat de juistheid van de stelling niet kan worden vastgesteld, kan de voorzitter vaststellen dat de uitlating niet is gedaan tegenover de tuchtrechter. Er kan dan ook niet worden geconcludeerd dat verweerder de tuchtrechter onjuist zou hebben voorgelicht. Klachtonderdeel d) ii is kennelijk ongegrond.
Conclusie
4.14 Gelet op het voorgaande zijn klachtonderdeel a) en klachtonderdeel b) ii kennelijk-niet ontvankelijk. De klacht is voor het overige kennelijk ongegrond.
BESLISSING
De voorzitter:
- verklaart klachtonderdelen a) en b) ii, met toepassing van artikel 46j van de Advocatenwet, kennelijk niet-ontvankelijk;
- verklaart de klacht voor het overige, met toepassing van artikel 46j van de Advocatenwet, kennelijk ongegrond.
Aldus beslist door mr. S.M. Krans, voorzitter, bijgestaan door mr. M.A.A. Traousis als griffier en uitgesproken in het openbaar op 17 december 2025.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 17 december 2025
